De Roter Sand is een vuurtoren die in het zuidoostelijke deel van de Noordzee (Duitse Bocht) staat, in het estuarium van de Wezer. Het in 1885 voltooide gebouw is als lichtbaken buiten gebruik gesteld, maar desondanks wordt de toren nog steeds als markeringspunt en visueel object als verzekering gebruikt voor de ondiepte "Roter Sand". Vanwege deze ondiepte mogen zware schepen met een grote diepgang slechts op 1,5 zeemijl de toren passeren.
Beschrijving thumb|De grote erker. De gehesen vlag betekent dat er 's nachts gasten in de toren zijn. De vuurtoren Roter Sand heeft een totale hoogte van 52,5 meter, waarbij ook het fundament onder water wordt meegerekend. Bij laag tij bedraagt de hoogte boven de zeespiegel 30,7 meter. De lichthoogte ligt op 24 meter boven gemiddeld hoogwater.
Het fundament is rond van vorm en staat bij eb ongeveer 1,5 meter boven de waterspiegel uit. Daarboven versmalt de toren zich. Hij heeft een rood-witte kleur en de ongeveer acht meter hoge voet is zwart. De kleurvolgorde is wit-rood-wit-rood-wit, waarbij de vijf kleuren tegelijkertijd de vijf verdiepingen markeren. Onderaan bij de onderste witte ring bevindt zich de toegangsdeur.
De onderste ruimte dient als opslagruimte. Een trap leidt naar de slaapkamer erboven. Daarna volgen de verdiepingen met de keuken met kolenkachel, kastjes en een beklede zitbank en de dienstruimte met een grote tafel en stoelen. Vanuit deze verdieping springen drie erkers naar buiten. Twee van hen hebben dezelfde hoogte als de vloer, terwijl de derde erker nog hoger ligt. Die erkers herbergden vroeger de lichten en nevenlichten en wijzen naar het noordwesten, zuiden en noordoosten. Vanuit de dienstkamer is nog een trap die toegang geeft tot het balkon dat rond het lichthuis met koperen koepel ligt. Een volledige rondgang is niet mogelijk omdat een hoge erker het pad blokkeert.
In de jaren 1940 zag de ruimte-indeling er nog anders uit. In die tijd was ook het zwart geschilderde onderruim toegankelijk en diende als opslagruimte. Op de huidige laagste vloer bevond zich toen de techniek voor de stroomvoorziening.
Techniek Geschiedenis van de techniek Het eerste licht van de vuurtoren was een petroleumbrander met twee pitten. Het kenmerk ontstond door afschermplaten, die door een uurwerk geopend en gesloten werden en aangestuurd werden door een door de hele torenschacht voerende ketting met gewichten. Het kenmerklicht van de erkers in het noordwesten en zuiden hadden beide een vast licht. Als lichtbron werden er eenpittige Argandse petroleumlampen gebruikt. Voor de toegang tot de Außenweser werd er in de noordoostelijke erker een tweepittige Argandse lamp als nevenlicht geïnstalleerd.
Reeds een jaar na de ingebruikname van de toren in november 1885, ging men elektrische booglampen gebruiken. Voor de benodigde stroom werd de vuurtoren door een zeekabel verbonden met Wangerooge. Na de inbouw van de booglampen werd het torenkenmerk veranderd en werden de niet meer benodigde kenmerklichten in de erkers verwijderd. Het nevenvuur in de grote erker bleef branden. Aangezien de kabelverbinding vaak werd onderbroken, besloot men om terug te gaan naar petroleumlampen.
In de vroege jaren 1940 werd in het lichthuis een groot gordellicht met gloeilampenlicht en wisselinstallatie ingebouwd. het nevenlicht in de noordoostelijke erker bleef branden en kreeg bovendien een telegraafinrichting en een geluidszender. Als lichtbron werd sinds 1945 propaangas met een gasgloeilamp gebruikt. De vuurtoren Roter Sand werd opnieuw geëlektrificeerd in 1947 met dieselaggregaten met ongeveer 110 volt gelijkspanning. Deze voorzagen de hele toren van stroom en geladen de nikkel-ijzer-batterijen voor gebruik in de nacht. Door de nu zekere stroomvoorziening konden 1.000-Watt-lampen gebruikt worden, hetgeen de reikwijdte van het licht aanzienlijk deed toenemen.
Enige tijd later werd het lichthuis op het balkon door een nieuwe vervangen.
Met de ingebruikname van de vervangende vuurtoren Alte Weser in 1964 werd in Roten Sand een automatisch aangestuurde klein propaangaslicht ingebouwd.
thumb|De huidige (2008) zich voor illustratieve doeleinden in het lichthuis bevindende optiek.
Laatste licht Het gordellicht werd net als het gehele lichtapparaat in Berlijn gemaakt.
Het hoofdlicht, een Fresnel-apparaat, had een diameter van 3,3 meter en bevond zich op 27 meter hoogte boven het water. Hij diende voor de opvaart van de Neue Weser en had een witte flits. Het kenmerk was: 1,25 seconde flits, 1,25 seconde pauze, 1,25 seconde flits, 4 seconden pauze. Het licht was in verschillende sectoren als witte lichtbundel te zien. Van N 68' W via het zuiden tot S 46' 0 had het een reikwijdte van tien zeemijlen. Eenzelfde reikwijdte had het licht tussen N 75' W en N 82' W en tussen 36' 0 und S 40' 0. Tussen N 82' W via het zuiden tot S 36' 0 was het te zien als een witte flits met gelijkmatig opeenvolgende flitsen. De duur van de flits en de verdonkering bedroeg elk ongeveer 1,25 seconden. Van N 68' W tot N 75' W en bovendien van S 40' 0 tot S 46' 0 was het hoofdlicht ook als wit flitslicht te zien, inderdaad met twee snelle opeenvolgende flitsen, waarna een verdonkering van ongeveer vier seconden volgde. Het hoofdlicht werd in 1964 gedoofd.
Daarnaast bestond er ook een nevenlicht richting in de naar het noordoosten gerichte erker op 22,9 meter boven hoogwater. Dit licht, een Fresnel-apparaat V, diende voor de opvaart van de Alte Weser en was een stevig wit licht van N 25' W via het noorden tot N 41' 0 op ongeveer acht zeemijlen zichtbaar. De bijbehorende vaste sectorlichten waren wit met een reikwijdte van 10 zeemijlen, rood met een reikwijdte van zeven zeemijlen en groen met een reikwijdte van slechts zes zeemijlen. De nevenlichten werden in november 1986 gedoofd.
Daarnaast waren er ook nog twee kleine Fresnel-apparaten (V) als oriëntatielicht in de noordwestelijke en zuidelijke erker. De eerstgenoemde gaf licht richting N 68' W via het westen tot S 77' W, de laatstgenoemde naar S 28' 0 tot S 46' 0. Beiden hadden een vast wit licht en een reikwijdte van twee tot twee en een halve mijl.
Geschiedenis Eerste ideeën thumb|Vuurtoren "Roter Sand", 2005 In 1875 bevonden zich twee lichtschepen in de Außenweser met als opgave de vaarweg te markeren en te beveiligen. In 1878 kwamen de Weser-bewoners van Bremen, Oldenburg en Pruisen overeen om samen de zeebebakening te regelen. De Pruisische minister van Handel kwam met het voorstel om een ander lichtschip in de Außenweser af te meren. Dit werd echter afgewezen omdat onderzoek heeft aangetoond dat het uitzetten van een lichtschip op de mosselbank Roter Sand onmogelijk was. In plaats daarvan kwam het Tonnen- und Bakenamt Bremerhaven nog in hetzelfde jaar met een tegenvoorstel om een vaste toren op te richten op de rand van de zandbank, hetgeen snel werd aangenomen omdat de kosten voor een vuurtoren lager ingeschat werden dan die voor een lichtschip.
Op 23 augustus 1878 voeg men inspecteur Hanckes, de toenmalige havendirecteur, een ontwerp voor de geplande toren voor te bereiden. Het voorgestelde plan van Hanckes voorzag een bouwwerk met een basis rustende op een caisson. Bijna twee jaar later, op 15 september 1880 eindigde de nationale aanbesteding voor de bouw van de vuurtoren en twee bedrijven dienden een schatting in. Bavier, Kunz & Weiß uit Bremen vroegen 445.000 Goldmark (naar huidige koopkracht ongeveer 7.929.900 euro), terwijl de schatting van Harkort uit Duisburg bijna 480.000 Goldmark (8.553.600 euro) bedroeg.Informationsbroschüre des Fördervereins „Rettet den Leuchtturm Roter Sand e.V.“ aus dem Juli 1995, Seite 16 Vanwege de lagere kosten is de keus op 2 oktober gevallen op de eerstgenoemde uit Bremen.
Bouw thumb|Aflossing bij de vuurtoren Roter Sand in 1931. thumb|De vuurtorenwachter verlaat de toren door middel van een transportkorf in 1929.
In de wintermaanden van 1880/1881 werd in de Kaiserhafen in Bremerhaven het caisson gebouwd. De levering vond plaats in goede weersomstandigheden op 22 mei 1881, toen twee stoomsleepboten begonnen met het verslepen van het bouwwerk naar de bouwplaats. Daar kwamen ze op 26 mei aan, daar ze het caisson onderwijl losgelaten hadden en op een zandbank vastgelopen was. Men kon het caisson in de ochtend van de volgende dag vrijslepen. Op het Roten Sand werd het caisson ongeveer 22 meter onder het laagwaterniveau afgezonken, in de zeebodem gespoeld en met beton gevuld. Daartoe zette men de binnenzijde onder druk, zodat het kort als duikkamer fungeerde. Ze waren nog maar nauwelijks begonnen, alvorens het caisson in problemen kwam. De werkzaamheden werden afgebroken tot na de jaarlijkse pinksterstorm die het caisson weer opgeheven had. Door deze vertraging was het niet mogelijk om het caisson met genoeg beton te vullen voor het aanbreken van zware herfststormen. Op 13 oktober 1881 werd het caisson in een zware stormvloed vernietigd en zonk. Daarmee was de eerste poging mislukt.
Het bouwbedrijf Bavier, Kunz & Weiß werd zo hard door deze tegenslag getroffen dat het faillissement moest aanvragen. Daarna diende Hanckes op 7 maart 1882 een aanvraag in voor het ondernemen van een tweede poging. Deze keer rekende Harkort een prijs van ongeveer 853.000 Goldmark (15.200.460 Euro), die overeenkwam met een bijna verdubbeling van de eerdere schatting. Het contract werd ondertekend op 31 augustus 1882. De feitelijke tweede poging startte op 21 september. In de winter van 1882/1883 werd in de Kaiserhafen in Bremerhaven een nieuwe caisson gebouwd die stabieler was als de vorige. Deze had een hoogte van 18,5 meter, kwam gereed in het voorjaar van 1883 en werd op 26 mei versleept. Ongeveer 1100 meter ten noorden van de oude locatie, werd het caisson twee dagen later met succes afgezonken. Daarna werden de zijwanden verhoogd en het caisson door handwerk met 316 kubieke meter beton gevuld. Deze keer overleefde hij de herfststormen goed die slechts kleine schade veroorzaakten. Op 22 mei 1884 was het fundament van de vuurtoren voltooid.
Op 10 juni van dat jaar begonnen ze aan de bouw en in juli met de werkzaamheden aan de torenschacht, zodat de toren begin november al opgetrokken was tot de derde verdieping. Het onderste niveau werd bekleed met metselwerk en voorzien van vuurvaste deken. Rond deze tijd werden op 3 november 12 werklui in de toren gestationeerd om het interieur af te maken, terwijl het verzorgingsschip de goederen leverde. Vanaf begin december tot april 1885 kon er niet gewerkt worden aan de toren wegens ongunstige weersomstandigheden. In de zomer van 1885, op 10 augustus, werd de woonruimte, de erkers en het lichthuis voltooid, waarna men begon met de installatie van verlichting.
Op 23 oktober volgde de inspectie door inspecteur Hanckes. Acht dagen later werd op 1 november 1885 0:00 het vuur ontstoken. Slechts zeven jaar na de eerste plannen was de vuurtoren Roter Sand voltooid. Hij was het eerste offshore-bouwwerk uit de geschiedenis en geldt als een bouwkundige en technische pioniersprestatie van zijn tijd.
Gebruik van 1885-1964 Bijna 35 jaar lang deed de vuurtoren zonder problemen zijn plicht. In de jaren 1920 verloor hij echter aan betekenis door verschuiving van de zandbanken en de daaruit voortvloeiende verandering van de vaarwegen, maar bleef voor de Jade en de Außenweser toch heel belangrijk.