Albert Ferdinand Lancker (Utrecht, 2 maart 1894 – Hoge Hexel, 11 februari 1945) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was commandant van het Binnenlandse Strijdkrachten (BS) District Salland. Op 11 februari 1945 kwam hij om het leven toen hij door de Sicherheitsdienst (SD) in Hoge Hexel op de vlucht werd neergeschoten.

Voor de Tweede Wereldoorlog Lancker ging op zestienjarige leeftijd in militaire dienst. Na zijn militaire opleiding in Kampen vertrok hij in oktober 1921, in de rang van eerste luitenant, als lid van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), naar Nederlands-Indië. Terug in Nederland werd hij na twee jaar bevorderd tot kapitein.

Na de demobilisatie van de Krijgsmacht In de meidagen van 1940 voerde hij als commandant het bevel over een bataljon van het 41e Regiment Infanterie. Zijn eenheid, die achter de Zuid-Willemsvaart in de Peel in stelling lag, moest zich terugtrekken. Via Breda en Zeeuws-Vlaanderen belandde hij met zijn manschappen in Duinkerke. Hij kreeg geen toestemming om naar Engeland over te steken. Hij moest zich met zijn eenheid aan de Duitsers overgeven. Op 3 juni 1940 keerde hij in Nederland terug. Om uit Duitse gevangenschap te kunnen worden ontslagen tekende hij de door de bezetter verlangde "Erewoordverklaring". Een en ander hield in dat hij zich van enige activiteit tegen de bezetter diende te onthouden. In juni 1940, na de demobilisatie van de Krijgsmacht, meldde Lancker zich vrijwillig aan voor de Arbeidsdienst.

In oktober 1940 nam hij ontslag uit de Arbeidsdienst. Vanaf dat moment verleende hij zijn medewerking aan de Ordedienst (OD). Hij organiseerde illegale activiteiten in Den Haag, Amsterdam en Utrecht. Vanaf december 1940 werd hij door de SD gezocht. Hij dook onder in Den Haag. Vanuit zijn onderduikadressen ondernam hij diverse acties. In de zomer van 1942 werd hij in verband gebracht met de liquidatie van een agent van de SD. Hij werd door de SD gezocht. In het najaar van 1942 besloot Lancker om onder te duiken in hotel De Uitkijk, op de Hellendoornse Berg, in de gemeente Hellendoorn. Vanaf dat moment opereerde hij onder de schuilnaam De Jong. Eind 1942 dook hij onder bij de weduwe G. Bakker-van ’t Roth aan de Ommerweg 24 in Hellendoorn. Vanuit zijn schuiladres bouwde Lancker een illegale organisatie op. Zijn codenaam was Evert.

De oprichting van de Twentse Brigade van de Raad van Verzet Zoals overal in het land werden er in die tijd in Hellendoorn en het aangrenzende Nijverdal steeds meer mensen voor de keus gesteld of in het kader van de Arbeidsdienst in Duitsland te gaan werken of zich op een of andere manier aan de Arbeidsdienst te onttrekken. Vele jonge mannen, meestal van protestanten huize, kozen voor de illegaliteit. Ze onttrokken zich aan de Arbeidsdienst en ze doken onder. Het kostte Lancker dan ook weinig moeite om in een tiental plaatsen in het noordwesten van Twente en het aangrenzende Salland jonge mannen onder zijn gezag te plaatsen. Hij benoemde de mannen tot zijn plaatselijke commandanten en gaf ze opdracht om ieder voor zich een tiental mensen om zich heen te verzamelen.

In de zomer van 1943 kwam Lancker in contact met Jan Thijssen (1908-1945). Thijssen was de oprichter en leider van de Raad van Verzet (RVV). Thijssen en zijn medewerkers reisden het land door om verzetsgroepen onder de paraplu van de RVV te verenigen. Lancker werd commandant van de Twentse Brigade van de RVV. Kort daarna werden door ondercommandanten van Lancker in Nijverdal en Wierden sabotagegroepen opgericht.

Begin juni 1944 kwam Lancker in contact met Frits Hazelhoff uit Den Ham. Hazelhoff was de leider van een van de verzetsgroepen die zich dan al geruime tijd in het noordoosten van Overijssel bezighielden. Hazelhoff sloot zich bij Lancker aan. Hazelhoff kreeg van Lancker opdracht om in Vroomshoop en omstreken sabotagegroepen op te richten. In de weken die volgden werden door Hazelhoff illegale kernen gevormd in Vroomshoop en de omliggende plaatsen. Deze plaatsen werden verdeeld in twee kringen en wel de "Kring Vroomshoop" en de "Kring Mariënberg". Frits Hazelhoff werd commandant van de "Kring Vroomshoop" omvattende; Den Ham, Vriezenveensewijk, Vriezenveen en Daarle. W. Hento werd commandant van de "Kring Mariënberg" omvattende; Mariënberg, Bergentheim, Heemse, Hardenberg en Gramsbergen. Hento was tevens medewerker van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) te Hardenberg en hij was stationsschef in Mariënberg.

De coördinatie van het verzet Vanaf het begin van de oorlog streefden koningin Wilhelmina (1880-1962), prins Bernhard (1911-2004), minister-president Pieter Sjoerds Gerbrandy (1885-1961) en de leden van zijn Oorlogskabinet op landelijk niveau naar een goede onderlinge samenwerking tussen de Ordedienst (OD), de Raad van Verzet en de Landelijke Knokploegen (LKP). Het bevorderen van deze eenheid was gewenst om het Nederlandse volk achter de eerste naoorlogse regering en de monarchie te doen staan. Het bevorderen van deze doelstelling werd de coördinatie genoemd. Agenten die door het Bureau Inlichtingen (BI) en het Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO) boven bezet Nederland werden geparachuteerd kregen de opdracht om de coördinatie van het Nederlands verzet te bevorderen. Deze coördinatie zou vanaf november 1944 gestalte krijgen en zou leiden tot de oprichting van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS).

De steunverlening door agenten De agenten van het Bureau Bijzondere Opdrachten Voor dit doel werden, in de nacht van 28 op 29 augustus 1944, door het BBO, de agenten Jaap Beekman (1919), Jaap Hinderink en Johan Luykenaar, in de omgeving van Voorthuizen, boven de Veluwe geparachuteerd. Beekman was radiotelegrafist. Hij kreeg een onderduikadres in Hellendoorn. Hij werd toegevoegd aan de staf van de Twentse Brigade van de RVV. Vanaf dat moment had Lancker via Beekman een directe radioverbinding met het BBO en de Nederlandse regering in Londen. Hinderink en Luykenaar gingen aan de slag om de leden van de sabotagegroepen op te leiden en om afwerpterreinen ten behoeve van het afwerpen van parachutisten, wapens en materiaal in gereedheid te brengen. De afwerpterreinen werden in de omgeving van de Piksen, Stegeren, Ommen en Bruinehaar ingericht.

Het Jedburgh-team In de nacht van 11 op 12 september 1944 werd op het afwerpterrein Evert bij de Piksen een zogenaamd Jedburgh-team geparachuteerd. Lancker en de sabotagegroepen van Nijverdal en Daarle zorgden voor de ontvangst van de parachutisten. Het Jedburgh-team bestond uit; de Nederlandse majoor Henk Brinkgreve (codenaam; Dudley), de Amerikaanse majoor John Malcolm Olmsted en de Britse sergeant John Patrick Austin (codenaam; Bunny). Vanaf zijn aankomst in Twente zou Brinkgreve veel energie gaan steken in de samenwerking van de RVV en de Knokploegen in Twente, waarvan die onder de leiding van Johannes ter Horst een van de belangrijkste was. De Amerikaan Olmsted was agent van het Office of Strategic Services (OSS). Hij hield zich hoofdzakelijk bezig met het verzamelen van militaire inlichtingen die direct van nut waren voor de oprukkende geallieerde legers. Via de radiotelegrafist Austin stond hij rechtstreeks in radiocontact met de militaire inlichtingenorganisaties in Londen en met het achter de oprukkende geallieerde legers opererende zendstation Wensun. Austin kreeg een onderduik- en seinadres in Daarle. Van daaruit werkte hij nauw samen met zijn collega radiotelegrafist Jaap Beekman van het BBO.

De wapendropping Samen met de parachutering van de agenten van het “Jedburgh-team” werden er op 12 september 1944, op het afwerpterrein bij de Piksen, door het BBO, containers met wapens en munitie gedropt. Vanaf dat moment had de brigade van Lancker niet alleen de beschikking over agenten maar ook over honderd dertig kilogram explosieven met toebehoren, een groot aantal handvuurwapens en handgranaten. Vanaf dat moment vonden er op de afwerpterreinen van de Twentse Brigade van de RVV meerdere droppings plaats. De plaats en tijd van die wapendroppings werd via de radiozender “Radio Oranje” door middel van een zogenaamde “slagzin” bekend gesteld. Bijvoorbeeld; "Bericht voor Grote Jan - Hartelijk Gefeliciteerd". Dan wist men precies wat er aan de hand was. Bij zo'n dropping werden de leden van de “ontvangstploeg” en “opvangploeg” ingeschakeld om het afwerpterrein met lichtbakens en seinlampen in te richten.

Het Bureau Inlichtingen Door de Operatie Market Garden en de verwachte doorstoot van de geallieerde legers nam het Bureau Inlichtingen (BI) het besluit om de in Nederland werkzame agenten te verplaatsen naar plaatsen boven de IJssellinie. Na oorspronkelijk eerst in de Biesbosch, Dussen, ’t Gooi, Rotterdam en andere plaatsen in de provincies Zuid-Holland en Utrecht werkzaam te zijn geweest verplaatste de agent Ben Buunk (1917-1945) (codenaam Fopkonijn), eind september 1944, zijn seinpost met de hulp van zijn collega Karel Christiaan Mooiweer (1923-1971) naar Vroomshoop in Overijssel. Buunk werd door Jan Thijssen, als verbindingsofficier, aan de staf van de Twentse Brigade van de RVV toegevoegd. Hiermee werd de basis gelegd voor de Zendgroep Oost van de Radiodienst van de Raad van Verzet. De komst van Buunk duidde erop dat de Twentse Brigade hoofdzakelijk spionage ging bedrijven.

Bij zijn aankomst in Overijssel werd Buunk door de bemiddeling van Lancker in Vroomshoop bij dokter Oskam ondergebracht. Oskam was de huisarts van Frits Hazelhoff uit Den Ham. Buunk woonde in Vroomshoop onder de schuilnaam; “Frederik Hanendoes”. Volgens zijn papieren was hij van beroep landbouwingenieur. Vanaf zijn aankomst in Overijssel ging Buunk nauw samenwerken met Frits Hazelhoff. Samen met Bergsteyn, een medewerker van de Twentse Brigade van de RVV, organiseerde Buunk het Inlichtingencentrum Oost.

De Zendgroep Oost en het Inlichtingencentrum Oost Met de medewerking van enkele kopstukken van de Radiodienst van de Raad van Verzet zoals D. Eskes, F.van der Laaken en enkele lokale radiotelegrafisten groeide de Zendgroep Oost in korte tijd uit tot een zeer belangrijke zendgroep. De militaire inlichtingen die door de medewerkers van het Inlichtingencentrum Oost en de Brigade van Lancker werden aangeleverd werden door de radiotelegrafisten van de Zendgroep Oost verzonden naar het BI in Londen en in Eindhoven. Om doublures in het verwerken van inlichtingen te voorkomen hielden Olmsted en Austin van het "Jedburgh-team" en de radiotelegrafist Jaap Beekman van het BBO nauw contact met de Inlichtingengroep Oost en de agent Buunk.

De coördinatie van het verzet in Twente en Salland