thumb|Detail: de blote benen en hand van Icarus, de visser en de toekijkende patrijs thumb|Oorlogsschip met val van Icarus, ca. 1561-1562 (gravure naar een tekening van Bruegel) thumb|Landschap met val van Icarus (Joos de Momper (II), ca. 1585-1590)

De val van Icarus of Landschap met de val van Icarus is een schilderij van Pieter Bruegel de Oude dat is overgeleverd in twee laat-16e-eeuwse kopieën van anonieme meesters, bewaard te Brussel. Het origineel moet gemaakt zijn rond 1565, toen Bruegel als eerste monumentale werken over het dagelijks leven ging vervaardigen. De boodschap van het moraliserende werk is niet meer eenduidig te achterhalen. Vaak gehoorde thema's zijn overmoed en zelfbedrog, menselijke onverschilligheid, en nuchterheid boven fantasievol streven. Recent verscheen echter ook een nieuwe, politieke interpretatie: het schilderij zou een geraffineerde satire zijn op het gedwongen ontslag van kardinaal Granvelle uit het bestuur der Nederlanden in maart 1564.

Voorstelling en verschillen tussen de twee versies Het schilderij heeft de mythologie als inspiratiebron, een unicum bij Bruegel. Van Icarus, die samen met zijn vader Daedalus op wassen vleugels de vrijheid tegemoet vloog maar te dicht bij de zon kwam en in de golven van de Egeïsche Zee stortte, zijn enkel nog twee spartelende benen te zien. Het wordt als een detail in de compositie behandeld. De nadruk wordt gelegd op de landbouwer op de voorgrond en in mindere mate op de herder en de visser, die geen acht slaan op het drama dat zich in hun nabijheid afspeelt. Deze figuren zijn vermeld door Ovidius in het verhaal uit zijn Metamorfosen dat de bron vormde voor het schilderij (boek VIII, 183-235). De volgende passages zijn ontleend aan de vertaling van Marietje d'Hane-Scheltema:

Een man die zat te vissen met een dunne rieten hengel, een herder leunend op zijn staf, een boer tegen zijn ploeg zagen hen gaan, verbijsterd, denkend dat het goden waren

[...] Vleugelloze armen sloeg hij in 't rond, maar bij gebrek aan wieken ving hij nergens wind, totdat zijn mond, hulp roepend naar zijn vader, werd omsloten door 't hemelsblauwe zeevlak dat zijn naam aan hem ontleent.

Ook de patrijs op een dode tak bij de visser is te vinden bij Ovidius. Het verhaal van Perdix volgt in de Metamorfosen onmiddellijk op dat van Icarus. Perdix was een begaafde neef die door Daedalus uit jaloezie van de burcht was gegooid, maar die overleefde dankzij een interventie van Athena. Ze veranderde hem in een vogel, die zich weliswaar niet hoog verheft maar fladdert langs de grond in herinnering aan zijn oude val. Als patrijs kwam Perdix Daedalus uitlachen toen die Icarus begroef.

Het schip is een toevoeging van Bruegel. De zeelui, die druk doende zijn, benadrukken nogmaals het onopgemerkte drama. De ruïne op het rotseiland lijkt het Paleis van Minos voor te stellen, waaruit Daedalus en Icarus waren ontsnapt. In de voorgrond ligt een zak tegen een rots, wellicht met zaaigoed. Men heeft er een verwijzing in gezien naar de Gelijkenis van de zaaier, waarmee Bruegel de onvruchtbare ambitie van Icarus vergelijkt.

Tussen de twee overgeleverde versies in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (KMSKB) en in het Museum Van Buuren bestaan enkele opmerkelijke verschillen. Daedalus is op het KMSKB-schilderij volledig afwezig, terwijl hij in de Van Buuren-versie vanuit de lucht de val volgt. Hoewel het niet-weergeven van Daedalus vaak als een uiting van poëtisch genie is aangevoeld, is het nog maar de vraag of hij ook op het origineel ontbrak. Drie mogelijkheden zijn gesuggereerd: dat de versie van de KMSKB een imperfecte kopie is van het origineel; dat Daedalus ook op die versie voorkwam maar in een later stadium met het bovenste stuk is afgesneden; of, misschien meest intrigerend, dat Daedalus in de Van Buuren-versie is toegevoegd om Bruegels plot te expliciteren.Joseph Leo Koerner, Bosch and Bruegel. From Enemy Painting to Everyday Life, 2016, p. 280 Zo zou hij een verklaring bieden voor de hemelwaartse blik van de herder, die anders gewoon staat te dromen.

Het tweede inhoudelijke verschil is de positie van de zon. De lage zon in de KMSKB-versie strookt niet met het verhaal van Icarus, tenzij in de lyrische interpretatie dat de natuur deelneemt aan het drama. Daartegen spreekt echter dat ze zwaar overgeschilderd is en niet op de ondertekening voorkomt. In de Van Buuren-versie staat de zon een stuk hoger.

Een derde verschil is het gevolg van een onoordeelkundige restauratie. De moeilijk te duiden vlek in de struiken boven het paard werd sinds Charles de Tolnay beschouwd als het hoofd van een lijk, wat in verband werd gebracht met het spreekwoord dat ploegen niet stoppen voor stervende mannen. Op het Van Buuren-schilderij is het tafereel in die zin gerestaureerd, maar sindsdien is dankzij de beide ondertekeningen aan het licht gekomen dat de lichte vlek in werkelijkheid een bloot achterste voorstelt dat zijn behoefte doet. Ook De ekster op de galg bevat trouwens zo'n schijtend figuurtje.

Politieke interpretatie In zijn boek De Bruegel Code. Pieter Bruegel de Oude, politiek commentator en pacifist (2025) plaatst Leo Spaepen het werk in een reeks van een vijftiental allegorische schilderijen, waarin Bruegel het religieus-politieke conflict van de jaren 1560 op de voet volgde en kritisch becommentarieerde. Dat deed hij door actuele gebeurtenissen of toestanden te vermengen met bekende verhalen, vaak uit de Bijbel. Ook De val van Icarus past in die reeks van 'simultaanschilderijen' met een dubbelzinnige betekenis. Onder het oppervlakteverhaal, de Icarusmythe, zou immers het verborgen verhaal schuilgaan van de val van kardinaal en eerste minister Perrenot de Granvelle. Die had zich gehaat gemaakt bij de bevolking, omdat hij de plakkaten van Filips II tegen de ketterij rigoureus wilde toepassen. Leden van de hoge adel, die deel uitmaakten van de regering (de Raad van State), ergerden zich dan weer aan zijn hoogmoedig en eigengereid optreden, o.a. inzake benoemingen. Vooral Willem van Oranje, eerste in rang bij de adel, voelde zich gepasseerd. Hij schreef samen met de graven van Egmont en Horne twee protestbrieven naar de koning (11 maart en 29 juli 1563), waarin ze het ontslag van Granvelle vroegen. Ze weigerden zelfs nog naar de Raad van State te komen zolang Granvelle daar ook zat. Landvoogdes Margaretha van Parma kon daardoor eigenlijk niet behoorlijk meer regeren en adviseerde haar halfbroer Filips II om toe te geven en de kardinaal terug te roepen, wat de koning na lang treuzelen ook deed. Granvelle verliet Brussel op 13 maart 1564, zogenaamd om zijn zieke moeder in Frankrijk te gaan bezoeken. Zijn vertrek leidde tot een vreugde-uitbarsting bij de bevolking.

Met anachronismen in het schilderij, zoals de Brabantse ploeg en het zestiende-eeuwse karveel, maakt Bruegel ons duidelijk dat het tafereel uit de antieke mythologie eigenlijk een gelijkende, contemporaine betekenis verbergt. Net zoals Icarus kwam Granvelle ten val als gevolg van zijn hoogmoed. Hij wilde te dicht bij de zon zijn, hij wilde de baas zijn. De patrijs, die het volk symboliseert, is blij met zijn val en lacht hem uit. De te chique kledij van de boer, plus zijn dolk en zijn beurs, verwijzen naar status, macht en rijkdom, met andere woorden naar de adel. Hij staat voor Willem van Oranje, die zijn werk zonder omkijken voortzet. De herder en de visser, zijn minderen in rang, staan dan voor de graven van Egmont en Horne. Ook zij doen alsof ze de drenkeling niet zien. Herder Egmont kijkt ostentatief naar de lucht, maar niet naar Daedalus, die later wellicht is toegevoegd door een kopiist die het schilderij niet begreep. Ook visser Horne steekt duidelijk geen poot uit naar de spartelende man. Met hun drieën liggen deze edelen nochtans aan de basis van de val van de kardinaal, maar ze doen nu alsof ze er niets mee te maken hebben. Kortom, volgens deze nieuwe interpretatie maakte Bruegel over die historische gebeurtenis van maart 1564 een prachtige politieke cartoon.

Technische beschrijving Het schilderij in de KMSKB Het werk heeft doorheen de eeuwen veel geleden. Het originele doek is op verschillende plaatsen gescheurd en vertoont lacunes. Twee keer is een nieuw doek tegen de achterzijde geplakt ter versterking. Bij deze rentoilages zijn de niet-beschilderde delen van het originele linnen afgesneden, en aan de bovenkant mogelijk zelfs iets meer (daar zijn geen kleine vervormingen te zien waar nagels oorspronkelijk het doek opspanden). De lang verdedigde hypothese dat het werk aanvankelijk op paneel was geschilderd en een ingrijpende transfer naar doek had ondergaan, is onjuist gebleken. De verflaag is sterk aangetast, zodat op sommige plekken het doek zichtbaar is. Andere plekken, zoals de weerspiegeling van de zon, zijn dan weer zware overschilderingen. De tonaliteit wordt sterk beïnvloed door een dikke laag vergeeld vernis. De groene zee, die zozeer deel uitmaakt van de KMSKB-versie, was eigenlijk een stuk blauwer.

Het schilderij in het Museum Van Buuren Het werk in het Museum Van Buuren is geschilderd op een eikenhouten paneel, heeft een kleiner formaat en is wellicht aan de linker- en rechterkant een beetje ingekort. Dendrochronologisch onderzoek plaatst de fabricage van het paneel na 1577. Ook van dit schilderij is de verflaag op vele plekken versleten en beschadigd. Restaurateurs hebben onder meer de Daedalusfiguur sterk overgeschilderd.

Stijl De schilderwijze is aan die van de Vlaamse Primitieven verwant, maar introduceert wel een nieuwe stijl waarin de precieze weergave, het subtiele glaceren en het verfijnde modelé verwaarloosd worden ten gunste van een levendige schriftuur. Met vereenvoudigde technische middelen is een directer effect van de picturale materie zelf verkregen. De lichtwerking in het schilderij is gecreëerd door de witte grondlaag gedeeltelijk zichtbaar te laten, en de indruk van materie en volume is bereikt door het schakeren van een tint, zonder enige andere kunstgreep. De stijl is te vergelijken met die van de barok.

Op puur stilistische gronden kon Hulin de Loo in 1912 al vaststellen dat het KMSKB-schilderij niet van de hand van Bruegel was. De penseelvoering ontbeert finesse, in het bijzonder op de specialisatiedomeinen van de Brabander, zoals de rotsformaties en het stadsgezicht.

Herkomst en auteurschap Op aanraden van Georges Hulin de Loo verwierven de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België het schilderij in 1912 op een Londense veiling. Hulin de Loo beschouwde het ongesigneerde en ongedateerde werk, waarover geen enkele documentatie bestond, als een waardevolle kopie naar Bruegel. Volgens Max Jakob Friedländer ging het echter om een autograaf en zelfs om het laatste woord van de meester. Conservator Leo Van Puyvelde en andere kunsthistorici volgden deze these, maar konden de twijfel rond het auteurschap nooit wegnemen. Ondertussen was in 1935 bij de Parijse verzamelaar Jacques Herbrand een tweede, kleinere versie opgedoken die enkele compositorische verschillen vertoonde. Dit schilderij, later aangekocht door David van Buuren, werd lager ingeschat dan de dichterlijke versie van de KMSKB, al ging het volgens sommigen om een repliek door de meester zelf. Het debat over het auteurschap woedde verder tot het begin van de 21e eeuw en werd pas na grondige technische analyse beslecht. Beide werken blijken oude kopieën te zijn naar een ontwerp dat met een grote mate van zekerheid aan Bruegel wordt toegeschreven. Naar alle waarschijnlijkheid was het een schilderij, maar ook een eenvoudige modello of een karton met kleurannotaties behoren tot de mogelijkheden. Een inventaris van de keizerlijke collectie in de Praagse burcht uit 1621 lijkt potentieel een archivalisch spoor naar het origineel op te leveren ("Eine Historia vom Dedalo und Icaro vom alten Prügl").

Receptie