Benno Jules (Benno) Stokvis (Amsterdam, 23 januari 1901 - Laren, 3 januari 1977) was een Nederlands letterkundige, advocaat en linkse intellectueel die van 1946 tot 1952 namens de CPN in de Tweede Kamer zat. Hij was daar onder meer justitiewoordvoerder en fractiesecretaris en maakte deel uit van de parlementaire enquêtecommissie regeringsbeleid 1940-1945.
Al in de dertig 30 was Stokvis voorvechter van de rechten van homo's, waarvoor hij zich als advocaat inzette en het boek De Homoseksueelen publiceerde met daarin 35 levensgeschiedenissen van homoseksuelen. Stokvis was zelf – naar eigen schrijven – heteroseksueel.
Biografie Stokvis werd geboren in het gezin van de Amsterdammer Joël Stokvis en de in Mahiljow geboren Margolia Ettlinger. Zijn Joodse vader was actief in de diamantenwereld. Zijn moeder kwam oorspronkelijk uit een gegoede Belarussisch-Joodse familie en had zich na de dood van haar vader in het Duitse Wiesbaden gevestigd. In Amsterdam gaf zij taallessen Russisch. Thuis sprak het gezin Duits en Nederlands.
De familie was niet welgesteld. Na de middelbare school ging Stokvis rechten studeren aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij in april 1924 zijn doctoraal haalde. Op achttienjarige leeftijd debuteerde hij als schrijver in het blad De Nieuwe Amsterdammer. Hij werkte als vertaler en schreef zowel fictie als non-fictie.
In 1924 huwde hij de concertzangeres Thérèse Bierman. Vanaf die periode begon Stokvis zich sterk in te zetten als advocaat voor de rechten van homoseksuelen in de Nederlandse maatschappij. Hij trad op als verdediger in zaken waarbij jonge mannen en vrouwen werden veroordeeld onder artikel 248bis van het Wetboek van Strafrecht. Hij verzamelde tevens levensgeschiedenissen van homoseksuelen die hij liet bundelen en uitbracht in 1939 onder de titel De Homoseksueelen. Hij verdedigde Henk Sneevliet na diens verdediging van de Muiterij op De Zeven Provinciën.
Na zijn echtscheiding met Bierman in 1936, begon Stokvis aan een huwelijk met Mia Pirée – de in Antwerpen geboren directrice van het Instituut Coué in Amsterdam. Pirée was achttien jaar ouder dan Stokvis. Ze leefden na enkele jaren huwelijk gescheiden. Pirée vestigde zich uiteindelijk in de Zeeuwse badplaats Renesse, waar zij in 1959 overleed. Stokvis deed de overlijdensaangifte op het gemeentehuis.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog wist Stokvis ondanks zijn van origine Joodse achtergrond te ontkomen aan deportatie, omdat zijn moeder erin slaagde om erkend te worden als ariër, waardoor hij door de nazi-bezetters niet als Joods werd gezien.
Door de zetelwinst van de Communistische Partij van Nederland in 1946, waar Stokvis sinds 1935 lid van was, kon hij als prominent partijlid een zetel innemen in de Tweede Kamer. Stokvis werd voorzitter van een comité tegen Duitse nazi-rechters die in Nederland doodvonnissen hadden geveld en gewoon in functie waren gebleven. Hij bleef in de Kamer twee termijnen aan. In de Kamer was hij zeer actief op het beleid rondom oorlogsmisdadigers en de behandeling van oorlogsslachtoffers, in het bijzonder Joodse. Door zijn actieve houding en eigen acties kreeg hij het aan de stok met het bestuur van CPN die hem "te individualistisch" zouden vinden. Als gevolg daarvan werd hij op een onverkiesbare plek voor de verkiezingen van 1952 gezet. Hij verliet daarop de Kamer.
Stokvis werd lid van achtereenvolgens de PvdA (1955-1971) en DS'70 (vanaf 1971). Tussen 1967 en 1975 verzorgde hij de radiorubriek Recht en slecht.
Bibliografie Lodewijk van Deyssel. Een samenvattende studie. Amsterdam, 1921. Bibliographie betreffende K. J. L. Alberdingk Thijm. Rotterdam, 1922. Wrange vruchten. Amsterdam, 1924. Nasporingen omtrent Vincent van Gogh in Brabant. Amsterdam, 1926. De moord in de Spuistraat. Baarn, 1926. Rond het misdrijf van frauduleusen invoer. Amsterdam, 1928 (proefschrift). De Rooie. Roman uit het misdadigersleven. Amsterdam, 1928. Homo-sexualiteit en strafrecht. Amsterdam, 1934. Van Deijssel en Kloos doctor honoris causa. Amsterdam, 1935. Contracten, modellen en formulieren voor de praktijk. 7 delen. Lochem, 1936-1951. Een afscheid van dit leven. Lochem, 1936. Een liefde op het midden van den levensweg. Den Haag, 1938. De homosexueelen. 35 autobiographieën. Lochem, 1939. Echtscheiden. 35 huwelijkstragedies. Lochem, 1941. Het paard in de literatuur. Lochem, 1948. Meine Mutter. Amsterdam, 1948. Man en paard. Lochem, 1950. Advocaat in bezettingstijd. Amsterdam, 1968. Lijden zonder klagen : het tragische levenslot van Hubertina van Gogh. Baarn, 1969. Recht en slecht. Radiobeschouwingen. Den Haag, 1971.
Vertalingen Lodewijk van Deyssel, Prosagedichte. Leipzig/Amsterdam, 1923.
Categorie:Nederlands advocaat Categorie:Tweede Kamerlid