Léon Spilliaert (Oostende, 28 juli 1881 – Elsene, 23 november 1946) was een van de voornaamste Belgische beeldende kunstenaars uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Hij was actief als tekenaar, illustrator, lithograaf en kunstschilder.

In zijn beginperiode droeg hij bij tot de ontwikkeling van het symbolisme in de beeldende kunst in België.Hendrik van Gorp, De poëtische visie van Léon Spilliaert: een benadering vanuit Maeterlinck en Verhaeren; Ons Erfdeel. Jaargang 31, 1988 In tegenstelling tot andere Belgische symbolisten, zoals Xavier Mellery en Fernand Khnopff, volgde Spilliaert een andere en eigenzinnige weg bij de interpretatie van de wereld rondom hem. Hij deed dit door evocatie van stemmingen die hij "verwoordde" in zijn werk met een minimum aan middelen. Zijn stijl is lineair, grafisch en maakt gebruik van een beperkt, subtiel, vaak somber kleurenpalet (zwart, sepia, donkerblauw). Hij was een eigenzinnige symbolist en meester van de psychologische en existentiële tekenkunst aan het begin van de 20e eeuw. Zijn werk vertoont kenmerken van moderniteit, maar niet noodzakelijkerwijs de essentiële elementen van het expressionisme door zijn gebrek aan emotionele exuberantie.

Eigentijdse kunstcritici, zoals Karel van de Woestijne, interpreteerden zijn stemmingen dan ook als een "literaire realisatie", eerder dan als het werk van een "schoon schilder".

Zijn werk is aldus moeilijk in één stijl onder te brengen en hij blijft een buitenbeentje in de Belgische schilderkunst, wars van invloeden van de vele andere kunststijlen uit zijn tijd. Zijn beste periode ligt vòòr 1914 als excentrieke ziener van een vreemde realiteit.

Levensloop Vroege jaren Zijn vader Leonard-Hubert Spilliaert (1851-1928) baatte een kapperszaak annex parfumerie uit in de Oostendse Kapellestraat en creëerde eigen parfums zoals Brise d'Ostende. Hij was hofleverancier van koning Leopold II. Léons moeder Leonie Jonckheere (1853-1937), streng katholiek opgevoed, hield zich, volgens de normen van de tijd, op de achtergrond. De jonge Léon, de oudste van zeven kinderen, ging naar school in het Onze-Lieve-Vrouwecollege, waar ook James Ensor leerling was geweest, twintig jaar vroeger. Net als Ensor, was hij ook maar een matige leerling.

thumb|links|Silhouet van de schilder, 1907, MSK, Gent

De jonge Spilliaert had van nature een artistieke aanleg. Getuige daarvan zijn zijn schoolschriften die uitvoerig verlucht waren met schetsen. Toen hij 18 jaar was, in 1899, liet hij zich inschrijven aan de Kunstacademie te Brugge als leerling bij Pieter Raoux. Enkele medeleerlingen waren Léon Slabbinck en Cornelis Leegenhoek. Maar dit bleek vlug een ontgoocheling en hij verliet de academie al in januari 1900. Om deze reden beschouwt men Spilliaert veeleer als een autodidact. Hij verwierp de eigentijdse klassieke kunstrichtingen die streefden naar een geïdealiseerde beeldweergave. Hij verkoos spontaan werk uitgaande van zijn eigenzinnig zelfbeeld en zijn introverte, melancholische aanleg.

1900-1908: weinig opgemerkt In 1900 bezocht hij, met zijn vader, de Wereldtentoonstelling te Parijs. Hij ontdekte er een staalkaart van de Europese hedendaagse kunst in de kunstwerken van Jan Toorop, Giovanni Segantini, Ferdinand Hodler, Gustav Klimt, Aubrey Beardsley en Walter Crane. Dit bezoek is waarschijnlijk beslissend geweest in het ontwikkelen van zijn toekomstplannen.

thumb|De roep van de zeemeermin. De verdrinking, 1904

Spilliaert had al in zijn jeugd veel gelezen. Hij bezat in zijn bibliotheek boeken van Edgar Allan Poe, Maurice Maeterlinck en ook de klassieke Latijnse auteurs zoals Ovidius en Vergilius. Hij had een voorkeur voor de symbolisten en bewonderde Friedrich Nietzsche. Hij bezat verscheidene boeken in Franse vertaling van deze schrijver, van wie ideeën met een existentieel en tegendraads karakter een grote invloed hadden op Spilliaert. Hij maakte een aantal portretten van de denker. Het eerste dateert uit 1899 en gaf een beschaafd beeld weer van de filosoof; latere portretten, zoals De denker uit september 1901 (later aangekocht door de uitgeverij Deman), toonden, in een wirwar van gekrulde lijnen, een getormenteerde Nietzsche. Hier toonde Spilliaert reeds zijn diepe, visionaire originaliteit, uitgedrukt met Oost-Indische inkt en zwart krijt in een eigen, vlotte tekenstijl. Zwarte en donkere kleuren zullen zijn werken in zijn eerste jaren tekenen. In latere jaren en tot op het einde van zijn leven las Spilliaert graag in het Journal van de Franse schilder Eugène Delacroix, waarin deze zijn ideeën uitdrukte over schilderkunst, poëzie en muziekBibliothèque numérique de l'INHA - Dagboek en briefwisseling van Eugène Delacroix

Minder gekend is dat Spilliaert in de periode 1900 tot 1910 een aantal teksten en voornamelijk gedichten met een atheïstische strekking heeft geschreven. Maar hij heeft deze teksten later vernietigd.

thumb|links|210px|Zelfportret met blauw schetsboek, (1907), KMSKA

Deze eerste jaren waren zijn beste jaren, maar hij bleef onopgemerkt. Hij produceerde wel zonder verpozen een groot aantal tekeningen maar was niet geïnteresseerd in een tentoonstelling. Hiervoor was hij te introvert. Hij twijfelde voortdurend aan zichzelf en was onderhevig aan wisselende gemoedstoestanden. Hij tekende met zijn doordringende blik zijn eigen wereldje rondom hem in een verfijnde, geïnterpreteerde en uitgepuurde weergave. Zijn marines uit deze tijd zijn eenvoudige, maar toch poëtische composities uitgevoerd met pastel in lichte kleuren.

In de periode 1902–1903 experimenteerde Spilliaert volop met de collage techniek, het gelaagd aanbrengen van materialen om diepte en textuur te creëren, een voorloper van meer moderne technieken. Een voorbeeld hiervan is "Vrouw met witte kap" (1902-1903), waar hij zijn stemmige, monochrome stijl begon te ontwikkelen.

Van september 1902 tot in januari 1904 was hij in dienst bij de toen bekende Brusselse uitgever, boekhandelaar en kunstkenner Edmond Deman, eerst in los verband en vanaf februari 1903 in vaste dienst. Via Deman kwam Spilliaert in contact met het kunstenaarsmilieu van Brussel en maakte kennis met Maeterlinck en de Franstalige dichter en kunstcriticus Emile Verhaeren. Deman was promotor en verzorgde de public relations van een aantal schilders uit zijn tijd. Samen met werken van James Ensor, Georges Lemmen, Fernand Khnopff en Théo van Rysselberghe, werden ook enkele werken van Spilliaert te koop aangeboden in het grafisch kabinet van deze uitgever, maar zonder succes. In tegenstelling tot de tolerante houding van zijn eigen familie, kreeg Spilliaert wel het vertrouwen in zijn talent en later zelfs de vriendschap van Deman. Samen met het verrijkend contact met de vele kunstenaars en schrijvers uit de vriendenkring van Deman, betekende deze episode een beslissende schakel in zijn loopbaan.

thumb|Ecce Homo (Portret van Friedrich Nietzsche), (1901)

In deze periode ontstond er een verhouding met Paulette, de zeventienjarige dochter van zijn werkgever, die evenwel uitliep op een sentimentele ontgoocheling, waardoor hij lange tijd gedeprimeerd raakte. Hij was al neerslachtig en had een hypergevoelige natuur, twijfelde aan zichzelf en bovendien had hij als kunstenaar niet het minste succes. Getuige hiervan is een zelfportret uit ca. 1903 waarop hij toen reeds zichzelf afbeeldt met zwart omrande ogen en holle wangen (Entwistle Gallery, Londen). Hierna poogde hij in Congo-dienst te raken, maar ook dit lukte niet, op grond van zijn wankele gezondheidstoestand: hij leed aan astma en had last van maagstoornissen.

Spilliaert maakte, aangespoord door zijn uitgever, een groot aantal dromerige aquarellen van landschappen en figuren in Oost-Indische inkt voor de drie volumes van het Théâtre van Maeterlinck, luxe-uitgaven gepubliceerd door Deman in 1901-1902. In 1903 verzorgde hij eveneens de illustraties van twee gedichtenbundels van Verhaeren, nl. Pour les Amis du Poète en Petites Légendes. Hij voelde zich nauw verbonden met de symbolistische stemming en beeldspraak van deze auteurs. Trouwens, dergelijke illustratieopdrachten zou hij blijven voortzetten in zijn verder leven, zij het wellicht uit geldnood. Tevens maakte hij een aantal tekeningen en aquarellen die op hun werken waren gebaseerd. Zij kenden echter weinig succes en slechts enkelen werden ook afgedrukt. Zoals met zijn andere werken, was Spilliaert hier ook zijn tijd ver vooruit.

thumb|Pagina uit Petites Légendes door Emile Verhaeren (1903) met illustraties door Léon Spilliaert

Met een aanbevelingsbrief van Deman bij zich, probeerde Spilliaert in januari 1904 zijn geluk in Parijs, op zoek naar een uitgever of drukker van kunstboeken. Hij ontmoette in Saint-Cloud Verhaeren, die hem sterk aanmoedigde en hem introduceerde in het Parijse kunstmilieu. Hij ontwikkelde een hechte vriendschapsband met deze schrijver en dichter. Verhaeren kwam trouwens later regelmatig op bezoek bij Spilliaert in Oostende. Verhaeren was een pionier van het Belgisch literair symbolisme. Vanuit zijn bewondering voor de dichter heeft Spilliaert hem enkele keren geportretteerd. Verhaeren bracht hem in contact met een aantal kunsthandelaars, onder anderen Clovis Sagot, die ook verkoper was voor de werken van Pablo Picasso, en die toch erin slaagde enkele tekeningen van Spilliaert te verkopen. Die samenwerking met Sagot leverde in de volgende jaren regelmatig Parijse kopers op, die zelfs Spilliaert in Oostende kwamen opzoeken. Al vroeg, en zeker vanaf 1913, verkocht Spilliaert meer in Parijs dan in België.

Uiteindelijk was Parijs geen echt succes. In november 1904 verliet hij Parijs en keerde terug naar de ouderlijke woning in Oostende. Tot aan zijn huwelijk in 1916 ging hij elk jaar voor korte tijd terug naar Parijs of naar het zuiden van Frankrijk. Hij maakte in die tijd kennis met Pablo Picasso en Max Jacob.

In 1905 was Spilliaert nog altijd bij het grote publiek een onbekende kunstenaar. Zelfs op de internationale "Salons van Hedendaagse Kunst" in 1905, 1906 en 1907 in zijn thuisstad Oostende was hij niet vertegenwoordigd. Hij was ook geen lid van de lokale kunstkring Cercle Artistique (gesticht in 1908).

thumb|Gewone vrouw (1912)

In 1907 was er een groepstentoonstelling in Oostende, georganiseerd door Le Centre d'Art, met schilderijen van Van Gogh en Odilon Redon. Geïntroduceerd door Verhaeren, kon Spilliaert er ook aan deelnemen. Vooral Redon moet een indruk op Spilliaert hebben gemaakt met zijn droomwereld met talrijke licht-donkereffecten en silhouetten, wat duidelijk tot uiting komt in het neerslachtig karakter van zijn verdere werken.

Hij was een (weinig actief) lid in de eerste bestaansfase van de Brusselse kunstkring Doe Stil Voort.

Tussen 1907 en 1909 tekende hij in een schetsboek het dagelijkse leven rondom hem: familieleden, het interieur van het ouderlijk huis, reukwaterflacons, vissers, strandgezichten, gezichten op de (pas gebouwde) Koninklijke Gaanderijen en zelfportretten. Dit schetsboek bevindt zich in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel.

De jaren 1907 en 1908 waren zijn artistieke wonderjaren. Hij tekende toen talrijke stillevens van het interieur van zijn achterkamertje in de ouderlijke woning, maar ook veel marines en dijkgezichten.