Indifferentisme is in de katholieke theologie een verzamelnaam voor opvattingen waarbij verschillen tussen godsdiensten voor religieuze waarheid of voor het heil als uiteindelijk onbelangrijk worden beschouwd. In de negentiende-eeuwse katholieke leer werd met de term in het bijzonder de opvatting bestreden dat iemand ongeacht de aangehangen godsdienst het eeuwige heil zou kunnen bereiken.Paus Gregorius XVI, encycliek Mirari vos, 15 augustus 1832, nrs. 13–14. In modernere kerkelijke documenten wordt een verwante opvatting aangeduid als religieus relativisme wanneer daarmee wordt bedoeld dat de ene godsdienst voor waarheid en heil in wezen even goed zou zijn als een andere.Paus Johannes Paulus II, encycliek Redemptoris missio, 7 december 1990, nr. 36.Congregatie voor de Geloofsleer, verklaring Dominus Iesus, 6 augustus 2000, nrs. 4 en 22.
Indifferentisme moet worden onderscheiden van zowel praktische religieuze onverschilligheid, een gebrek aan belangstelling voor godsdienst, als van het burgerlijke recht op godsdienstvrijheid. Het Tweede Vaticaans Concilie omschreef godsdienstvrijheid als immuniteit tegen dwang door personen, maatschappelijke groepen of de overheid en verbond dit recht met de menselijke waardigheid. Tegelijk stelde het concilie dat deze burgerlijke vrijheid de morele verplichting om religieuze waarheid te zoeken niet opheft.Tweede Vaticaans Concilie, verklaring Dignitatis humanae, 7 december 1965, nrs. 1–3.
Begrip en afbakening
De term indifferentisme kreeg in het katholieke taalgebruik vooral betekenis in de achttiende en negentiende eeuw. Hij werd toegepast op uiteenlopende opvattingen die volgens katholieke auteurs gemeen hadden dat zij het onderscheid tussen ware en onware godsdienst relativeerden. De precieze inhoud varieerde daardoor naar periode en auteur. Het begrip kon zowel slaan op de stelling dat verschillende religies dezelfde waarheidswaarde bezitten als op de opvatting dat de concrete godsdienst die iemand belijdt voor diens uiteindelijke heil geen wezenlijk verschil maakt.
Deze doctrinaire betekenis verschilt van religieuze tolerantie. Iemand kan andere geloofsovertuigingen burgerlijke vrijheid toekennen zonder te stellen dat alle geloofsovertuigingen daarom ook theologisch gelijkwaardig zijn. Hetzelfde onderscheid speelt in de katholieke leer over godsdienstvrijheid sinds het Tweede Vaticaans Concilie.
Ook religieus relativisme is geen volledig synoniem van indifferentisme. In katholieke documenten uit de late twintigste eeuw worden beide begrippen echter met elkaar verbonden wanneer relativisme leidt tot de overtuiging dat de ene godsdienst voor waarheid of heil niet wezenlijk verschilt van de andere.
Negentiende eeuw
Leo XII
Een vroege negentiende-eeuwse pauselijke veroordeling staat in de encycliek Ubi primum van Leo XII uit 1824. Leo XII gebruikte daarin de woorden tolerantisme en indifferentisme voor een opvatting volgens welke een mens zonder gevaar voor zijn heil de religieuze richting zou kunnen kiezen die hij zelf verkoos. Hij verbond het verschijnsel daarnaast met deïsme en naturalisme.Paus Leo XII, encycliek Ubi primum, 5 mei 1824.
Deze uitspraken ontstonden in een Europese context waarin de verhouding tussen kerk, staat en individuele gewetensvrijheid ingrijpend veranderde. Vanaf de Franse Revolutie kregen godsdienstvrijheid en de persoonlijke keuze van godsdienst in Frankrijk een nieuwe juridische en politieke betekenis. Historicus Thomas Kselman beschrijft hoe in het postrevolutionaire Frankrijk het oudere begrip tolerantie geleidelijk plaatsmaakte voor een sterker begrip van religieuze vrijheid als individueel recht.
Lamennais en Mirari vos
Een belangrijke context voor de katholieke debatten over gewetens- en godsdienstvrijheid werd gevormd door Félicité de Lamennais. Lamennais had aanvankelijk een uitgesproken ultramontaanse positie, maar ging na de revoluties van 1830 pleiten voor een combinatie van katholicisme, scheiding van kerk en staat en burgerlijke vrijheden, waaronder persvrijheid. Met onder anderen Henri Lacordaire en Charles de Montalembert verdedigde hij deze denkbeelden via het tijdschrift L'Avenir.
Tegen deze bredere achtergrond verscheen op 15 augustus 1832 de encycliek Mirari vos van Gregorius XVI. Daarin omschreef de paus indifferentisme als de opvatting dat het eeuwige heil door om het even welke geloofsbelijdenis kon worden verkregen wanneer iemand maar zedelijk juist leefde. In dezelfde encycliek verbond Gregorius XVI dit indifferentisme met een door hem afgewezen opvatting van vrijheid van geweten. De politieke en juridische betekenis van gewetensvrijheid in de negentiende eeuw verschilde daarbij van de formulering van godsdienstvrijheid die de Katholieke Kerk tijdens het Tweede Vaticaans Concilie zou aannemen.
Gregorius XVI veroordeelde later ook de politieke en religieuze ontwikkeling van Lamennais. Kselman beschouwt diens ontwikkeling als onderdeel van de bredere negentiende-eeuwse strijd binnen het katholicisme over de verhouding tussen kerkelijk gezag, geweten en politieke vrijheid.
Pius IX en de Syllabus errorum
Onder Pius IX kreeg de bestrijding van indifferentisme opnieuw een plaats in pauselijke documenten. Bij de encycliek Quanta cura van 8 december 1864 werd de Syllabus errorum gevoegd, een lijst van tachtig eerder veroordeelde stellingen. Een afzonderlijke afdeling draagt de titel „Indifferentisme, latitudinarisme”. Daarin worden onder meer de stellingen verworpen dat ieder vrij is de op grond van zijn eigen rede als waar beschouwde godsdienst te kiezen, dat mensen door de beoefening van om het even welke godsdienst het eeuwige heil kunnen bereiken en dat het protestantisme slechts een andere vorm van dezelfde ware christelijke godsdienst zou zijn.Paus Pius IX, Syllabus errorum, 8 december 1864, afd. III, stellingen 15–18.
De Syllabus werd tevens onderdeel van een bredere negentiende-eeuwse controverse over gewetensvrijheid, religieuze tolerantie en de verhouding tussen kerk en staat. De ontvangst ervan leidde tot uiteenlopende interpretaties over de reikwijdte van de pauselijke veroordelingen.
Tweede Vaticaans Concilie
De katholieke benadering van burgerlijke godsdienstvrijheid veranderde in de twintigste eeuw aanzienlijk. Het Tweede Vaticaans Concilie nam op 7 december 1965 de verklaring Dignitatis humanae aan. Daarin stelde het concilie dat ieder mens een burgerlijk recht op godsdienstvrijheid bezit. Dit recht werd omschreven als het recht gevrijwaard te blijven van dwang, zodat niemand gedwongen mag worden tegen zijn overtuiging te handelen of, binnen rechtmatige grenzen, verhinderd mag worden overeenkomstig zijn religieuze overtuiging te handelen.
Het concilie presenteerde deze vrijheid niet als een gevolg van de veronderstelling dat alle religieuze overtuigingen even waar zijn. Dignitatis humanae verbond het recht juist met de waardigheid van de menselijke persoon en maakte onderscheid tussen de burgerlijke vrijheid van dwang en de morele vraag naar religieuze waarheid. De totstandkoming en betekenis van deze verklaring behoren tot de uitvoerig besproken onderwerpen in de geschiedschrijving van het Tweede Vaticaans Concilie.
De verhouding tussen deze conciliaire verklaring en negentiende-eeuwse pauselijke uitspraken over gewetens- en godsdienstvrijheid is onderwerp van wetenschappelijk debat. Michael J. Perry spreekt van een duidelijke verandering van richting in de katholieke benadering van het burgerlijke recht op godsdienstvrijheid en onderzoekt welke historische en theologische factoren die verandering mogelijk maakten. Carlos Soler beschrijft eveneens een belangrijke herziening, maar verdedigt tegelijk dat er continuïteit bestaat in de onderliggende doctrinaire bedoeling.
Andere godsdiensten en heil
De afwijzing van indifferentisme betekent in de hedendaagse katholieke leer niet dat uitsluitend personen die zichtbaar lid zijn van de Katholieke Kerk onder alle omstandigheden tot het heil kunnen komen. De dogmatische constitutie Lumen gentium stelt dat mensen die buiten hun eigen schuld het evangelie van Christus en zijn Kerk niet kennen, maar God oprecht zoeken en naar hun geweten proberen te handelen, het heil kunnen bereiken.Tweede Vaticaans Concilie, dogmatische constitutie Lumen gentium, 21 november 1964, nr. 16.
Ook de verklaring Nostra aetate uit 1965 stelt dat de Katholieke Kerk niets verwerpt van wat zij in andere godsdiensten als waar en heilig beschouwt en roept zij op tot dialoog en samenwerking met hun aanhangers. Tegelijk handhaaft het document de specifiek christelijke aanspraak dat de volheid van het religieuze leven in Christus wordt gevonden.Tweede Vaticaans Concilie, verklaring Nostra aetate, 28 oktober 1965, nr. 2.
Hierdoor maakt de katholieke leer onderscheid tussen enerzijds de mogelijkheid dat niet-katholieken of niet-christenen het heil ontvangen en anderzijds de stelling dat alle godsdiensten als zodanig dezelfde waarheid of dezelfde heilsbetekenis zouden hebben.
Latere katholieke leer
In de encycliek Redemptoris missio uit 1990 omschreef Johannes Paulus II religieus relativisme als een kenmerk van een verbreid indifferentisme wanneer dit leidt tot de overtuiging dat de ene godsdienst even goed is als de andere. Daarmee werd het oudere begrip indifferentisme verbonden met de modernere discussie over religieus relativisme.
De Congregatie voor de Geloofsleer werkte deze problematiek in 2000 verder uit in de verklaring Dominus Iesus. Het document verzette zich tegen theorieën waarin religieus pluralisme zo wordt opgevat dat verschillende religies principieel als gelijkwaardige wegen van heil gelden. Tegelijk erkende de verklaring dat aanhangers van andere godsdiensten goddelijke genade kunnen ontvangen. De mogelijkheid van heil buiten de zichtbare grenzen van de Katholieke Kerk wordt daarmee onderscheiden van de indifferentistische stelling dat de keuze tussen religies voor waarheid of heil zonder betekenis zou zijn.
Literatuur
Zie ook
Extra ecclesiam nulla salus Godsdienstvrijheid Gewetensvrijheid Latitudinarinisme Relativisme Oecumene
Externe link Religious Indifferentism, Catholic Encyclopedia, 1913
Categorie:Katholieke leer Categorie:Rooms-Katholieke Kerk