De wilde kameel (Camelus ferus) is een zoogdier uit de familie van de kameelachtigen (Camelidae). De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1883 gepubliceerd door Nikolaj Przjevalski. De wilde kameel werd traditioneel beschouwd als de wilde voorouder van de gedomesticeerde Bactrische kameel (Camelus bactrianus), maar volgens een studie uit 2017 blijkt dit niet te kloppen.; ; ; ; ; ; ; (2017): 'Molecular diversity and phylogenetic analysis of domestic and wild Bactrian camel populations based on the mitochondrial ATP8 and ATP6 genes' in Livestock Science, Volume 199, p. 95-100
De geslachtsnaam Camelus is Latijn voor kameel. De soortaanduiding ferus betekent wild.
Kenmerken De vacht is beige tot donkerbruin. Het dier heeft een lange, bijna U-vormige nek, relatief kleine oren en twee bulten, die de conditie van het dier aanduiden: zijn de bulten opgericht, dan is het goed doorvoed. De brede voeten staan stevig op zand of sneeuw. De lichaamslengte bedraagt 250 tot 300 cm, de staartlengte is gemiddeld 53 cm en het gewicht schommelt van 450 tot 690 kg. De wilde kameel heeft een lange nek, een smalle snuit, spleetvormige neusgaten, een gespleten bovenlip, een hangende onderlip en een stevig bovenkaakbot zonder middelste en binnenste snijtanden, zoals alle kameelachtigen. Kameelachtigen hebben een smalle borst en achterhand, ledematen van gelijke lengte die dicht bij de middenlijn staan en langer zijn dan de romp, een ingetrokken buik, grote schouderbladen, brede en platte ribben, een verbrede darmbeenkam en de unieke spreidende tenen aan de voeten. Dit zorgt voor een verbeterde laterale stabiliteit en lange passen. Hierdoor ontstaat een telgang die alleen voorkomt bij kameelachtigen en sommige gedomesticeerde honden en paarden. Tijdens een telgang bewegen de voor- en achterpoten synchroon aan dezelfde kant van het lichaam, waardoor ze elkaar minimaal hinderen en soepel en efficiënt kunnen bewegen in open terrein met lange passen, waardoor er minder energie wordt verbruikt per afgelegde afstand. Het unieke ontbreken van een huidplooi tussen de buik en de dij bij kameelachtigen (de knieplooi, die typisch is voor zoogdieren) zorgt ervoor dat de achterpoten zich met een groter bereik en grotere precisie binnen een grotere straal kunnen bewegen. Bovendien zorgt het voor luchtstroom onder het lichaam, wat verkoeling biedt wanneer de dieren liggen, meestal op het borstbeen en de eeltplekken op de knieën – een voordeel in hete woestijnen. Wilde kamelen hebben opvallende ogen aan de zijkanten van de kop met grote oogbollen in verhouding tot de grootte van de kop. De positie van de ogen en een lange, beweeglijke nek zorgen voor een breed gezichtsveld om roofdieren te detecteren. De knipvliezen (het derde ooglid) van kameelachtigen uit de Oude Wereld zijn half doorzichtig en beschermen de ogen tijdens zandstormen, maar laten nog steeds enig zicht toe. Kameelachtigen hebben lange wimpers en meerdere sets snorharen. Alle kameelachtigen hebben 36 paar homologe chromosomen en twee geslachtschromosomen (2n=74).
Anatomie De bovenkant van de schedel van de wilde kameel is plat en loopt door in de snuit, die aanzienlijk smaller wordt voorbij de bovenste tandrij, en de hersenpan is ongeveer half zo lang als de maximale schedelbreedte. De grootste schedellengte bij volwassen mannetjes is gemiddeld 55 cm, met 25 cm tussen de buitenkant van de jukbeenderen, de kaak is ongeveer 43 cm lang en 23 cm hoog. Bij volwassen vrouwtjes is de grootste schedellengte ongeveer 51½ cm, met 23 cm tussen de buitenkant van de jukbeenderen, de kaak is ongeveer 38½ cm lang en 21 cm hoog. De schedels van de wilde kameel en de kameel zijn vergelijkbaar en groter dan de schedel van de dromedaris. De oogkassen worden volledig door bot omringd en prominente richels rondom die de ogen beschermen. De tandformule van volwassen wilde kamelen is , dat wil zeggen een snijtand, een hoektand, drie valse kiezen en drie ware kiezen in elke helft van de bovenkaak, en diezelfde elementen in de onderkaak met uitzondering van de drie snijtanden. Dit is identiek aan de elementen van het gebit van andere kameelachtigen. De bovenste hoektanden van mannetjes zijn opvallend, puntig en worden gebruikt bij de strijd om vrouwtjes. Een lange, gebogen, tandloze ruimte scheidt de hoektandachtige eerste valse kies van de tweede, maar in de onderkaak zijn de hoektanden veel kleiner en minder puntig. Kameelachtigen hebben 7 nekwervels, 12 borstwervels, 7 lendewervels, 5 heiligbeenwervels en 17 staartwervels, in totaal 48.
Verschillen met ander kameelachtigen Het meest opvallende uiterlijke kenmerk van kamelen is het aantal bulten: twee bij de wilde kameel en de kameel, en één bij de dromedaris. De twee bulten zijn bij de wilde kameel ongeveer half zo groot als bij de kameel. De wilde kameel is slank, gestroomlijnd en gebouwd voor snelheid, in tegenstelling tot de kameel die log is, bedekt met ruig bruin haar en grote, rechtopstaande of schuine bulten heeft. De wilde kameel is kleiner, heeft slechts onopvallende eeltplekken op zijn voorpoten, weinig of geen kuif op de kop van de mannetjes en kortere snuiten en oren. De wilde kameel heeft ook geen eeltplek op de borst, in tegenstelling tot de kameel. De wilde kameel heeft ongeveer 10% kleinere en smallere poten dan de kameel. Andere kenmerkende verschillen zijn het vermogen om snel te rennen op zijn lange, slanke poten en een korte, zandbruine tot roodachtige vacht zonder wol, in tegenstelling tot de kameel met zijn wollige vacht.
Taxonomie De wilde kameel is voor het eerst wetenschappelijk beschreven door de Zweedse botanicus Johan Peter Falk in zijn boek Vklad v topograficheskiye znaniya Rossiyskoy imperii, Tom 3 [Bijdragen aan de topografische kennis van het Russische Rijk, Deel 3] uit 1786 die hij beschouwde als een ondersoort van de dromedaris en hij noemde het dier Camelus dromedarius ferus. In 1847 gaf de Oostenrijkse bioloog Friedrich August Rudolph Kolenati de naam Camelus bactrianus var. genuina. De Russische militair, ontdekkingsreiziger en bioloog Nikolaj Przjevalski gaf in 1878 het dier de naam Camelus bactrianus ferus. De namen van Falk en Kolenati zijn echter in onbruik geraakt en daarom door de International Commission on Zoological Nomenclature in 2003 aangewezen als nomen oblitum ten gunste van de naam van Przewalski die daarmee werd aangewezen als nomen protectum. In 1966 beschouwde de Russische zoöloog Vladimir Heptner de wilde kameel als een eigenstandige soort en maakt daarmee de nieuwe combinatie Camelus ferus, de naam die ook tegenwoordig nog wordt gebruikt. Kühn, Gröne, Pagan en Bacciarini maakten in 2003 de combinatie Camelus ferus bactrianus, en in 2009 maakten Tsogttuya, Luvsan en Erdenebileg een spelfout en creëerden daarmee de naam Camelus bactrianus fetus. In 2011 gebruikte W.L. Franklin de namen Camelus gobi en Camelus bactrianus gobi in zijn bijdrage aan het Handbook of the mammals of the world. Vol. 2, hoofed mammals. In tegenstelling tot andere auteurs beschouwde Przewalski de wilde kameel als een verwant, maar geen voorouder van de gedomesticeerde kameel. Deze visie blijkt juist op basis van vergelijking van homologe genen van de diverse kameelachtigen.
Fysiologie Kameelachtigen zijn over het algemeen opmerkelijk ongevoelig voor hoge temperaturen en watergebrek. De bulten van kamelen slaan geen water op, maar vet. Kameelachtigen fermenteren plantaardig materiaal in de drie compartimenten van de voordarm, in tegenstelling tot de vier compartimenten bij herkauwers. Alle compartimenten bevatten klierweefsel, maar missen papillen, die wel veel voorkomen bij herkauwers. De vertering is langzamer, met name in de eerste twee compartimenten, en is efficiënter bij kameelachtigen dan bij herkauwers, wat voordelig is voor een dieet met een lage eiwitconcentratie en een lage voedingswaarde.
Ecologie Wilde kamelen komen alleen voor in geïsoleerde gebieden van de Gobiwoestijn, die bestaat uit echte en halfwoestijnen met een streng klimaat (–35 °C in de winter, 40 °C in de zomer), minimale regenval (gemiddelde maandelijkse neerslag minder dan 50 mm in de zomer, minder dan 10 mm in de winter) en een gemiddelde hoogte van ongeveer 1300 meter. Het landschap wordt gekenmerkt door glooiende heuvels tussen bergmassieven, rotsachtige uitlopers en overwegend droge beekbeddingen. De dieren leggen grote afstanden af om voldoende voedsel en water te vinden en te overleven in deze gebieden met een zeer lage primaire productiviteit en wijdverspreide waterbronnen. In het Xinjiang Lop Nur Wild Camel National Nature Reserve in het Altyn Tagh-gebergte in China kan de soort worden gezien met de kiang, kropgazelle, argali en blauwschaap. Wolf, vos en zelden sneeuwpanter, Euraziatische lynx en Aziatische wilde hond leven in hetzelfde gebied. Van de 89 dode wilde kamelen die tussen 1984 en 1989 in het Great Gobi National Park werden gevonden, werden er 54 gedood door wolven, waarvan 17 jonge dieren van dat jaar, 11 stierven aan verwondingen opgelopen tijdens gevechten tussen mannetjes in het voortplantingsseizoen, 8 werden gestroopt, 2 werden gedood door sneeuwluipaarden en 14 stierven door onbekende oorzaken. In Mongolië komt de soort voor in hetzelfde gebied als de onager. Het voedsel van wilde kamelen bestaat vaak voornamelijk uit zouttolerante soorten die moeilijk verteerbaar zijn en niet populair zijn bij andere planteneters. In de Gobi voeden wilde kamelen zich voornamelijk met struiken zoals Haloxylon ammodendron, Salsola passerina, Ephedra przewalskii, Zygophyllum en Caragana arborescens, maar eten in het seizoen ook kleine hoeveelheden grassen zoals Stipa lessingiana en kruidachtige planten waaronder Allium mongolicum en Tanacetum-soorten.
Gedrag Wilde kamelen staan al lang bekend om hun extreme waakzaamheid. Ze kunnen gevaar vaak al van een kilometer of meer afstand waarnemen en vluchten dan direct vele kilometers verderop. Ze zijn het meest actief tijdens de schemering. Ze bevinden zich meestal in groepen van drie tot vele tientallen, gemiddeld omstreeks tien dieren.
Voortplanting