thumb|Het Potala-paleis, voorheen het winterpaleis van de dalai lama's en bestuurscentrum van Tibet thumb|Het Potalapaleis in 1661
De regenten in historisch Tibet, desi's in het Tibetaans, zijn regenten die sinds de vijfde dalai lama de regering van historisch Tibet in handen hadden in tijden dat de reïncarnatie van een overleden dalai lama nog niet gevonden was of de dalai lama nog te jong was om te regeren. Aanvankelijk had de desi taken die vergelijkbaar waren met een premier met zeer uitgebreide bevoegdheden. Vanaf eind 18e eeuw veranderde dit in taken vergelijkbaar met een regent.
Gedurende de 300 jaar dat verschillende regenten over Tibet regeerden, is het woord desi in de Tibetaanse context in betekenis gewijzigd. In feitelijk en historisch opzicht was de hoogste macht in Tibet gedurende het overgrote deel van deze periode in handen van regenten.
Voor het grootste deel van de periode vanaf 1720 waren er naast de regent en/of dalai lama nog een of twee gouverneurs als bestuurders aanwezig waren die gezonden waren vanuit Peking, ambans genaamd.
Periode 1640-1720 thumb|De vijfde dalai lama Rond 1640 vestigde de gelugtraditie na decennia van burgeroorlog in Tibet met hulp van een aantal Mongoolse krijgsheren onder leiding van Güshri Khan de suprematie van hun traditie in Tibet. Deze duurde in wezen tot de Tibetaanse diaspora in 1959.
De vijfde dalai lama Ngawang Lobsang Gyatso was de eerste dalai lama die werkelijk politieke en bestuurlijke macht over Tibet verkreeg. In de werkelijkheid liet ook deze dalai lama het politieke, bestuurlijke en administratieve management van het land over aan een door hem benoemde functionaris met de titel desi. In wezen ging het om een soort minister-president met zeer uitgebreide bevoegdheden.
De eerste desi was Sönam Chöpel van 1642-1658. Rondom 1620, toen de gelug op het punt stond in de burgeroorlog volledig vernietigd te worden, was Sönam Chöpel de afgevaardigde van de gelug die als eerste naar Mongolië reisde om steun te vragen.Kapstein, Matthew (2007) The Tibetans, Blackwell Publishing, Oxford, , pag. 135, 141-164, 274-277
Sanggye Gyatso thumb|Güshri Khan thumb|Lhabzang Khan De tweede desi was Sanggye Gyatso regent van 1678-1703.
Sanggye Gyatso werd op 26-jarige leeftijd in 1678 de feitelijke heerser over Tibet. Volgens een aantal bronnen was hij een natuurlijke zoon van de vijfde dalai lama. Hoewel hij een grondige opleiding in het boeddhistische ritueel had ontvangen, is Sanggye Gyatso altijd een leek gebleven. Zijn werkelijke interesse lag in de seculiere disciplines, zoals Tibetaanse geneeskunde, Tibetaanse astronomie, geschiedenis en poëzie. Zijn verzamelde geschriften vormden een tot dan toe ongeëvenaarde encyclopedie van de stand van de Tibetaanse wetenschap op dat moment. Hij bracht veel wetgeving tot stand en was tevens verantwoordelijk voor de enorme expansie van het aantal gelugkloosters en monniken in de tweede helft van de 17e eeuw, een strategie waarmee hij de suprematie van de gelug blijvend verankerde.
Hij hield de dood van Lobsang Gyatso vijftien jaar geheim. Waarschijnlijk was daar niet één specifieke reden voor, maar speelde daarbij een complex van factoren een rol. Een van die factoren was mogelijk te voorkomen dat Tibet opnieuw in een politiek vacuüm zou vallen.
Lhabzang Khan
In 1700 - toen de zesde dalai lama, Tsangyang Gyatso al geïnstalleerd was - kwam een nieuwe khan bij de Oirat-Mongolen, Lhabzang Khan aan de macht. Op dat moment was de invloed van Sanggye Gyatso sterk verminderd, omdat de Chinese keizer Kangxi hem het geheimhouden van de dood van de vijfde dalai lama ernstig verweet. Lhabzang was vastbesloten om de macht van zijn voorganger Güshri Khan in Centraal Tibet te herstellen en viel met de grote instemming van Kangxi Centraal-Tibet binnen.Perdue, Peter C. (2005) China marches West, The Qing Conquest of Central Eurasia, Belknap Press of Harvard University Press, pag. 227, 228, 243, 249, 271, Er kwam uiteindelijk een vorm van een wapenstilstand, waarin Sanggye Gyatso in 1703 afstand deed van zijn functie als desi. Zijn zoon Ngawang Rinchen volgde hem als desi op.
In 1705 ondernam Lhabzang echter opnieuw militaire actie en daarbij werd Sanggye Gyatso gedood. Op bevel van de Tibetaanse koningin van Lhabzang, Tsering Trashi werd hij onthoofd. Zijn zoon Ngawang Rinchen vluchtte naar China. Hoewel Kangxi de militaire actie van Lhabzang ondersteunde, mocht deze de rest van zijn leven aan het Chinese hof verblijven.
In 1709 besloot keizer Kangxi een vertegenwoordiger van het keizerlijk hof naar Tibet te zenden om toezicht te houden op de uitvoering van de regeringstaken van Lhabzang. De keuze viel hierbij op Ho-shou die weliswaar met groot gevolg, maar zonder militaire escorte naar Lhasa reisde.
Ho-shou had de opdracht de orde in Tibet te herstellen en Lhabzang te ondersteunen tegen diens tegenstanders die zich voor een belangrijk deel bevonden onder de aanhang van de vermoorde regent Sanggye Gyatso. Deze missie was de eerste poging van de kant van China, Tibet in te richten als een Chinees protectoraat. De poging strandde echter en Ho-shou verliet Lhasa in het jaar 1711. Zijn post werd niet opnieuw bezet en Lhabzang regeerde soeverein, zonder directe Chinese invloed in Tibet.
Chinees protectoraat thumb|Chinees keizer Yongzheng In 1717 werden de troepen van Lhabzang verdreven door de Mongoolse stam de Dzjoengaren en werd Tagtsepa als stroman van de Dzjoengaarse troepenaanvoerder Tsering Dondok als regeringsleider ingezet. Tagtsepa werd in 1720 onthoofd en de Dzjoengaren verdreven door een Chinese troepenmacht, die de zevende dalai lama meebracht. Vanaf dat moment veranderde Tibet van een militair slagveld voor onderling Mongoolse twisten in een Chinees protectoraat. Het binnenlands bestuur in Tibet werd vanaf dan uitgeoefend door Chinese ambans en een soort raad van ministers.
De belangrijkste van die ministers was de nieuwe desi Khangchenne. Er bleven echter voortdurend spanningen binnen Tibet. Daarbij werd een rol gespeeld door Sönam Dargye, de vader van de zevende dalai lama. Kanchenne werd in 1727 vermoord als gevolg van een poging tot staatsgreep door de overige ministers.
Hierop volgde een bloedige burgeroorlog om de macht in Tibet van 1727 tot 1728.
Pholhanas 1728-1750 De enige minister die niet rechtstreeks bij de poging was betrokken, Pholhanas, wist echter een leger op de been te brengen en nog voor een nieuw Chinees leger in Lhasa arriveerde de samenzweerders uit te schakelen. Met Chinese steun werd Pholhanas vervolgens de feitelijk heerser over Tibet.
Het doel van Pholhanas was om na opnieuw ruim 25 jaar van voortdurende burgeroorlog en militaire inmenging van buitenaf Tibet een langere periode van rust en stabiliteit te geven. Met steun van de Chinese keizer Yongzheng verbande hij eerst de vader van de zevende dalai lama die hij als een potentiële onruststoker zag. Daarna dwong hij de dalai lama zelf tot een retraiteperiode van zes jaar in Garten bij Litang (1728-1735).
In 1735 achtte Pholhanas zijn positie voldoende stevig om akkoord te gaan met een terugkeer van de dalai lama naar Lhasa. Pholhanas overleed in 1747 na een periode van 20 jaar rust en stabiliteit in Tibet.
Pholhanans wordt als desi opgevolgd door zijn zoon Gyurme Namgyal. Het was zijn politieke doelstelling een eind te maken aan het Chinese gezag in Tibet. Hij maakte voorbereidingen om 1500 man van het Tibetaanse leger uit Kongpo met 49 ladingen munitie naar Lhasa te laten komen en te stationeren. Tegelijkertijd knoopte hij weer nauwe betrekkingen aan met de Dzjoengaren die hij opriep over Ladakh op te trekken naar Tibet.
De keizer van dat moment, Qianlong (1711–1799) had het Chinese garnizoen in Lhasa tot slechts honderd man gereduceerd. De keizer nam ook de dringende berichten van de beide ambans over de houding van Gyurme Namgyal niet serieus genoeg en liet weten dat de ambans maar naar eigen bewind van zaken moeten handelen. De ambans zagen in die situatie geen andere oplossing dan Gyurme Namgyal in 1750 te vermoorden. In de volkswoede die hierop volgde werden de beide ambans en een deel van de Chinese gemeenschap in Lhasa gelyncht.Petech, Luciano (1972) China and Tibet in the Early XVIIIth Century. History of the Establishment of Chinese Protecturate in Tibet, Leiden, pag. 225
Periode 1750-1875 Een nieuw Chinees leger heroverde Lhasa. Qianlong besloot tot een hervorming van het bestuur over Tibet. Formeel kwam nu aan het hoofd van de Tibetaanse regering de dalai lama te staan die het gebied tezamen met de Chinese ambans diende te besturen.
Het ambt van desi in de betekenis die het hiervoor had gehad werd afgeschaft. In deze laatste periode van Kelsang Gyatso werd het instituut van de Kashag opgericht, een seculiere regeringsinstantie onder de dalai lama die tot 1959 in het land bleef bestaan en die in Tibetaans ballingschap gecontinueerd is.
Vanaf deze periode verschoof de betekenis van het woord desi in de Tibetaanse context. Het verkreeg pas vanaf deze periode een betekenis van regent bij afwezigheid of gedurende de minderjarigheid van een dalai lama. Alle regenten hiervoor waren leek en afkomstig uit de adel in Tibet. Met uitzondering van de periode tussen 1862- 1864 waren tot aan 1950 alle erop volgende regenten gereïncarneerde lama's, ofwel tulku's. De regenten waren ook vrijwel altijd afkomstig uit een van de Colleges van de grote Tibetaanse kloosters nabij Lhasa en dat had herhaaldelijk loyaliteitsconflicten met andere Colleges en kloosters tot gevolg.Surkhang, Wanchen Gelek (eind jaren 1960) Tibet in the early 20th Century, Inner Asia Project, University of Washington, in: The Collected Articles of Professor Melvyn Goldstein, Center for Research on Tibet, Cleveland
De volgende regent trad pas op tijdens de minderjarigheid van de achtste dalai lama Jampäl Gyatso. Het was de zesde demo rinpoche Jampäl Geleg Gyatso, regent van 1757-1777. Jampel Gyatso had echter nauwelijks interesse in het uitoefenen van de verantwoordelijkheden die bij zijn functie hoorden. Hij trok zich bij herhaling terug voor langdurige retraites. De langste daarvan ving vrijwel onmiddellijk aan na zijn installatie. Gedurende die periode van 10 jaar was de eerste Tsemönling rinpoche van 1777-1786 de regent.
Tijdens de negende tot en met twaalfde dalai lama De negende tot en met twaalfde dalai lama overleden allen onder verdachte omstandigheden op jeugdige leeftijd. Het gevolg was dat de feitelijke macht in Tibet ook tijdens die periode opnieuw bij de regent lag.
De achtste Tatsag rinpoche was de regent van 1791 tot 1811.
De zevende Demo rinpoche, Ngawang Lobsang Thubten Jigme Gyatso was de regent van 1811-1818
De tweede Tsemönling rinpoche, Ngawang Jampäl Tsültrim Gyatso was regent van 1819-1844
De derde Reting rinpoche, Ngawang Yeshe Tsültrim Gyatso was regent van 1845-1862.
De grootste tegenstander van de regent in die periode was de aristocraat Wangchug Gyalpo Shatra.De laatste was de bevelhebber van het Tibetaans leger tijdens de Tibetaans-Nepalese Oorlog van 1855 en 1856. Hij was tevens de leider van de Tibetaanse delegatie tijdens de onderhandelingen, die leidden tot het verdrag van Thapatali. In 1857 werd Shatra verbannen naar zijn landgoed. De regent zond een legercommandant naar het landgoed met de opdracht Shatra te doden. De commandant pretendeerde de opdracht niet begrepen te hebben en liet Shatra ontkomen. Shatra dook onder in een klooster en leefde enkele jaren als een monnik.