Het Ford World Rally Team vertegenwoordigt de sportieve resultaten van de Europese afdeling van het oorspronkelijk Amerikaanse automerk Ford in het Wereldkampioenschap Rally. De auto's werden tot aan 1996 gebouwd en geprepareerd in het Britse Boreham, maar dit veranderde toen Ford de operatie in handen gaf van het bedrijf M-Sport van Malcolm Wilson in Cumbria, die het merk sinds 1997 representeert.

Ford is sinds de incarnatie van het WK Rally in 1973 actief in dit kampioenschap en het heeft in bijna veertig jaar tijd tot op heden 81 overwinningen behaald, werden drie keer wereldkampioen bij de constructeurs (in 1979 in hun oorspronkelijke staat en in 2006 en 2007 onder de vlag van M-Sport) en konden twee keer ook een wereldtitel voor een van hun rijders vieren (in 1979 met Björn Waldegård en 1981 met Ari Vatanen, al deed hij dit niet als fabrieksrijder). Deze statistieken maakt Ford een van de meest succesvolle maar ook loyale constructeurs uit het WK Rally. In 2012 is het actief met de Ford Fiesta RS WRC, met Jari-Matti Latvala en Petter Solberg als hun rijders.

Buiten het WK om heeft Ford door de jaren heen ook successen behaald in onder meer het Europees Kampioenschap Rally en veelal nationale kampioenschappen en internationale rally's.

Geschiedenis Vroege resultaten Ford heeft een rijke geschiedenis opgebouwd in de rallysport. Het eerste grote succes kwam met het winnen van de Rally van Monte Carlo in 1936 met de Roemeen Johann Zamfirescu achter het stuur van een Ford V8. De Nederlanders Gerard Bakker Schut en Maus Gatsonides zouden in Monte Carlo ook winnen voor Ford, in 1938 en 1953 respectievelijk (Gatsonides inmiddels met een Ford Zephyr). Met deze modellen werden verschillende internationale successen behaald, maar Ford, onder leiding van Stuart Turner, pakte het vanaf de jaren zestig professioneler aan toen het hun auto's vanuit een centraal punt ging bouwen en prepareren, in Boreham, Groot-Brittannië. Het eerste product dat daar uit stal kwam was de Ford Lotus Cortina (de motor werd door Lotus geprepareerd) en Ford Cortina GT. Deze auto's behaalden eveneens dergelijke successen voor het merk bij elkaar, onder meer ook in verschillende marathon evenementen. In 1966 werd deze auto gehomologeerd in Groep 1. Naast succesvolle resultaten door rijders als Roger Clark en Vic Elford, kwamen de grootste overwinningen op naam van Bengt Söderström, die in 1966 de Rally van Groot-Brittannië (RAC Rally) won en in 1967 de Rally van Zweden.

200px|links|thumb|De Escort RS1600 waarmee Roger Clark de RAC Rally won in 1972 Eind jaren zestig werd de compactere en lichtere Ford Escort (Mark I) geïntroduceerd, waarvan de competitieve versie bekend werd als de Ford Escort Twin Cam (TC), die bewees sterker en beter handelbaar te zijn dan zijn voorganger. In 1969 werd deze omgedoopt als de Escort RS1600, die vanaf dat moment ook beschikte over een Cosworth BDA (staand voor 'Belt Drive, A type') motor. Natuurlijkerwijs wist de auto weer grote overwinningen binnen te halen. Zo won Hannu Mikkola de Rally van Finland drie keer op een rij in 1968, 1969 en 1970, en schreef in het laatstgenoemde jaar ook de London to Mexico World Cup Rally (met de zogenaamde Escort 1850GT) op zijn naam en de Safari Rally in 1972. Roger Clark won er de Rally van Griekenland mee in 1969 en in 1972 de RAC Rally.

Naast de Escort, ontwikkelde Ford in 1970 ook een auto die puur bedoeld was voor de rallysport, genaamd de GT70 (geklasseerd als GT auto). Dit terwijl de Lancia Stratos wordt gezien als de pionier hierin, die echter pas vier jaar later zou verschijnen. Het GT70 project zag echter geen doorgang, omdat deze weinig tot geen marktwaarde had en de Escort al zijn potentie had bewezen.

Wereldkampioenschap Rally 1973-1979 thumb|Ari Vatanen actief voor Ford tijdens de Rally van Finland in 1978 De overkoepelende organisatie FIA introduceerde in 1973 het Wereldkampioenschap Rally, waarvan in het eerste jaar dertien ronden deel uitmaakte. De meeste constructeurs concentreerden zich in de beginjaren van het WK nog op individuele rally's, zo ook Ford, waardoor de fabrieks-Escort RS1600's maar in geselecteerde evenementen te zien waren. De eerste WK-overwinning kwam op naam van Timo Mäkinen, die dat jaar in Finland won en later in het seizoen ook in Groot-Brittannië. In 1974 was Timo Mäkinen wederom succesvol tijdens de 1974 editie van de RAC Rally, terwijl Mikkola dat jaar voor Ford zou winnen in Finland. In de tweede helft van het seizoen 1975 introduceerde Ford de Escort RS1800 (Mark II), die in de handen van Mäkinen tegen het einde van het jaar gelijk won in Groot-Brittannië (officieel als privé-inschrijving). In de tweede helft van de jaren zeventig werden er meerdere WK-rally's gewonnen (de RAC Rally werd tot aan 1979 enkel gewonnen door Escorts), grotendeels door Mikkola en Björn Waldegård, en het team streed inmiddels ook serieus mee om de titel bij de constructeurs. Het meest succesvolle seizoen van de Escort RS1800 werd uiteindelijk 1979, toen Ford met vijf overwinningen beslag wist te leggen op de constructeurstitel, terwijl ook Waldegård wereldkampioen werd bij de rijders.

1980-1986 Ford trok zich na afloop van het seizoen 1979 terug als officieel fabrieksteam, om zich vervolgens te bezigen met de ontwikkeling van een nieuwe rallyauto, die minder conventioneel moest zijn dan zijn voorgangers. Desondanks bleef het merk gerepresenteerd in het WK Rally door preperateur David Sutton en zijn team. Met sponsoring van Rothmans International reed het nog steeds een groot programma in het WK met de Escort RS1800. Hun kopman Ari Vatanen won in 1980 in Griekenland, maar zou dit overtreffen met het behalen van de wereldtitel in het seizoen 1981, waarin hij ook drie keer won. Tot op heden is Vatanen hiermee de enige die als privé-rijder een WK-titel heeft weten te winnen.

175px|links|thumb|Peter Ashcroft was teammanager van het Ford team vanaf 1972 tot en met 1991 Het programma werd niet voortgezet in 1982, waardoor de aandacht nu volledig op de ontwikkeling van de nieuwe rallyauto lag, die bekend werd als de Escort RS1700T (gebaseerd op de Mark III Escort). De auto maakte nog steeds gebruik van achterwielaandrijving, en dat bleek met de bewezen successen van de Audi quattro op dat moment een overbodig systeem. De twijfels die het project met zich mee bracht, deed Ford de moeilijke beslissing maken het stop te zetten en weer van voren af aan te beginnen, ondanks dat er al uitvoerig was getest met de auto. Hierdoor werd de terugkeer van Ford ook voor een paar jaar uitgesteld. In 1984 kwamen de eerste schetsen van de opvolger naar buiten, de Ford RS200, bedoeld voor de twee jaar eerder geïntroduceerde Groep B klasse. De auto, nu met vierwielaandrijving, had een gewaagd maar innovatief ontwerp, dat weinig tot niets weg had van een normale productie auto (enkel het voorraamwerk werd rechtstreeks nagemaakt van de bestaande Ford Sierra). De auto maakte zijn competitieve debuut in 1985, maar werd een jaar later pas gehomologeerd en maakte zijn WK-debuut in Zweden in het seizoen 1986. Terwijl kopman Stig Blomqvist uitviel, eindigde teamgenoot Kalle Grundel de rally als derde. In de volgende ronde in Portugal verongelukte een Ford-gastrijder, Joaquim Santos. Hij kwam met zijn auto in het massaal toegestroomde publiek terecht, waarbij vier mensen het leven lieten en er tientallen gewonden vielen. Ford trok zich gelijk terug uit het evenement, zo ook alle andere fabrieksteams. De Groep B klasse wankelde op dat moment en kreeg uiteindelijk zijn genadeslag later in het seizoen in Corsica, waar Lancia-rijder Henri Toivonen en navigator Sergio Cresto dodelijk verongelukten. Groep B kreeg een competitieverbod opgelegd ingaand vanaf het seizoen 1987, en het RS200-project kwam daarom ongelukkig tot een vroegtijdig einde, zeker gezien de potentie die het in een zijn geringe optredens wist te tonen.

1987-1996 Het kampioenschap werd vanaf 1987 gecontinueerd met Groep A als de vervangende klasse, waarin de auto's weer meer gelijkenis vertoonden met het productiemodel, maar daardoor ook in technisch opzicht minder ontwikkeld waren. Ford bracht het Sierra-model naar voren als vervanger, en beschikte over de optie om de vierwielaangedreven Sierra XR 4×4 in te zetten of de achterwielaangedreven, maar ook krachtigere, Sierra RS Cosworth, gelegen aan waar of op welke ondergrond de auto het best tot zijn recht kwam. Uiteindelijk werd de Cosworth versie permanent ingezet door het team en deze won in Corsica in het seizoen 1988 met Didier Auriol achter het stuur. In 1990 stapte Ford over naar de vierwielaangedreven versie van de Sierra RS Cosworth, waarmee het vervolgens nog drie seizoenen actief bleef in het WK Rally. Ondanks meerdere podium resultaten bleef een overwinning uit, maar kon het zich wel weer mengen in de strijd om de constructeurstitel.

thumb|De Escort RS Cosworth representeerde Fords sportieve resultaten tussen 1993 en 1996 In 1990 kondigde Ford echter al aan dat ze wederom bezig waren met een auto die puur ontwikkeld werd om succesvol te zijn in de rallysport. Deze werd wederom gebaseerd op het Escort-model (inmiddels Mark V) en werd bekend als de Escort RS Cosworth. De auto won datzelfde jaar gelijk in zijn debuut in een Spaans nationale rally en zou in de komende twee jaar in ontwikkeling blijven, terwijl het team in het WK nog steeds actief was met de Sierra. De auto maakte uiteindelijk zijn langverwachte WK-debuut in Monte Carlo in het seizoen 1993, nadat het eerder die maand zonder problemen de homologatie had doorstaan. Met rijders François Delecour en Miki Biasion behaalde het team bijna een top twee resultaat, waar het niet dat Toyota-rijder Auriol hun op het laatste moment voorbleef en won. Delecour won uiteindelijk in Portugal, Corsica en Catalonië en zou als runner-up eindigen in het kampioenschap, terwijl Biasion won in Griekenland. Ook Ford eindigde als tweede bij de constructeurs en was hierin niet ver verwijderd van kampioenen Toyota. Het seizoen 1994 begon succesvol toen Delecour alsnog won in Monte Carlo. Maar titelkandidaat Delecour raakte buiten de rallypaden gewond bij een auto-ongeluk en was voor een tijd uitgeschakeld, wat een groot effect leek te hebben op het programma met de Escort RS Cosworth. Biasion wist het team niet op sleeptouw te nemen en ook Delecours vervangers wisten niet te winnen, op Tommi Mäkinen na, die tijdens een eenmalig optreden voor het team in Finland overtuigend won, maar tot Fords spijt vervolgens bij Mitsubishi tekende. Mede door financiële problemen en schermutselingen bij de leidinggevenden werd uiteindelijk aangekondigd dat het na afloop van het seizoen hun activiteiten in Boreham zou stoppen en het programma over te laten aan een extern bedrijf. Uiteindelijk werd het Belgische R.A.S. Sport (dat vanaf 1991 reeds in België en in Europese rally's actief was als preparateur van het succesvolle Ford-Bastos rallyteam met rijders Patrick Snijers en Danny Colebunders) aangetrokken als nieuwe preparateur, maar ontstond er alsnog een compromis om enkele auto's toch in Boreham te blijven prepareren. Ondanks een aantal podium resultaten bleek het seizoen 1995 niet succesvol en eindigde de werkrelatie tussen Ford en R.A.S. Sport ook na afloop van het seizoen.