Jeruzalem of Gerkesklooster was een mannenklooster in het Friese dorp Gerkesklooster dat er ook zijn naam aan te danken heeft. Hoewel in 1240 gesticht als een premonstratenzer klooster, veranderde het in 1249 in een dochterklooster van het cisterciënzer klooster Klaarkamp bij Rinsumageest. Het klooster was gewijd aan Maria en Benedictus.Noomen, P.N. (1993). St. Gangolfus in de Izermieden: een 'Wüstung' in Achtkarspelen. It Beaken, 55(1), pp.32-40. In 1580 werd het klooster opgeheven en in 1594 werden alle gebouwen met uitzondering van de brouwerij afgebroken. Dit gebouw werd in 1629 herbestemd en ging fungeren als de hervormde kerk van Gerkesklooster.Andreae, A.J. (1975). Het klooster “Jerusalem” of het Gerkesklooster: eene bydrage tot de geschiedenis der kloosters in Friesland. Leeuwarden: De Tille.

Geschiedenis Stichting Het klooster zou in 1240 gesticht zijn door de kinderloze edelman Gerke uit Twijzel. Voor de stichting besloot hij zijn landgoed Wigerathorp aan te wenden. Het werd naar zijn eigen wens "Gerkesklooster" genoemd.Lambooij, H.T.M. (2008). Sibrandus Leo en zijn abtenkronieken van de Friese premonstratenzerkloosters Lidlum en Mariëngaarde. Hilversum: Uitgeverij Verloren. Gerke kreeg in eerste instantie steun van de Augustijner koorheren van Ludingakerke bij Midlum. Hij was echter niet tevreden over de geboden bijstand. Hierop wendde hij zich tot abt Sidach van het cisterciënzer klooster Klaarkamp bij Rinsumageest. Deze abt reageerde aanvankelijk terughoudend, aangezien Ludingakerke op dat moment nog zeggenschap had over Gerkes kloostergemeenschap en dus meldde Gerke zich bij het premonstratenzer klooster Mariëngaarde bij Hallum. Abt Ethelger van Mariëngaarde zond hem uiteindelijk een prior en een kapelaan. Ludingakerke had zich inmiddels teruggetrokken en Mariëngaarde wachtte nog op bisschoppelijke instemming vanuit Münster. De neef van abt Sidach van Klaarkamp, Wibrand Cammingha, overreedde zijn oom om Gerke toch bij de cisterciënzers te laten aansluiten. Wibrand reisde naar Münster en overtuigde de bisschop om de kloostergemeenschap onder zijn hoede te stellen.Lambooij, H.T.M. & Mol, J.A. (Red.) (2001). Vitae Abbatum Orti Sancte Marie. Hilversum: Uitgeverij Verloren. Dit gebeurde toen abt Ethelger op reis was in 1244.Spahr van der Hoek, J.J. (1992). Achtkarspelen: Oars as oars? Leeuwarden: Fryske Akademy. In datzelfde jaar wordt Gerkesklooster in statuten van het kapittel van de cisterciënzers als abdij van de Augustijnen vermeld.H.M. van den Berg. Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo, Den Haag: SDU uitgeverij, 1989, p. 15, 18-19, 26. Het generaal kapittel stelde toen een onderzoek in naar de aanspraken van de verschillende ordes op Gerkesklooster. Het klooster werd bij de stichting geïnspecteerd door de abten van Aduard en Ihlow.Moolenbroek, J. van, Mol, J.A. & Loer, J. (Red.) (2010). De abtenkroniek van Aduard: Studies, editie en vertaling. Hilversum: Uitgeverij Verloren.

De cisterciënzers kregen uiteindelijk zeggenschap over de kloostergemeenschap en geboden geestelijken van een andere orde zich uit het klooster te verwijderen. De geestelijken die tot de premonstratenzer orde wensten te behoren gingen wonen op een uithof ten zuiden van Gerkesklooster. Het betrof met name nonnen. Ene Buwe Harkema stichtte in 1248 eveneens een klooster nabij Drogeham: Buweklooster.Aa, A.J. van der (1843). Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, Volume 4. Gorinchem: Jacobus Noorduyn. Hij richtte zich daartoe tot abt Ethelger van Mariëngaarde met het voorstel om voor de zusters die op de uithof onder Gerkesklooster woonden een klooster te bouwen op zijn land. De abt stemde hiermee in en plaatste de nonnen na enige tijd over naar het nieuwe klooster, Mariëngraf of Sepulchrum Sancte Marie. In 1249 werd Gerkesklooster definitief opgenomen in de cisterciënzer orde. Wibrand Cammingha werd aangesteld als eerste abt van Jeruzalem.Noomen, P.N. (1997). De familie Cammingha in de middeleeuwen: haar relatie met de stad Leeuwarden en haar positie in Oostergo. In: Y. Kuiper, R. Kunst & M. Schroor (Red.) (1997). Leeuwarder Historische Reeks, 6. Leeuwarden: Leeuwarder Historische Vereniging. pp.10-98.

Waterwerken De ligging van het klooster is met het oog op landaanwinning strategisch gekozen: op een dekzandopduiking in het toenmalige kustgebied, gelegen tussen de Oude Ried en de Lauwers (twee veenstromen).Mol, J.A. (1992). Middeleeuwse kloosters en dijkbouw in Friesland. In: J.J.J.M. Beenakker (Red.) (1992). Strijd tegen het water. Het beheer van land en water in het Zuiderzeegebied. Zutphen: Walburg. pp.21-34.Zomer, J. (2016). Middeleeuwse veenontginningen in het getijdenbekken van de Hunze: Een interdisciplinair landschapshistorisch onderzoek naar de paleogeografie, ontginning en waterhuishouding (ca. 800-ca. 1500). PhD. Rijksuniversiteit Groningen. Beschikbaar via: Rug.nl. [Geraadpleegd op 26 november 2019]. Gearchiveerd op 5 februari 2021. Hoewel deze veenstromen al enigszins bedijkt waren door de plaatselijke bevolking voor de komst van de kloosterlingen en de Lauwers reeds dichtgeslibd was, waren beide wateren nog niet afgedamd. Zo lag er al een dijk vanaf Buitenpost via Scharnehuizen naar Kollum om de hogere zandgronden te beschermen. Rond 1250 is er reeds sprake van een "dijck by den velde", die van Stroobos via Grijpskerk en Niezijl naar Noordhorn liep.Mol, J.A. & Zomer, J. (2015). Gerkesklooster en zijn ontginningsactiviteit in Langewold omstreeks 1300. Stad & Lande, 24(3), pp.30-35. Deze dijk komt in 1385 voor als de "Roder". Rond 1250-1275 werd een dijk aangelegd van Kollum via Burum en Visvliet: de Soensterdijk of Oude Zeedijk.

De dichtgeslibde Lauwers boog oorspronkelijk voorbij Stroobos meer af richting het oosten en stroomde ten noorden van Grijpskerk. Rond 1200 is de rivier door mensen aangesloten op de benedenloop van de Oude Ried, waarna deze benedenloop voortaan ook Lauwers zou gaan heten. Rond 1250 werd de bovenloop van de Lauwers alsnog afgedamd bij de aansluiting op de Oude Ried met de Schalkendam.Mol, J.A., Noomen, P.N. & Vaart, J.H.P. van der (1990). Achtkarspelen-Zuid/Eestrum: Een historisch-geografisch onderzoek voor de landinrichting. Leeuwarden: Fryske Akademy. Voor de afvoer van het water uit het gebied rond Augustinusga werd de Oude Vaart aangelegd, deze sloot tussen Gerkesklooster en Visvliet bij Sarabos aan op de Lauwers. Aan de westkant van de afgedamde Lauwers werd voor de afwatering van het gebied rond Surhuizum gebruikgemaakt van de Oude Veenster Vaart in de Surhuizumer Mieden. In 1492 werd met de inwoners van Surhuizum overeengekomen om deze vaart te kanaliseren en bevaarbaar te maken. Hier had het klooster zelf ook baat bij om turf af te kunnen voeren. In 1493 werd de aanleg van deze vaart uitbesteed aan ene Gosschalk, naar wie de Schalkendam ook vernoemd werd.Molen, S.J. van der (1978). Turf uit de Wouden: Bijdrage tot de geschiedenis van de hoogveengraverij in Oostelijk Friesland tot 1900. Leeuwarden: De Tille.

Ten oosten van de Lauwers werd rond 1490 de Zijlroe aangelegd. Deze liep vanaf het gebied ten noorden van Opende via Peebos, De Eest en 't Dorp naar de Schalkendam tussen Gerkesklooster er Visvliet. Deze Zijlroe zou volgens de overlevering gegraven zijn door zes monniken en een non. Delen van de Zijlroe werden opgenomen in de Doezumertocht, die gegraven werd in 1867.Ligterink, G.H. (1968). Tussen Hunze en Lauwers. Groningen: Niemeijer.Geersing, G. (2012). Peebos (Doezum) 'n wandelpad rijker: het Olde Syelroepad. Westerkwartier, [online] 14 mei. Beschikbaar via: Hetwesterkwartier.nl. [Geraadpleegd op 26 november 2019].

Het gebied ten noorden van Burum werd in de 15e eeuw in stappen bedijkt.Nouta, R. (2002). Dijken en Zeedijksters. Kollum: Banda Uitgeverij BV. Rond 1425 bedijkte Gerkesklooster De Keegen in samenwerking met Kollumerland.Mol, J.A. (1991). De Fryske cistersiënzerkleasters en har besit. De Vrije Fries, 71, pp.24-47. In 1453 is er sprake van een nieuwe, alomvattende dijk vanaf Ter Lune bij Kollum, via Kollumerpomp naar Warfstermolen. De dijk tussen Warfstermolen en Pieterzijl was mogelijk al aanwezig. Aan de oostkant van de Lauwers werkte Gerkesklooster tussen 1426 en 1445 namelijk samen met het Kuzemer klooster om de Ruigewaard ten noorden van Grijpskerk te bedijken. Om de Ruigewaard te kunnen inpolderen, moest de waterafvoer geregeld worden. Hiertoe werd een gekanaliseerde omleiding voor de Lauwers ten noorden van Visvliet gecreëerd, het Zijldiep. Rond 1440 werd de oude loop van de Lauwers afgedamd bij De Leegte en werd in het nieuwe Zijldiep een spuisluis aangelegd "an die werve by Lambershuse": de Pieterzijl. Tussen 1453 en 1471 volgde het eiland 't Ooch, het gebied tussen De Leegte en Munnekezijl.

miniatuur|rechts|De nieuwe Munnekezijl uit 1882. Eveneens tussen 1453 en 1471 werd de daadwerkelijke Munnekezijl in de Lauwers geslagen. Hiermee was de waterhuishouding voor de Westerwaard geregeld en kon ook de rest van de Ruigewaard ingepolderd worden. Met de aanleg van de Munnekezijl verloor de Pieterzijl haar functie, maar dit betekende niet dat deze buiten werking werd gesteld. In eerste instantie betaalden alleen Burum en de Ruigewaard zijlschot voor de Munnekezijl, maar in 1512 werd bepaald dat ook Lutjegast een bijdrage moesten leveren en in 1539 kwamen hier de dorpen Doezum en Opende bij. In 1551 werden ook Grootegast en Sebaldeburen bij dit Munnekezijlvest gevoegd, aangezien grote delen van deze dorpen beneden het peil van het Wolddiep lagen en afwatering hierdoor bemoeilijkt werd.Kooper, J. (1939). Het waterstaatsverleden van de provincie Groningen. Groningen/Batavia: J. B. Wolters' Uitgevers-maatschappij. Andere dorpen die zijlschot betaalden aan dit waterschap waren Surhuizum, Augustinusga, Harkema-Opeinde, Drogeham en De Kooten voor een deel.Nieuwland, P. & Mol, J.A. (1993). Rekken oer it boekjier 1606/1607 fan de ûntfanger-generaal fan de kleasteropkomsten yn Fryslân, Joannes Henrici Rhala. In: P.L.G. van der Meer, J.A. Mol & P. Nieuwland (Red.) (1993). Administrative en fiskale boarnen oangeande Fryslân yn de ier-moderne tiid. Leeuwarden: Fryske Akademy. pp.35-153. De abt van Gerkesklooster was als overste zijlvester en dijkgraaf verantwoordelijk voor het toezicht op het onderhoud van bruggen, dijken, sluizen en wegen.

In 1529 begon Gerkesklooster aan de bedijking van het Nieuw-Kruisland. Andere deelnemers aan dit project waren het klooster van Aduard en het klooster Trimunt bij Marum. In 1542 was de polder voltooid. Van de 1387 pondematen die het gebied groot was, bezat Jeruzalem met 934 (ca. 300 hectare) verreweg het meeste.Broek, J.F.J. van den (1974). Het klooster Trimunt. In: W.J. Formsma, A.T. Schuitema Meijer & J.W. Boersma (Red.) (1974). Groningse volksalmanak historisch jaarboek voor Groningen. Groningen: Erven B. van der Kamp. Alle landaanwinning tussen 1420 en 1530 werd echter al niet meer door de lekebroeders van het klooster verricht. Vanaf die tijd trad de abt op als initiatiefnemer en kapitaalverstrekker en werd het eigenlijke werk uitgevoerd door de pachters van het klooster.

Het klooster was ook betrokken bij het graven van de voorloper van het Kolonelsdiep. Op 27 april 1508 drong graaf Hendrik de Jongere van Stolberg, stadhouder van Friesland onder de Saksen, er bij de abt van Jeruzalem en de grietmannen van Kollumerland en Achtkarspelen op aan dat de vaart tussen Gerkesklooster en Kollum verlengd zou worden tot het Bergumermeer.Blok, P.J. & Molhuysen, P.C. (Red.) (1912). Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, Deel 2. Leiden: A.W. Sijthoff. Dit kanaal zou later deel gaan uitmaken van het Kolonelsdiep en het is tegenwoordig deels opgenomen in het Prinses Margrietkanaal.

Lijst van abten Jeruzalem heeft vrij zeker 42 abten gekend. De lijst hieronder geeft enkel de bekende abten weer met jaren waarin zij vermeld werden.

Opheffing