thumb|De Himalaya op een satellietfoto. thumb|De locatie van de Himalaya De Himalaya, ook wel Himalayagebergte of Himalaya's genoemd (Hindi/Nepali: हिमालय, Himālaya; Tibetaans: ཧི་མ་ལ་ཡ; Urdu: سلسلہ کوہ ہمالیہ, Salsal-kwe-Himalay; Chinees: 喜马拉雅山脉, pinyin: Xǐmǎlāyǎ Shānmài), is een hooggebergte in het midden van Azië. De Himalaya vormt de scheiding tussen de hoogvlakten van het Tibetaans Plateau in het noorden en de riviervlaktes van het Indisch Subcontinent in het zuiden.

In ruime zin worden aangrenzende gebergtes als de Karakoram, Hindoekoesj, Pamir en Kunlun tot de "Grotere Himalaya" gerekend. Al deze gebergtes behoren geologisch gezien tot hetzelfde systeem. Als alleen de eigenlijke Himalaya wordt genomen, is de totale lengte rond de 2400 km. De breedte varieert tussen de 200 en 400 km. De Himalaya bevat meer dan 40 bergtoppen boven de 7000 meter hoogte en 9 toppen boven de 8000 meter. Daaronder is de hoogste berg ter wereld, de Mount Everest (8849 mDe hoogte van 8850 meter is afkomstig van een nauwkeurige meting met GPS in 1999. Op kaarten komt vaak een oudere hoogte van 8848 meter voor, afkomstig van een Chinese meting uit 1975. hoog). De Himalaya valt bestuurlijk onder de grootmachten India en China (Tibet) en de kleinere berglanden Nepal en Bhutan. Het uiterste westen van het gebergte valt ten slotte onder Pakistan. De Himalaya is het brongebied van enkele van de grootste rivieren van Azië, die honderden miljoenen mensen van drinkwater voorzien. De Himalaya speelt daarom een belangrijke rol in de Indiase en Tibetaanse mythologie, religie en literatuur. De naam Himalaya stamt uit het Sanskriet en is een samenvoeging van de woorden hima (sneeuw) en layas (woonplaats): letterlijk: "woonplaats in de sneeuw". Het gebergte wordt door zowel hindoes als Tibetaanse boeddhisten beschouwd als de woonplaats van de belangrijkste goden. In de loop van de geschiedenis heeft de Himalaya naast miljoenen hindoeïstische en boeddhistische pelgrims verschillende groepen bezoekers getrokken: Indiase vorsten die in de zomer het koelere bergklimaat opzochten, westerse ontdekkingsreizigers en koloniale bestuurders, en vanaf de 19e eeuw bergklimmers en toeristen, de laatsten vaak op zoek naar spirituele zingeving.

Fysische geografie thumb|350px|De Nanga Parbat (8126 m) in Pakistan is de westelijkste achtduizender in de Himalaya. thumb|350px|De Himalaya vanuit het ISS, op ongeveer 370 km hoogte. Op de voorgrond het Tibetaans Plateau. De hoogste berg aan de horizon is de Dhaulagiri (8167 m). De Himalaya is 2400 km lang en tussen de 150 en 280 km breed, met een totale oppervlakte van rond de 600.000 km².Himalayas, Encyclopædia Britannica Het gebergte vormt een boog van Pakistan in het noordwesten naar het zuiden over Nepal en Bhutan en ten slotte weer naar het noordoosten tot Arunachal Pradesh, waar de Himalaya overgaat in de Hengduan Shan. In het noordwesten grenst de Himalaya aan de Karakoram (met de K2, de op een na hoogste top ter wereld), die weer vastzit aan de Pamir en de Hindoekoesj. Al deze gebergtes vormen onderdeel van hetzelfde systeem (de zogenaamde Alpide gordel), dat van West-Europa tot Zuidoost-Azië loopt en dezelfde geologische oorsprong heeft.

Topografie en reliëf De Himalaya wordt fysiografisch ingedeeld in vier hoogtezones, die over de gehele lengte van het gebergte evenwijdig aan elkaar lopen: de Transhimalaya, de Grote Himalaya, de Kleine Himalaya en de Subhimalaya. Deze onderverdeling is het duidelijkst in het noordwesten, waar de Himalaya op zijn breedst is.

De noordelijkste van deze vier zones is de Transhimalaya, met toppen ruim boven de 6000 meter. Het grootste deel van de Transhimalaya ligt in Tibet, verdeeld over de bergketens van de Gangdisê en de Nyainqêntanglha.Yang & Zheng (2004), pp 26-27 Ook de Ladakh Range in het noordwesten van India hoort bij de Transhimalaya. De Transhimalaya ligt in de regenschaduw van de Grote Himalaya en heeft daardoor een zeer droog woestijn- of steppeklimaat. Ten noorden de Transhimalaya begint het Tibetaans Hoogland, dat niet tot de eigenlijke Himalaya behoort.

De Grote Himalaya is de hoogste zone, met toppen boven de 8000 meter. De toppen zijn scherp en de wanden zijn, vooral aan de zuidelijke zijde, steil en hoog. De Grote Himalaya vormt geen continu doorlopende muur, maar bestaat uit verschillende massieven en ketens, die tussendoor worden onderbroken door abrupte ravijnen en kloven. Deze zone van bergketens en massieven loopt van Kasjmir in het westen tot Arunachal Pradesh in het oosten. De kloven van de Indus en Yarlung Tsangpo vormen respectievelijk het westelijke en oostelijke uiteinde van de Grote Himalaya. Het westelijke hoekpunt is de Nanga Parbat (8126 m) in Pakistan; het oostelijke hoekpunt de Namjagbarwa (7782 m) in Arunachal Pradesh. Daartussen wordt de Grote Himalaya wel ingedeeld in oostelijke Himalaya (van de Namjagbarwa tot de Jomolhari (7314 m) op de westgrens van Bhutan), Midden-Himalaya (van de Jomolhari tot de Gurla Mandhata (7694 m) op de westgrens van Nepal) en westelijke Himalaya (tussen de Gurla Mandhata en de Naga Parbat).Yang & Zheng (2004), p 25 De hoogste massieven liggen in het middelste deel, waaronder de Kanchenjunga (hoogste top 8586 m), de Annapurna (hoogste top 8091 m), de Manaslu (8156 m) en de Mahalangur Himal met Mount Everest (8850 m), Lhotse (8516 m), Cho Oyu (8201 m) en Makalu (8481 m). Ook de oostelijke en westelijke delen bevatten echter toppen boven de 7500 meter.

Ten zuiden van de Grote Himalaya volgt een lagere zone met toppen tot rond de 5000 meter, die de Kleine Himalaya genoemd wordt. De Kleine Himalaya bestaat in Nepal uit de ketens van de Mahabharat Lekh en in het noordwesten van India uit onder andere de Pir Panjal, de Dhauladhar en de Nag Tibba. Tussen de Grote en Kleine Himalaya in liggen op verschillende plekken brede valleien, zoals de Kasjmirvallei en de Kathmanduvallei.

De zuidelijkste van de vier zones is de Subhimalaya in het voorland van het gebergte. Deze zone bestaat uit laag- tot middelgebergte, gemiddeld tussen de 900 en 1200 m hoog. De Subhimalaya bestaat in Nepal uit een zone van "hills" (heuvels) die de Churia worden genoemd. Ten westen van Nepal worden de glooiende heuvels van de Subhimalaya de Siwaliks genoemd, terwijl ze in Bhutan de Duars heten.

thumb|350px|De Indus bij de samenvloeiing met de zijrivier de Zanskar in Ladakh, aan de noordzijde van de Grote Himalaya. De steile dalwanden en het droge klimaat laten geen ruimte over voor begroeiing of bebouwing.

Drainage In de Himalaya ontspringen enkele van de grootste rivieren van Azië. De belangrijkste zijn de Brahmaputra, die in Tibet Yarlung Tsangpo genoemd wordt; de Ganges met haar zijrivieren Yamuna, Kali, Ghaghara, Kali Gandaki, Bagmati en Koshi; en de Indus met zijn zijrivieren Sutlej, Jhelum, Ravi en Chenab. Samen bewateren deze rivieren behalve de Himalaya en het zuiden van Tibet ook de laagvlakten van Hindoestan, waar ze honderden miljoenen mensen van drinkwater voorzien. Samen met het Tibetaans Plateau voorziet de Himalaya meer dan een kwart van de wereldbevolking van drinkwater.

Ten zuiden van de Himalaya stromen de Ganges en haar zijrivieren overwegend naar het zuidoosten richting de Golf van Bengalen, terwijl de Indus en zijn zijrivieren overwegend naar het zuidwesten stromen, om in de Arabische Zee uit te monden.

Opvallend is dat de waterscheiding niet in de hoogste bergen ligt, maar ten noorden van de Grote Himalaya: in de Transhimalaya en (verder naar het westen) de Karakoram. De Indus, Sutlej, Brahmaputra en Koshi ontspringen ten noorden van de Grote Himalaya en de bovenloop van de eerste drie rivieren loopt voor honderden kilometers aan de noordkant van de hoogste bergketens, alvorens ze de Himalaya met diepe kloven doorbreken. Zowel de zuid- als noordzijde van de Grote Himalaya watert daarom af naar de Indische Oceaan. Dit drainagepatroon is ontstaan doordat de rivieren ouder zijn dan de Himalaya zelf. Bij het omhoog komen van de Himalaya begonnen de rivieren zich in te slijten. De Himalaya kwam niet snel genoeg omhoog om de rivierlopen te verleggen, met als gevolg het huidige drainagepatroon en de diepe kloven die het gebergte doorsnijden.Valdiya (2001), pp 27-29; Zurick et al. (2006), p 41

Enkele van deze diepe kloven zijn die van de Sutlej, de Chennab, de kloof van de Indus rond de Nanga Parbat in Kohistan, de kloof van de Kali Gandaki in Nepal en de canyon van de Yarlung Tsangpo tussen Tibet en Arunachal Pradesh. De laatste is zowel in diepte als in lengte groter dan de Grand Canyon.

thumb|350px|Geologische doorsnede door het noordwesten van de Himalaya. ISZ is de Indus-sutuur, die het vroegere Azië en India scheidt. De blauwe dekbladen zijn ofiolieten van de vroegere Tethysoceaan.

Geologie

De Himalaya is een geologisch jong gebergte. Het is ontstaan tijdens de Alpiene orogenese in het Tertiair, veroorzaakt door de botsing tussen India en Eurazië. India, dat rond 120 miljoen jaar geleden rond de zuidpool lag, bewoog sindsdien voor geologische begrippen zeer snel (ongeveer 10 cm per jaarRoyden & Burchfiel (2004)) naar het noorden. De Tethysoceaan tussen Azië en India sloot zich en de oceaankorst schoof onder Azië de mantel in, een proces dat subductie wordt genoemd. 52 miljoen jaar geleden botste India op het zuiden van Azië. Continentbotsing in Himalaya begon 52 miljoen jaar geleden, Universiteit Utrecht - Nieuws, 13 april 2015 Vanwege de naar het noorden stekende punt van India aan de noordwestkant van de Himalaya, begon de botsing daar eerder, om zich daarna richting het oosten uit te breiden. De Himalaya zelf kwam echter pas omhoog gedurende de laatste 2 miljoen jaar.Zurick et al. (2006), p 33 Tegenwoordig beweegt India nog steeds met een snelheid van 2 cm per jaar verder op Azië in, zodat de Himalaya nog steeds groeit.

De continentale botsing tussen India en Azië ging gepaard met het over elkaar schuiven van grote stukken aardkorst, zogenaamde dekbladen. Sommige van die dekbladen bestaan uit diepe of ondiepe delen van de vroegere noordelijke rand van India, die van de bovenzijde van het onder Azië bewegende continent werden afgeschraapt. Er zijn echter ook oceaankorst of mariene sedimenten van de vroegere Tethysoceaan in de dekbladstapel opgenomen.

thumb|350px|Grove overzichtskaart van de geologie van de Himalaya.Kaart naar Le Fort & Cronin (1988) Niet toevallig volgt de geologie een patroon dat overeenkomt met het reliëf. Het belangrijkste overschuivingsvlak, dat de hele Himalaya doorloopt, is de Indus-Tsangpo-sutuur. Dit is de grens tussen de vroegere noordrand van India en de zuidrand van Azië. Op de plek waar de structuur aan het oppervlak komt, bevindt zich de langgerekte depressie tussen de Transhimalaya en de Grote Himalaya, waar de Yarlung Tsangpo en Indus stromen. De Transhimalaya bestaat uit wat vroeger de zuidelijke rand van Azië was. Voor een deel is dat stollingsgesteente, dat gevormd werd tussen 110 en 40 miljoen jaar geleden als gevolg van de subductie van de Tethysoceaan onder de Aziatische plaat.

De Grote Himalaya ten zuiden van de Indus-Tsangpo-sutuur bestaat uit een kern van kristallijne dekbladen (voornamelijk schist en gneis, delen van de diepere korst van India) en sedimenten uit de vroegere Tethysoceaan, die over de kristallijne kern geschoven zijn. Deze vormen een geologische zone ten noorden van de kristallijne gesteenten, die door geologen de Tibetaanse of Tethys-Himalaya genoemd wordt. Onder de zeefossielen die in de sedimenten gevonden worden zijn ammonieten, die voor de boeddhistische bevolking een spirituele waarde hebben vanwege hun gedraaide vorm. Er komen over de gehele lengte van de Himalaya in de kristallijne kern granieten voor, die tijdens de botsing van de continenten in de dekbladen zijn geïntrudeerd.