De Joodse historicus Flavius Josephus noemde Jezus van Nazareth misschien in twee passages van zijn Oude Geschiedenis van de Joden, gepubliceerd in 93/94 n.Chr. De eerste passage staat bekend als het Testimonium Flavianum en gaat over de levensloop van Jezus.
De betrouwbaarheid van het Testimonium Flavianum wordt al sinds de 17e eeuw betwist en vanaf de 19e eeuw is men het er over het algemeen over eens dat het op zijn minst veranderd of zelfs volledig vervalst is door christelijke schrijvers.
De tweede passage vermeldt alleen Jezus als de broer van Jakobus, waarschijnlijk Jakobus de Rechtvaardige. De meeste wetenschappers beschouwen die passage als authentiek.Louis H. Feldman, Josephus, Anchor Bible Dictionary, Deel. 3, pag. 990-1.
Het Testimonium Flavianum De tekst De volgende passage is de Griekse versie van De Joodse Oudheden 18:63-64,Flavius Josephus, Flavii Iosephi Opera (ed. B. Niese). Berlijn 1892. Online versie. met de vertaling van Meijer en WesFlavius Josephus, De Oude Geschiedenis van de Joden Deel 3 (vert. F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes). Amsterdam: Ambo, 1998.:
Boek XVIII:
Tekstgeschiedenis Griekse overlevering thumb|left|550px|Reproductie van het Testimonium in het oudste bewaarde handschrift van het laatste deel van de Oude Geschiedenis van de Joden; Codex Ambrosianus (Mediolanensis) F. 128 uit de elfde eeuw Deze passage komt voor in al de overgeleverde Griekse handschriften van dit gedeelte van De Joodse Oudheden. (De Griekse tekst lijkt te zijn overgeleverd in twee helften, de boeken 1–10 en de boeken 11–20.) Het gaat om drie handschriften, waarvan het oudste van rond de 11e eeuw dateert.Feldman (1989), p. 431 Zoiets is niet uitzonderlijk bij handschriften uit de oudheid.
Verder bestaan er losse citaten van het Testimonium bij antieke en middeleeuwse auteurs. De oudste hiervan zijn te vinden bij Eusebius, die schreef rond 324. Zijn citaten hebben vrijwel dezelfde vorm als de hierboven geciteerde tekst (hij schrijft πολλοὺς τῶν Ἰουδαίων in plaats van πολλοὺς μὲν Ἰουδαίους, en voegt ἀπὸ toe vóór τοῦ Ἑλληνικοῦ). Hieruit volgt dat aan de basis van de huidige overlevering een nog ouder exemplaar (in unciaalschrift) staat: het archetype. Dit archetype moet ouder zijn dan het handschrift waaruit Eusebius citeerde (tenzij men aanneemt dat dit handschrift het archetype is of dat Eusebius zelf het Testimonium schreef).
Oude vertalingen Het Arabische Boek van de Opschriften (Kitab al-’Unwan), geschreven door Agapius de Geschiedschrijver, de 10e-eeuwse Melkitische bisschop van Hierapolis Bambyce, bevat een afwijkende versie van het Testimonium. Deze luidt:
Shlomo Pines oppert dat het Testimonium van Agapius misschien een nauwkeurig verslag is van wat Josephus schreef, omdat daarin de gedeelten ontbreken die verdacht zijn als mogelijke toevoegingen door christelijke kopiisten. Vermoedelijk parafraseerde Agapius zijn bron echterLouis H. Feldman, A Selective Critical Bibliography of Josephus, in: Louis H. Feldman en Gohei Hata (eds.), Josephus, the Bible, and History. 1989, p. 433. en wel een Syrische versie van het Testimonium in de vertaling van Eusebius' Historia Ecclesiastica door Michaël de Syriër.Whealey (2008), pp. 575-578; 582-585. Met name de woorden “men dacht dat hij de Christus was” wijken in de Syrische versie af. Een dergelijke meer afstandelijke formulering heeft de Latijnse vertaling van Hiëronymus ook. Deze variant in het Latijn en het Syrisch gaat volgens Alice Whealey waarschijnlijk terug op een Grieks manuscript.Whealey (2003), p. 41; 190.Whealey (2008), p. 581.
Wetenschappelijke hypothesen Het onderwerp van de authenticiteit van het Testimonium is aanleiding geweest voor veel wetenschappelijke discussies. Louis Feldman telt 87 artikelen, die gepubliceerd zijn in de periode van 1937-1980 en waarvan “het overgrote deel de oorspronkelijkheid geheel of gedeeltelijk betwist.”Feldman (1989), p. 430 In het algemeen gaan tekstcritici ervan uit dat kopiisten getrouw hun werk deden, wat blijkt uit het feit dat verwante handschriften doorgaans slechts minimaal verschillen. De tekst van het hypothetische archetype kan daarom vrijwel altijd doorgaan voor wat de auteur zelf, in dit geval Josephus, schreef. Omdat hypothesen over invoeging (interpolatie) dus in het algemeen a priori minder waarschijnlijk zijn en meer aannames vergen, ligt de bewijslast bij wie argumenteert voor interpolatie of bewerking (zie ook het scheermes van Ockham).
De hypothesen ten aanzien van het Testimonium Flavianum vallen te onderscheiden in drie groepen: Het Testimonium is authentiek. Deze hypothese, die tot de negentiende eeuw algemeen aanvaard is geweest, wordt verdedigd door een kleine minderheid. Het Testimonium is gedeeltelijk authentiek, maar geïnterpoleerd en/of bewerkt door een christelijke kopiist. Deze hypothese is de laatste decennia in verschillende varianten gemeengoed geworden. Het Testimonium is niet authentiek, maar volledig een latere interpolatie. Twijfels over het Testimonium bestonden er sinds de zeventiende eeuw, maar deze hypothese werd uiteindelijk algemeen aanvaard onder historisch-kritische wetenschappers in de 19e eeuw en wordt door sommigen nog altijd aangehangen.
Woordgebruik en compositie Woordgebruik Het woordgebruik en de stijl van het Testimonium kunnen iets zeggen over de authenticiteit ervan. Als deze significant afwijken, kan dit een indicatie zijn van latere invoeging. Inderdaad is beweerd dat een gedeelte van de passage woordgebruik bezigt dat verder niet bij Josephus voorkomt.K. H. Rengstorf, A Complete Concordance to Flavius Josephus (4 vols.). Leiden: Brill 1973-1983. Het Testimonium maakt bijvoorbeeld gebruik van de Griekse term ποιητής met de betekenis “verrichter” (als onderdeel van de zin “verrichter van wonderbaarlijke daden”), maar elders maakt Josephus alleen gebruik van het woord poietes in de betekenis van “poëet, dichter,” terwijl het juist Eusebius is die ποιητής gebruikt in de betekenis van “verrichter van wonderbaarlijke daden” als hij verwijst naar Jezus.Eusebius, Bewijs van de Evangeliën (Dem.Ev.) 3.5; Kerkgeschiedenis (Hist.Eccl.) 1.2.23.K.A. Olson, ‘Eusebius and the Testimonium Flavianum’, Catholic Biblical Quarterly 61 (1999), 314-319. Dat Eusebius de woorden “verrichter van wonderbaarlijke daden” gebruikt voor Jezus (en in latere werken voor God), zou ook een bewijs kunnen zijn van de invloed van het vocabulaire van het Testimonium op zijn eigen woordgebruik.Alice Whealey merkt op dat Eusebius doorgaans het woord poietes in de betekenis van “verrichter” alleen gebruikt voor Jezus of God. Poietes in de betekenis van “verrichter” was dus over het algemeen “niet de kenmerkende manier van uitdrukken van Eusebius.” Alice Whealey, 2007, p. 83, ook 80-83; 115.
Veel huidige wetenschappers constateren dat het vocabulaire en de grammatica van de passage goed passen bij de stijl en taal van Josephus. John P. Meier beweert bijvoorbeeld dat "vocabulaire en grammatica van de passage (nadat het ontdaan is van het duidelijke christelijke materiaal) heel goed overeenkomen met de stijl en het taalgebruik van Josephus. (...) Bijna elk woord in het wezenlijke gedeelte van het Testimonium wordt elders bij Josephus aangetroffen — in feite blijkt het grootste gedeelte van de woordenschat juist kenmerkend te zijn voor Josephus."John P. Meier, A Marginal Jew: Rethinking the historical Jesus (vol. 1). New York 1991, 62; 80-83. Louis H. Feldman schrijft dat “sommige van de verdedigers van de stelling dat het een vervalsing is zouden moeten toegeven dat het dan wel een goede is.”Louis H. Feldman, Josephus: A supplementary bibliography. New York 1986, p. 618-619; 677.
Compositie Het korte en bondige karakter van het Testimonium steekt schraal af bij uitvoeriger passages over schijnbaar trivialer onderwerpen.Bijvoorbeeld de op het Testimonium volgende relaas over de Joden en de Isiscultus in Rome. Zie Josephus, Joodse Oudheden 18.65-80. Maar dit heeft vooral te maken met moderne verwachtingspatronen. Josephus was doorgaans afhankelijk van hoe uitvoerig zijn bronnen waren. Bovendien wijken vergelijkbare passages over Joodse profeten (zoals de Samaritaanse profeet, Johannes de Doper en TheudasRespectievelijk Josephus, Joodse Oudheden 18.85-87; 18.116-119; 20.97-99.) qua omvang niet veel af.
Een gerelateerd argument tegen de echtheid van het Testimonium is dat het probleemloos weggelaten kan worden. Zowel structureel als inhoudelijk loopt de paragraaf ervóór vloeiend over in die erna. Dit zou erop kunnen wijzen dat óf de hele paragraaf een latere tussenvoeging is, óf dat die is herschreven. Daartegen pleit dat de compositie van dit deel van de Joodse Oudheden wel meer onregelmatigheden vertoont en de chronologie nogal door elkaar loopt. Bij antieke schrijvers zijn dergelijke procedés niet ongewoon, omdat er nog geen voetnoten bestonden waarin men korte uitweidingen kwijt kon. Bovendien had men te maken met bronnen van verschillende omvang die soms zelfs tegenstrijdig waren.John P. Meier, A Marginal Jew (vol. 1). New York 1991, p. 86, n. 54. Meier citeert H. St. John Thackeray, Charles Martin en andere wetenschappers, die het argument verwerpen dat het Testimonium een tussenvoeging is, omdat het de draad van het verhaal zou onderbreken.
Het Testimonium als tekst van Josephus Het is zeker dat Josephus geen christen was. Veel geleerden vinden het daarom onaannemelijk dat het Testimonium in de huidige vorm authentiek is. John Dominic Crossan heeft het als volgt gesteld: "Het probleem is hier dat het verslag van Josephus te mooi is om waar te zijn, te gelovig om onpartijdig te zijn en te christelijk om joods te zijn."John Dominic Crossan, The Historical Jesus: The Life of a Mediterranean Peasant. Met name de volgende drie passages zijn verdacht:
"... voor zover het geoorloofd is hem een man te noemen." "Hij was de Christus." "Hij was namelijk aan hen verschenen op de derde dag, opnieuw levend. De goddelijke profeten hadden die dingen en ontelbare andere wonderlijke dingen over hem gezegd."
"Hij was de Christus" De uitspraak "hij was de Christus” is verdacht, omdat dat lijkt aan te geven dat de schrijver dacht dat Jezus de Joodse messias was. In de toekomstverwachting van Josephus zelf staat Vespasianus centraal en de duidelijke benaming van Jezus als de Christus lijkt daarmee op gespannen voet te staan.Josephus, De Joodse Oorlog 6.312. Maar het is twijfelachtig of Josephus Vespasianus als een messiasfiguur zag.M. de Jonge, art. 'χρίω etc.: Philo und Josephus', Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament 9. Stuttgart 1973, pp. 511-512. Ook is het niet aantoonbaar dat Josephus χριστός (christos) als een titel gebruikte. De uitspraak “hij was de Christus” is wellicht beter te begrijpen als identificatie.Meier, Marginal Jew vol. 1, p. 73 n. 14; 76-77 n. 26.Ulrich Viktor, (2010), p. 79. Josephus legt dan voor zijn 1e-eeuwse Romeinse lezerspubliek uit dat deze Jezus die Christus was waar die christenen het over hadden. De Romeinse schrijvers Tacitus en Plinius de Jongere noemen Jezus alleen Christus zonder ook maar iets door te laten schemeren van een messiaanse status van Jezus.
Hoewel de overgeleverde tekst “hij was de Christus” luidt, is het mogelijk dat de oorspronkelijke tekst luidde: "Men geloofde dat hij de Christus was" (zie boven bij Tekstgeschiedenis).Alice Wealey, 'The Testimonium Flavium Controversy from Antiquity to the Present', 2000.
Jezus' bovenmenselijke status