Bab al-Hara (باب الحارة; "De poort van het dorp") is een van de populairste televisieseries in de Arabische wereld. De serie werd tijdens de maand ramadan door miljoenen mensen wereldwijd bekeken. De serie laat de dagelijkse gebeurtenissen zien in een buurt in de Syrische hoofdstad Damascus tijdens de Franse kolonisatie in de periode van het interbellum.

Overzicht Bab al-Hara werd in 2006 voor het eerst uitgezonden tijdens de vastenmaand ramadan. De afleveringen werden één keer per avond uitgezonden door verschillende Arabische satellietzenders om de aandacht van de mensen te trekken die samen zijn gekomen om te eten. Later heeft MBC de hele serie gekocht en de rechten gekregen om de serie uit te zenden.

Geregisseerd door Bassam al-Mulla en uitgezonden door MBC werd het eerste seizoen van de serie, bestaande uit 31 afleveringen, bekeken door een groot publiek en kreeg een positieve ontvangst. Het tweede seizoen werd in 2007 door nog meer mensen bekeken. Het derde seizoen werd uitgezonden in 2008 en concentreerde zich op het huwelijksleven van de kinderen van Abu Issam (de plaatselijke dokter en kapper). Het vierde seizoen werd uitgezonden in september 2009. Het vijfde en laatste seizoen ging over de invasie van de Fransen in het dorp.

Net als veel van de recentere populaire Arabische series is Bab al-Hara een Syrische productie, gefinancierd door de satellietkanalen uit de Golfstaten.

Historische context Bab al-Hara speelt zich af in de jaren dertig, een tijd waarin het Midden-Oosten werd gekoloniseerd door het Westen. Syrië staat onder Franse controle en Palestina - waar mannen van het dorp aan het eind van het tweede seizoen van de serie gaan vechten - is in Brits bezit. Bab al-Hara toont de laatste momenten van de Syrische samenleving zoals die bestond in het eeuwenoude Ottomaanse tijdperk, net voor de overgang naar koloniale en post-koloniale moderniteit. Dat veel mensen dit tijdperk nog hebben meegemaakt verklaart de enorme populariteit, een uitdrukkelijke nostalgie van de Arabische wereld en het verlangen naar een eenvoudiger en waardiger tijd.

Verhaal

Seizoen 1 Het verhaal speelt zich af in de Damasceense wijk Harat El-Dob'e ('Wijk van de Hyena') in de jaren dertig. De arme Ida'shari ('hij met 11 tenen') is het zat om in armoede te leven. Wanneer hij op straat loopt hoort hij de rijke textielhandelaar Abou Ibrahim praten over het geld dat hij in zijn huis bewaart. Ida'shari besluit om midden in de nacht in te breken in het huis van Abou Ibrahim en dit geld, 50 gouden munten, te stelen. Tijdens het stelen wordt hij gezien door de zoon van Abou Ibrahim, Ibrahim, die hij vervolgens vastbindt aan de grond waarna hij ontsnapt. Ibrahim kont niet zien wie de dief was omdat Ida'shari gezichtsbedekking droeg. Ondertussen hoort Abou Sam'ou, de bewaker van de wijk, veel herrie en besluit hij te kijken wat er aan de hand is. Dan komt hij Ida'shari tegen. Ida'shari vermoordt vervolgens Abou Sam'ou en begraaft hem samen met de gouden munten in een hal van zijn huis naast het graf van zijn overgrootvader. Hij wordt hierbij gezien door zijn vrouw Nazmiyeh. Ida'shari ziet dit en zegt tegen Nazmiyeh dat hij haar zal vermoorden als ze ook maar iets doorvertelt. Nazmiyeh schrikt erg van wat ze heeft gezien en krijgt een zenuwinzinking.

De volgende dag is er veel commotie in de wijk omdat bekend wordt dat Abou Ibrahim is beroofd. Meteen wordt Ida'shari verdacht, omdat hij een crimineel verleden heeft en omdat zijn schoen na de inbraak in het huis van Abou Ibrahim is gevonden. Men wist dat deze schoen van Ida'shari was omdat hij gemaakt was voor een voet met zes tenen, en niemand in de wijk had zo'n schoen nodig behalve Ida'shari. Ida'shari ontkent alles en zegt dat de "werkelijke dief" een schoen van Ida'shari heeft gestolen en in het huis van Abou Ibrahim heeft gegooid zodat hij de schuld zou krijgen. Ten einde raad besluiten het dorpshoofd Abou Saleh en de sjeik Abdel Alim dat Ida'shari met zijn hand op de Koran moet zweren dat hij de gouden munten van Abou Ibrahim niet heeft gestolen. Ida'shari doet dit en de meeste dorpelingen geloven hem hierna, maar Abou Ibrahim en Abou Sjhab, de rechterhand van het dorpshoofd, blijven Ida'shari wantrouwen. Omdat Abou Ibrahim de gouden munten echt nodig heeft om niet failliet te gaan en zijn status op de textielmarkt te behouden, besluit hij een aanklacht in te dienen bij officier Abou Djaoudat. Deze laat Ida'shari gevangennemen en martelen om een bekentenis uit hem te krijgen. Ida'shari weigert echter te bekennen en zegt dat Abou Sam'ou de munten heeft gestolen en ermee vandoor is gegaan.

Ondertussen leeft het dorp nog steeds in grote verwarring: waar is Abou Sam'ou heen ? De leiders van het dorp besluiten zijn familie financieel te steunen en zijn zoon Sam'ou mag werken in een bakkerij, maar hij veroorzaakt veel problemen. Uiteindelijk besluit Sam'ou om het Franse leger in te gaan. Abou Ibrahim krijgt te maken met problemen op de markt, omdat hij de stof die hij had besteld niet kan afbetalen. Uiteindelijk trekt Abou Ibrahim op verzoek van Abou Saleh zijn aanklacht terug en keert Ida'shari terug naar de wijk. Het dorpshoofd en Abou Sjhab vertrouwen hem nog steeds niet en besluiten iemand op hem af te sturen die hem in de gaten moet houden. Als Ida'shari hierachter komt wordt hij woedend en besluit hij, mede op verzoek van Nazmiyeh, de wijk te verlaten en te gaan wonen in een naburige wijk waar Abou Nar, aartsrivaal van de dorpelingen in Harat El-Dob'e, woont. De gouden munten laat hij achter in zijn oude huis. Abou Nar heeft een zieke tante die in Harat El-Dob'e woont. Hij bezoekt haar zeer regelmatig en krijgt het gevoel dat hij niet heel welkom is in de wijk van zijn tante. Uiteindelijk overlijdt zijn tante en erft hij haar huis. Abou Nar komt regelmatig met Ida'shari, met wie hij bevriend is geworden, en andere vrienden in dit huis waar zij dronken worden en veel overlast veroorzaken. Later verhuurt Abou Nar zijn huis aan ex-gevangene Abou Satour, die van het huis een slachthuis maakt en zo veel stank- en geluidsoverlast voor de omgeving veroorzaakt. Ondertussen overlijdt Nazmiyeh aan een longziekte en trouwt de dochter van Ida'shari, Shafi'a, met Abou Dra', een helper van Abou Nar.

Op een gegeven moment krijgen Abou Saleh en zijn helpers (Abou Sjhab, sjeik Abdel Alim en dokter Abou Issam) een verzoek van rebellen in El-Ghouta (een groot bosgebied in de omgeving van Damascus) om, samen met de andere wijken van Damascus, geld in te zamelen om wapens te kopen voor de opstandelingen in Palestina, dat onder Brits bewind staat. Abou Saleh gaat meteen akkoord, maar zijn hulp voor de rebellen moet wel geheim blijven voor de Fransen, die het in die tijd voor het zeggen hadden in Syrië. Regelmatig bezoekt Abou Sjhab El-Ghouta om de rebellen geld en wapens te leveren. Hij ontmoet hier onder andere de opstandeling Zeyba'. Ondertussen wordt op een van de nachten Steif, een blinde jongen die zegt verdwaald te zijn en op zoek te zijn naar zijn moeder, voor de poort van de wijk gevonden. De bewoners van de wijk proberen uit te vinden waar hij vandaan komt, maar zonder succes. Hij mag in de wijk blijven en overnachten in een kamertje van de moskee. Veel dorpelingen denken dat hij een gezegende jongen is die geluk brengt.

Ondertussen krijgt ook de familie van Abou Khatir, een rijke koperhandelaar, te maken met problemen: ze maken zich zorgen over het feit dat niemand met hun dove dochter Zahra wil trouwen. Abou Khatir bedenkt een oplossing: hij biedt Riyad, een werknemer in zijn winkel, aan om met Zahra te trouwen, deze krijgt hiervoor een huis en een kwart van de winkel tot zijn bezit. Riyad accepteert dit, maar krijgt vervolgens te maken met Khatir, de jaloerse zoon van Abou Khatir die zegt dat Riyad alleen met Zahra trouwt omdat hij op het geld uit is. Ook de moeder van Zahra vindt Riyad niet geschikt voor haar dochter omdat hij uit een arme familie komt. Riyad kan de pesterijen van Khatir niet meer aan en besluit het huis en zijn aandeel in de winkel van Abou Khatir terug te geven, maar scheidt niet van Zahra om te bewijzen dat hij niet op het geld uit is. Ze gaan samen wonen in het kleine, armoedige huis van Riyad.

Ook bij de vrouwen van Harat El-Dob'e heerst er veel spanning. Abou Issam heeft lang geleden met Abou Saleh afgesproken dat Issam (zoon van Abou Issam) en Lotfiyeh (achternicht van Abou Saleh) met elkaar zouden trouwen, maar Souad (vrouw van Abou Issam) en Feryal (nicht van Abou Saleh en moeder van Lotfiyeh) hebben een bloedhekel aan elkaar, vooral omdat Feryal zeer koppig is. Uiteindelijk vindt het huwelijk plaats, maar de ruzies en de problemen tussen Souad en Feryal blijven bestaan. Feryal probeert Lotfiyeh daarom op te stoken tegen haar schoonmoeder. Abou Issam en Abou Saleh moeten niets hebben van deze vrouwenproblemen.

Ida'shari probeert ondertussen te denken aan een manier om als held terug te keren naar Harat El-Dob'e, zodat hij zonder problemen de gouden munten kan opgraven. Hij probeert ruzie op te stoken tussen de dorpelingen aan de ene kant en Abou Satour en Abou Nar aan de andere kant. Wanneer er uiteindelijk een gevecht ontstaat, kiest hij de kant van de dorpelingen. Abou Satour en Abou Nar worden verslagen en vernederd en Abou Nar wordt toegang tot de wijk verboden. Ida'shari wordt als held onthaald en krijgt veel respect en de dorpelingen staan erop dat hij terugkeert naar Harat El-Dob'e. Ida'shari wacht steeds op het goede moment om de gouden munten op te graven, maar steeds is er een reden waardoor dit niet kan. Uiteindelijk wordt de hal waarin de gouden munten liggen begraven afgesloten omdat Ida'shari niet kan bewijzen dat deze hal tot zijn bezit behoort. Ondertussen lijdt Ida'shari van veel nachtmerries en een ongerust geweten.

Later wordt Ma'rouf, de zoon van Ida'shari, gebeten door een slang, waardoor hij overlijdt. Dit komt als een grote schok aan voor Ida'shari, die zichzelf de dood van Ma'rouf en Nazmiyeh verwijt. Hij wordt erg depressief en lijdt aan hallucinaties. De dorpelingen zien dit en proberen hem steeds te troosten, maar zonder succes. Uiteindelijk biedt Abou Sjhab Ida'shari aan om voor hem te werken als bewaker van zijn graanschuur. Ida'shari gaat akkoord. Ondertussen maken Abou Nar en Abou Satour plannen om wraak te nemen op Ida'shari en Abou Sjhab. Abou Satour besluit de graanschuur van Abou Sjhab in brand te steken. Net op tijd wordt hij gezien door Ida'shari, die hem tegenhoudt en vastbindt. Abou Sjhab is hem zeer dankbaar hiervoor en biedt hem een gouden munt. Later stuurt Abou Nar Abou Hakam, een huurmoordenaar, af op Ida'shari. Ida'shari overleeft de aanval van Abou Hakam maar raakt wel gewond in zijn rechterarm. Later krijgt hij koudvuur, waarop zijn arm door Abou Issam moet worden afgehakt.