Dit is een lijst van historische Nederlandse netnummers (tot 1995).
thumb|350px|De indeling in telefoondistricten rond 1952. De eerste twee cijfers na de nul van het netnummer gaven het district aan. thumb|350px|Voorbeeld van de opdeling binnen een district: schematische kaart van telefoondistrict Alkmaar, jaren 1950
Eerste proeven Vanaf 6 april 1929 werd een proef gedaan met de telefoonnetten van Arnhem, Velp, Dieren en Oosterbeek, waarbij een extra cijfer (respectievelijk 2, 3, 4 of 5) voor de bestaande lokale nummers werd gevoegd, dat altijd gekozen moest worden, ook voor een lokaal gesprek. Voor een interlokaal gesprek (naar een nummer met een ander begincijfer) werden vier "tikken" berekend, voor een lokaal gesprek één tik.De automatiseering van de rijks-streeknetten: het streeknet Arnhem–Rheden–Oosterbeek, Algemeen Handelsblad, 30 maart 1929
Op 10 juni 1934 (dus ruim een jaar nadat met de automatisering van de sector Wageningen de eerste netnummers geïntroduceerd werden) werd dit "streeknet" opgeheven en weer gesplitst in de netten Arnhem (0300), Velp (0302), Dieren (0330) en Oosterbeek (0307).Telefoondistrict Arnhem, Arnhemsche Courant, 5 juni 1934
Nummerplan in de jaren 1930 In 1930 werd een nummerplan ontworpen voor landelijk gebruik; dit voorzag in de indeling in de huidige telefoondistricten plus een district Beilen, dat na de oorlog opgeheven zou worden, en nog zonder Lelystad. Elk district heeft maximaal tien sectoren, met elk weer maximaal tien telefoonnetten. Er kwamen driecijferige netnummers (toen nog kengetallen genoemd), met de voorafgaande nul (het interlokaal toegangsnummer) dus viercijferig. Met het eerste cijfer na de nul koos men het district, met het volgende cijfer de sector en met het laatste cijfer het telefoonnet. Er waren echter twintig districten en doordat er maar één districtscijfer was, waren slechts negen districten automatisch bereikbaar, namelijk het eigen district en een aantal naburige districten. Als er nog eerste cijfers over waren dan werden verder afgelegen districten toegevoegd waarmee het meeste verkeer werd afgewikkeld. De districten Amsterdam, Rotterdam en Utrecht waren vanuit alle districten bereikbaar. Het verkeer liep via groepscentrales, te weten Amsterdam, Arnhem, 's-Hertogenbosch, Rotterdam en Zwolle. Men had berekend dat op deze manier 85% van de gesprekken automatisch afgehandeld zou kunnen worden. Automatiseren van de laatste 15% was zo kostbaar dat men dat niet verantwoord achtte. In die jaren moest de minister deze investering goedkeuren en dat ging met dit plan al moeizaam. Voor de overige verbindingen zou de telefoniste nodig blijven. Hierdoor zou ook de asymmetrische situatie ontstaan dat bijvoorbeeld wel automatisch van Leeuwarden naar Amsterdam zou kunnen worden gebeld, maar niet in de andere richting (uiteindelijk werd deze verbinding pas automatisch na de aanpassing van het nummerplan). De nummers van de sectoren en lokale netten waren, op details na, dezelfde als in het latere nummerplan.
Dit nummerplan werd in de jaren 1933 tot 1938 gebruikt bij de automatisering van het interlokale telefoonverkeer. Zo waren de districten Amsterdam (09), Alkmaar (04), Haarlem (05) en Utrecht (07) onderling bereikbaar, maar hadden zowel Arnhem als Maastricht het nummer 03, en had ook Nijmegen het nummer 05.
Eind jaren 30 Eind 1937 besloot men om toch het hele land onderling automatisch te verbinden. Om dit mogelijk te maken werd een extra cijfer na de nul toegevoegd. Dit cijfer verschilde per groepscentrale: voor Rotterdam was dit 1, voor Amsterdam 2, 's-Hertogenbosch 4, Zwolle 5 en Arnhem 8. Twee districtscentrales kregen echter een ander "groepsnummer" dan de groepscentrale waar ze bij hoorden: Deventer 6 (in plaats van 5) en Utrecht 3 (in plaats van 2); daar zaten vrij complexe technische redenen achter. Het daaropvolgende cijfer bleef in slechts zeven van de twintig gevallen gelijk.
Deze omschakeling vond plaats tussen maart 1938 en juli 1940. Sommige districten waren toen nog niet geautomatiseerd en kregen dus direct een nummer volgens het nieuwe plan; bij deze districten staat in onderstaande tabel het ooit toegekende, maar niet gebruikte districtsnummer tussen haakjes.
thumb|350px|Oorspronkelijk, slechts zeer ten dele uitgevoerd plan voor de indeling van Nederland in telefoondistricten, met de geplande hoofdverbindingen tussen de groeps- en districtscentrales District oud nieuw datum van omnummering Goes 011.. - Breda 04.. 016.. 017.. - Rotterdam 018.. - Alkmaar 04.. 022.. Haarlem 05.. 025.. Amsterdam 09.. 029.. Utrecht 07.. 034.. 041.. - Maastricht 03.. 044.. Venlo 06.. 047.. Eindhoven 049.. - Leeuwarden 1 01.. 051.. Zwolle 02.. 052.. Hengelo 06.. 054.. Beilen 055.. - Groningen 059.. - Deventer 04.. 067.. Arnhem 03.. 083.. Nijmegen 05.. 088..
Daarmee had dus elk telefoonnet een nummer van vijf cijfers volgens een nationaal nummerplan. De districten waren technische én administratieve eenheden binnen de toenmalige PTT, met een eigen directie. Enkele districten waren echter zogenaamde "technische districten" (Alkmaar, Deventer, Eindhoven, Goes, Nijmegen, Venlo en vanaf 1961 Lelystad): zij hadden geen eigen directie en vielen administratief onder een naburig district. Het district Leeuwarden had meer dan tien sectoren en kreeg daarom uiteindelijk, vlak voor de afronding van de automatisering in 1962, nog een tweede districtscode erbij: 056.
Het duurde nog tot 29 juni 1955Alle telefoondistricten thans automatisch verbonden, De Tijd, 30 juni 1955 totdat alle districten onderling automatisch bereikbaar waren, maar nog tot ongeveer 1960 was dit voor verbindingen tussen sommige districten beperkt tot de avond en het weekend ("AZZ-verkeer"), omdat er niet genoeg lijnen beschikbaar waren voor automatisch verkeer door de week overdag. In 1960 werd Scheerwolde, het laatste handmatig bediende telefoonnet dat niet 24 uur per dag bereikbaar was, geautomatiseerd, waardoor heel Nederland continu bereikbaar was geworden. Op 22 mei 1962 werd met de sector Warffum de automatisering van de Nederlandse telefoon voltooid. Na Zwitserland werd Nederland het tweede land ter wereld dat geheel automatisch bereikbaar was.
Het verzet tijdens de oorlog Tijdens de Duitse bezetting was het nog lang niet mogelijk door het hele land automatisch te telefoneren. Pas in 1962 was heel Nederland geautomatiseerd. Het was bijvoorbeeld mogelijk automatisch te bellen van Den Haag naar Utrecht en van Utrecht naar Zwolle, maar niet direct van Den Haag naar Zwolle.
Twee telefoontechnici uit het verzet, J.H. Schuilenga en J.P. Posthuma, slaagden er eind 1942 echter in interlokale verbindingen over langere afstand mogelijk te maken. Hiervoor werd in diverse centrales illegaal apparatuur geïnstalleerd. Een verzetsstrijder in Den Haag kon dan een nummer in Utrecht kiezen waarmee hij opnieuw verbinding kreeg met een kiesregister, waarna hij een nummer in Zwolle koos. In 1943 werd dit net verder uitgebreid.
Dankzij deze clandestiene apparatuur konden verzetsstrijders veel sneller telefoneren dan via een telefoniste, en bovendien werden hun gesprekken nergens geregistreerd.Zelfbescherming, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 7, L. de Jong, pp. 1018-1022Telefoonverbindingen, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10b, L. de Jong, pp. 509-517
Verkorte netnummers In de loop der tijd kregen veel steden een verkort netnummer van drie cijfers, dat niet meer hetzelfde was als de begincijfers van het district waartoe ze behoorden. Hiervoor werden nummers gebruikt die niet in gebruik waren als districtcode (055 voor Apeldoorn werd hergebruikt van het opgeheven district Beilen).
De oudste verkorte netnummers eindigden op een nul. Er was namelijk geen districtcode die op nul eindigde. Zo was er in elke zone één verkort nummer beschikbaarZones zijn 01, 02, 03 enz. Rotterdam, Amsterdam en Utrecht kregen ze het eerst: 010, 020, 030, in de jaren 50. Voor 's-Gravenhage, in zone 01, was geen verkort nummer eindigend op nul meer beschikbaar en daarom werd zone 07 gecreëerd, zodat 's-Gravenhage in de jaren 50 nummer 070 kon krijgen. Eind jaren 60 volgden Eindhoven (040) en Groningen (050). In 1967 werd besloten dat een verkort netnummer niet per se op nul hoefde te eindigen (wel moest een verkort nummer niet in gebruik zijn als districtcode) en kon Haarlem 023 krijgen. Vanaf dan volgden veel andere steden, waaronder Nijmegen (080) met het laatste driecijferige nummer dat op een nul eindigde, en de serie 071-079, verspreid over het hele land. Hekkensluiters waren Leeuwarden (058) in 1982, Zwolle (038), Sittard (046) in 1990 en Almere (036) in 1992.
De verkorte nummers lagen meestal in dezelfde zone, dat wil zeggen dat het cijfer na de nul gelijk bleef. Uitzonderingen waren Tilburg (04250 werd 013) in 1972, Hilversum (02150 werd 035) in 1976 en Zwolle (05200 werd 038) in 1983.
Veel kleine netten werden door nabijgelegen netten geannexeerd; in het algemeen gebeurde dit wanneer de bebouwde kommen van de plaatsen samengroeiden.
Notatie Tot begin jaren 1950 werd de eerste nul van het netnummer geschreven als "K". Vroege Nederlandse automatische telefoontoestellen hadden een kiesschijf met naast de cijfers 1 t/m 9 en 0 ook nog de letters A t/m H, J en K, zodat de 0 overeenkwam met de K. Volgens sommigen stond K voor "kengetal", een term die overigens al in 1938 officieel werd veranderd in "netnummer", maar in de volksmond nog in de 21e eeuw door sommigen wordt gebruikt. Men schreef K5427-1204 voor een nummer in Haaksbergen dat in de moderne notatie 05427-1204 zou zijn. In de eerste tijd werd het netnummer vaak ná het abonneenummer geschreven, bijv.: "1204 (K5427)".
Subdistricten In twee gevallen kregen belangrijke sectoren in een district een eigen centrale met bijbehorende netnummers.
In 1953 werd uit twee sectoren van het district 's-Hertogenbosch (041) het subdistrict Tilburg gevormd, waar de netnummers met 042 begonnen. Gesprekken voor het subdistrict 042 konden dan direct bij de eigen centrale binnenkomen. Doordat de sectornummers niet overlapten (Tilburg had bijvoorbeeld 04250 maar er was geen 04150) kon de districtscentrale ook fungeren als "overloopcentrale": bij onvoldoende capaciteit konden gesprekken alsnog via de districtscentrale 041 worden afgehandeld.
In 1967 werd de knooppuntcentrale van de sector Hilversum (0295) van het district Amsterdam (029) een subdistrictscentrale. Het toen nieuwe subdistrict Hilversum (021) werd administratief echter gevoegd onder district Utrecht (034), dat daarmee het tweede telefoondistrict werd met een subdistrict.
Dienstnummers Begin jaren 1970 werden er in elk district netnummers ingevoerd voor intern gebruik. Deze netnummers eindigden op 01, dus in Groningen was het 05901. Hierdoor was het mogelijk een PTT-dienst in een ander district te bereiken. Door in elk district de cijfers 01 te gebruiken, kon het PTT-personeel de dienstnummers uit het hoofd kennen. Bijvoorbeeld: Wie de storingsdienst in Groningen wilde bellen, koos niet 007 (storingsdienst in het eigen district) maar 05901-107. Om dit mogelijk te maken moesten sommige netnummers veranderd worden, bijvoorbeeld 05401 werd 05404 en 05901 werd 05900,De stad Groningen, 05900, had toen al nummer 050. zodat 05401 en 05901 vrij kwamen voor de dienstnummers.
Decibel In oktober 1995, met Operatie Decibel, werden de vijfcijferige netnummers afgeschaft. De sector Almelo had de primeur en was al iets eerder viercijferig geworden. De meeste netnummers werden viercijferig, hetgeen meestal betekende dat het laatste cijfer van het netnummer verviel, zodat alle netten binnen een sector één enkel net gingen vormen. Een uitzondering gold als er een verkort netnummer binnen de sector was — in dat geval kreeg de hele sector dat verkorte netnummer. Vanaf Operatie Decibel was een telefoonnet ('netnummergebied') hetzelfde als een sector.
Overzicht van districts- en sectorhernummeringen