thumb|300px|Een groep marrons te Paramaribo tijdens een feestelijke aangelegenheid, ca. 1930 De marrons van Suriname zijn de afstammelingen van Afrikanen die door slavenhalers onder dwang naar Suriname zijn gebracht. Daar bevrijdden zij zichzelf uit de slavernij en vestigden zich in het Surinaamse binnenland. De Surinaamse marroncultuur wordt wel het best bewaarde stukje Afrika buiten Afrika genoemd.Tropenmuseum toont Surinaamse Marroncultuur, Trouw, 21 oktober 2009. Gearchiveerd op 3 juni 2022. In tegenstelling tot andere landen hebben de marrons in Suriname zich na de afschaffing van de slavernij weinig gemengd met de overige zwarte bevolking. Toch is de Surinaamse marroncultuur altijd in beweging gebleven. Oorlogen, grondroof, natuurrampen en migratie hebben haar geschiedenis getekend. De Surinaamse marrons zijn verdeeld in zes verschillende groepen.

Naamgeving Oorspronkelijk werden de marrons 'businengee' of 'businengre' in het Sranantongo genoemd, of bosneger in het Nederlands. 'Businengee' is samengesteld uit de woorden 'busi'uh' en 'nengee'. 'Busi' betekent letterlijk vertaald 'bos'. 'Nengee' betekent zowel in de marrontalen als in het Sranantongo 'neger'. Businengee of businengre betekent dus 'bosneger'. De term 'neger' is afkomstig uit de koloniale tijd en wordt in de 21e eeuw als denigrerend beschouwd. De term 'marron' is daarom in zwang geraakt. Als combinatie van beide etniciteiten wordt tegenwoordig ook wel Afro-Surinamers gebruikt.

Marrons worden ook wel boslandcreolen genoemd. Dit is een term die de Nationale Partij Suriname (NPS) in 1963 onder leiding van Jopie Pengel voorstelde. In dat jaar kregen de marrons algemeen kiesrecht en werden ze in de bevolkingsregistratie opgenomen. Pengel ging ervan uit dat de marrons vanwege hun etnische verwantschap gemakkelijk over te halen waren om op de NPS te stemmen en door de invoering van de term boslandcreolen werd die verwantschap met de creolen uit de stad benadrukt.Hans Budding, De geschiedenis van Suriname, pag. 424, 2012,

In 1958 had een belangenorganisatie echter al aangegeven dat boslandcreool hen "helemaal niet" zou liggen. Een alternatief was er toen nog niet.Het Nieuws, Bosnegers zoeken vooruitgang - Vervolg op pagina 2, 8 februari 1958 Het gebruik van marron werd in Suriname in de jaren 1970 geïntroduceerd door enkele geschoolde Saramaccaners. Enkele van de eerste gebruikers waren Julian With, Etho With, Rob Vrede, Kensly Vrede en Arthur Licht (Tulinga).Dagblad Suriname, Marron: Waarom kiezen wij ervoor en is deze nu ingeburgerd in onze schrijftaal?, 22 augustus 2014

De naam marron is afgeleid van cimarrón, een Caraïbisch-Spaanse term voor loslopend vee of verwilderde dieren, ontleend aan het Arowaks símara(n)José Arrom, Cimarrón: apuntes sobre sus primeras documentaciones y su probable origen in Revista Española de Antropología Americana, vol. XIII (1983)) en heeft zich ontwikkeld tot geuzennaam. Marron is tevens het Franse woord voor kastanje en vandaar voor kastanjebruin, maar dit staat waarschijnlijk geheel los van de naam voor de bevolkingsgroep (hoewel dit woord ook in het Spaans is overgenomen, als marrón). Zie ook Akan-voornamen.

Bronnen van geschiedschrijving Gedeelten van de geschiedenis van de Surinaamse Marrons, vooral vanuit Nederlands perspectief, zijn met behulp van archiefmateriaal redelijk te reconstrueren. Voor het perspectief van de Marrons zijn geschiedkundigen ook aangewezen op orale overleveringen, het mondeling doorgeven van de belangrijke episoden uit hun geschiedenis, die niet zijn opgetekend in het nationaal archief.

Geschiedenis thumb|400px| miniatuur|Opperhoofd van de Bushinengue (Marrons van Suriname) bezoekt de gouverneur van Paramaribo, in de kolonie Nederlands Guyana, circa 1808. Tussen 1650 en 1830 brachten voornamelijk Nederlandse slavenhalers ruim een kwart miljoen Afrikaanse slaven naar Suriname (sommige bronnen spreken zelfs van 300.000 mensen). Daar werden zij op plantages te werk gesteld, eerst door de Engelsen in de tijd dat Suriname nog een Engelse kolonie was (1650-1667) en daarna door de Nederlanders.Anda Suriname De West Indische Compagnie had bij een octrooi van 1730 de verplichting om ieder jaar minstens 2500 slaafgemaakten te leveren aan de kolonie Suriname.

Zoals in alle plantagegebieden in de Nieuwe Wereld, probeerden ook de slaven in Suriname aan het ongewenste en vaak wrede slavenbestaan te ontsnappen door te vluchten. Vrijwel alle Surinaamse plantages lagen aan rivieren, met aan de achterzijde van het terrein moerassen en oerwouden. Deze woeste gebieden waren in de regentijd nauwelijks toegankelijk. Planters en Europese huursoldaten voelden zich er niet thuis. Met de slaven lag het anders; ze jaagden er en zowel mannen als vrouwen visten in de moeraspoelen. Sommigen beschikten bovendien over kleine korjalen. Met deze boomstamkano's konden ze door de kreken en moerassen varen. Blanken gingen bijna nooit mee op deze tochten, zodat de slaven veel meer kennis over de geografische gesteldheid van het terrein hadden dan hun meesters. Het was voor een slaaf daarom niet moeilijk zich ongemerkt van de plantage te verwijderen, overleven "achter de plantage" was daarentegen geen eenvoudige opgave.

Jaarlijks vluchtten er ongeveer 250 slaven, wat neerkwam op ongeveer een half procent van de slavenbevolking. De grote meerderheid – zo’n negentig procent – van deze vluchtelingen was van het mannelijk geslacht. Twee derden keerde na verloop van tijd uit eigen beweging terug, omdat het harde en opgejaagde bestaan in het oerwoud toch niet vol te houden bleek. Dat neemt niet weg dat elk jaar ongeveer tachtig slaven in de oerwouden achterbleven.

Marrons die in de bossen bleven gingen bij elkaar wonen, bouwden dorpen en trokken geleidelijk steeds verder het oerwoud in. De basis van alle Surinaamse marrongroepen werd de lo ('clan'). De omvang van die lo kwam in de beginperiode zelden boven de honderd personen uit. In de loop der tijd verenigden de lo zich tot stammen. Vanwege de geografische uitgestrektheid van Suriname en door het feit dat groepen marrons op verschillende momenten samenkwamen, is er nooit één grote stam ontstaan. Rond 1730 begonnen zich op zeker vier plaatsen uit de groepen lowéman zulke marronstammen te ontwikkelen.

Nederlandstalige naam in de eigen taal taal verspreidingsgebied Saramaccaners Saamaka Saramaccaans tussen de Suriname- en Saramaccarivier Aukaners of Okanisi Ndyuka Aukaans ten oosten van de Commewijnerivier Aluku of Boni's Aluku of Boni Aluku in het moeras ten oosten van de Cotticarivier Kwinti Kwiinti Kwinti tussen de Saramacca- en Coesewijnerivier Paramaccaners Paamaka Paramaccaans langs de Marowijnerivier Matawai, Matuariërs, Matuari, Matawari Matawai Matawai als afsplitsing van de Saramaccaners langs de Saramaccarivier

Leven van de marrons in Suriname thumb|Een marrontempel aan de Cotticarivier in 1948 (Klik op de afbeelding voor meer informatie) thumb|Een marronvrouw voor haar werkhut waar ze cassavebroden bakt. Foto begin 20e eeuw Na hun vestiging in groepen in het oerwoud bleven de voormalige slaven om benodigdheden zoals gereedschappen te verkrijgen vaak contact onderhouden met de slaven op de plantage van herkomst. Soms overvielen ze plantages, plunderden, stichtten brand en vermoordden blanken. Ook namen ze dan slaven, dikwijls vrouwen omdat daar in de bossen een tekort aan was, vrijwillig of onvrijwillig mee. Als reactie organiseerden planters en overheid gewapende patrouilles die de bossen introkken om nederzettingen van marrons op te sporen, de mensen gevangen te nemen of te doden en dorpen en akkers te verwoesten. De patrouilles vonden vaak dorpen en kostgronden, maar de bewoners waren meestal tijdig gevlucht.

Het platbranden van de dorpen door de koloniale machthebbers was voor de marrons geen ramp. Binnen enkele weken hadden ze weer nieuwe huizen gebouwd. De vernietiging van de gewassen op de velden was een veel ernstiger zaak, omdat dit tot hongersnood kon leiden. Daarom legden de marrons uit voorzorg de kostgronden op enige afstand van hun dorpen aan. Ook zorgden ze ervoor dat op verschillende akkers meer gewassen werden geteeld dan voor de voedselvoorziening strikt noodzakelijk was. In kibrikondres ('schuildorpen') werden deze extra producten opgeslagen.

Slaven die naar het oerwoud vluchtten, konden daar alleen in leven blijven als ze hun eigen voedsel verbouwden. Cassave werd voor de marrons het belangrijkste voedingsgewas. Het zwerflandbouwsysteem dat de marrons hanteren, is in de afgelopen 250 jaar weinig veranderd. Mannen kappen een stuk bos open en steken het terrein aan het eind van de grote droge periode (november) in brand. Mannen en vrouwen beplanten dan de op die manier ontstane kostgronden. Als de grond na enkele jaren is uitgeput, worden de gronden verruild voor andere. Na een jaar of tien keren de marrons terug in dit secundaire bos (kapuweri) om het van het tussentijds opgeschoten geboomte te ontdoen. Het voordeel van dit systeem is dat de gronden betrekkelijk weinig onderhoud vergen. De 'kost' groeit harder dan het onkruid. Uiteraard kan het systeem alleen voortbestaan bij een geringe bevolkingsdruk. De dorpen van marrons waren (en zijn nog steeds) omringd door fruitbomen.

Naast voedsel haalden de marrons uit de bossen nog een groot aantal andere producten voor hun economie. Ten eerste hout en bladeren voor de bouw van huizen. Van de bladeren van allerlei palmboomsoorten maakten de marrons korven, bezems, matten en zakken. De bomen leverden ook het bouwmateriaal voor de korjalen. Potten en pannen roofden de marrons van de plantages of maakten ze zelf uit klei. Kalebassen (godo) werden gebruikt om voedsel en dranken in te bewaren en om eruit te drinken. Uit de maripapalm haalden de marrons door verbranding van het hout zout. Textiel voor kleding, waaronder de kamisa, een door mannen over de schaamdelen gedragen doek, de pangi, de lendendoek voor vrouwen en de kwei, een door meisjes gedragen schaamdoekje na het verschijnen van het eerste schaamhaar, werd geweven. Hiervoor werd voornamelijk katoen gebruikt, waarschijnlijk van de kankantri.

Uit archieven en orale overlevering is vrij veel bekend over het leven van de marrons in de lowéten (‘de tijd van het weglopen’). Zo blijkt dat er in de dorpen aanzienlijk meer mannen woonden dan vrouwen, wat te verklaren is met het feit dat veel meer mannen dan vrouwen van de plantages vertrokken. Verder lagen de dorpen vaak op strategische plaatsen en waren ze dikwijls omringd door houten wallen. Op de toegangswegen legden de marrons valkuilen aan, gevuld met puntige staken.

Marronvrijheidsstrijders zijn onder meer: da Sipanyoo, da Otyeï, da Agidi Kadeti, da Kofi Tyapaanda, da Pakupaku, da Aingé, da Baai, Bayon Kwaku, Abonkiya, Adyáko Benti Basiton, ook bekend als Boston Bendt, Adoe, Alabi, Gbeku, Musínga, Boni, Baron en Broos.

Vredesverdragen Doordat steeds opnieuw kleine groepjes vluchtende slaven zich bij de marrons aansloten, was hun aantal in 1749 tot ongeveer 3000 toegenomen. De toenmalige gouverneur Jan Jacob Mauricius constateerde dat het de overheid en de planters niet lukte de marrons te beletten plantages te overvallen en steeds nieuwe vluchtelingen op te nemen. Hij wilde hen, net als in 1738 op Jamaica was gebeurd, vrede aanbieden. Door een gebrekkige organisatie mislukte dat echter. De vrede kwam er een jaar of tien later alsnog, maar met een andere marrongroep: de Aukaners.