Samuel Coucke (Brugge, 1 oktober 1833 - 7 november 1899) was een Belgisch glazenier en keramiekschilder. Hij was een van de Belgische kunstenaars die zich de kunstrichting bekend als neogotiek eigen maakte. Deze kunstrichting kende in Brugge tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw zijn grootste bloei.

Biografie Gezin thumb|rechts|Een door Samuel Coucke gerestaureerd glasraam in de kerk van Onze-Lieve-Vrouw van de Zavel in Brussel Coucke was de zoon van politiesergeant Carolus Coucke (1792-1853) en Maria Mondy (1799-1874). Hij was de achtste in een rij van twaalf kinderen. Op 4 mei 1859 trouwde hij met Sophie Naert (1828-1899), zus van de architect en Romeprijswinnaar Joseph Naert (1838-1910). Hij had haar leren kennen in het atelier Grossé. Na het overlijden van haar ouders was ze niet onbemiddeld en kon het paar een huis aankopen, genaamd Het Schaep, in de Korte Vuldersstraat 14, waar zij in de loop van de maand mei 1860 hun intrek namen en hij zijn atelier vestigde. Ze kregen tien kinderen.

Beroepsloopbaan De opening naar de beoefening van een kunstambacht kwam er bij Coucke via zijn twintig jaar oudere schoonbroer Louis Grossé (1811-1899), die in 1843 gehuwd was met Coleta Coucke (1822-1886). Grossé leidde Coucke in zijn atelier op tot galonwever en borduurwerker. Bij zijn huwelijk in 1859 werd Coucke nog vermeld met het beroep van 'passementier'. Nochtans had hij toen al een paar maal de stad tijdelijk verlaten om zich te gaan inwijden in de glazenierskunst. Volgens eigen zeggen had hij de revelatie van het glasschilderwerk gehad op de wereldtentoonstelling van 1855 in Parijs en had dit er hem toe gebracht zich de glazenierstechnieken te gaan eigen maken in Duitse en Engelse ateliers. In 1858 startte hij met zijn nieuw beroep. In de Korte Vuldersstraat bouwde hij een oven in de tuin en een paar jaar later verbouwde hij een bijgebouw tot atelier met een venster waar de brandglazen in opmaak konden worden tegenaan geplaatst.

De eerste stappen van Coucke waren niet gemakkelijk. Hij greep weliswaar hoog door de restauratie op zich te nemen van glasramen in de kerk van Zoutleeuw en in de Zavelkerk in Brussel. Zijn ontwerpen kregen maar moeizaam goedkeuring in de Koninklijke Commissie voor Monumenten en enkele leden kwamen in mei 1861 in de Korte Vuldersstraat een bezoek brengen. Ze waren nogal tevreden over de materiële uitvoering zoals Coucke die voorzag. Het belet niet dat nadien door de Commissie nog forse kritiek werd geuit op de glasramen van Coucke. Hij vond echter een stevige verdediger in het Commissielid priester Hyacinthe de Bruyn, gezaghebbende kunsthistoricus en publicist.

Kunst en techniek van de glazenier De heropbloei van de glazenierskunst, vanaf het midden van de negentiende eeuw, ging samen met de belangstelling voor rijker aangeklede kerken. Een belangrijk katholiek mecenaat steunde de kunstambachten die op vernieuwing en stoffering van het kerkinterieur waren afgestemd (zie: gebrandschilderd glas en glas-in-lood).

Coucke paste in de neogotische beweging die tot volle ontplooiing kwam. Veel, zo niet de meeste van zijn werken zijn in gotische stijl – of naar gotisch model – ontworpen. Dit was evenwel geen exclusieve stijlrichting en Coucke adverteerde bij herhaling dat hij in alle stijlen kon werken, naargelang de wensen van de klant en de stijl of aankleding van het gebouw waarvoor men glasramen wilde.

Voor zijn glasramen spande Coucke zich in om te werken met aangepast glas ('verre antique' of 'verre cathédrale') teneinde het coloriet en de kleurenwarmte uit de glorietijden van de glazenierskunst te evenaren. Dat ook de brandtechniek op punt stond, ziet men aan de frisheid van een aantal van de glasramen, honderdvijftig jaar na hun fabricatie. Een goed voorbeeld geeft het hoogkoor van de Heilige Magdalenakerk in Brugge, waar men in de middenvensters de glasramen van Samuel Coucke ziet, die al hun frisheid en coloriet hebben bewaard. Coucke was hierbij meer glazenier dan glasschilder. De echte techniekbeheersing bestaat er immers in tot figuratieve taferelen te komen door de variatie van het gekleurd glas dat men in lood steekt, waarbij minimaal met overschildering wordt bijgewerkt. Hierin bestond precies de revalorisatie van het kunstambacht dat in de decadente periode verworden was tot 'schilderen op glas', waarbij op de limiet een effen glaspaneel kon worden gebruikt, waarop een tafereel werd geschilderd – inclusief het nagebootste lood -, wat dan eigenlijk niet veel meer gemeen had met de echte glazenierskunst.

In het werk van Coucke zijn ook de inspanningen duidelijk die geleverd werden om iconografisch correct werk te leveren, om heraldisch juist te zijn (de mecenas wenste meestal zijn familiewapen vereeuwigd te zien) en om tevens in de kleuren, de houding, de klederdracht van de personages, de middeleeuwse voorbeelden na te volgen.

Vooral toen de zoons actief werden in het atelier, begon men ook meer publiciteit te maken. Er werden prospectussen rondgestuurd en aankondigingen geplaatst in kranten en tijdschriften. Men nam ook deel aan tentoonstellingen. De productie van het atelier was aanzienlijk. Honderden glasramen werden geleverd, zowel in België als daarbuiten, onder meer in de Verenigde Staten en in Belgisch-Congo. Een inventaris ervan werd veel later opgesteld. Heel wat ontwerptekeningen van het atelier worden bewaard door het Provinciaal cultureel archief van West-Vlaanderen en door de Musea van de stad Brugge (Prentenkabinet). Een aanzienlijke collectie van tekeningen en ontwerpen werd door een particuliere eigenaar aangeboden aan deze instanties, die ze echter van de hand wezen. Ze werd in de loop van 2009 door het veilinghuis Van de Wiele (Brugge) verspreid.

De Bruggeling Coucke thumb|rechts|Grafmonument van Samuel Coucke en Sophie Naert op de algemene begraafplaats van Brugge Coucke speelde vanaf 1860 tot aan zijn dood een niet onbelangrijke rol in het sociaal leven van zijn stad. Nooit op het voorplan, want in de geest van de tijd werden de vooraanstaande plaatsen in het maatschappelijk leven bezet door leden van de adel of door beoefenaars van 'edele' vrije beroepen: priesters, advocaten, notarissen, geneesheren, soms magistraten. Daarbij had hij een goedhartig en joviaal karakter dat hem niet aanzette tot getrancheerde houdingen of grote ambities. Hij was evenwel bij vele activiteiten nadrukkelijk aanwezig.

Op het politiek vlak werd hij in 1861 lid van de Concorde, de katholieke kiesvereniging. Vanaf 1862 verscheen hij op de kiezerslijsten. Zelf was hij nooit kandidaat voor een politiek mandaat, maar hij zal zijn schoonbroer Louis Grossé gesteund hebben die herhaaldelijk op onverkiesbare plaatsen stond bij gemeenteraadsverkiezingen.

Rond dezelfde tijd werd Coucke betalend lid van de vereniging die de Vrije Stedelijke Academie beheerde. Vanaf 1870 zetelde hij in het bestuur, een in die tijd geprezen onderscheiding. In 1877 nam hij ontslag als gevolg van politieke tegenstellingen.

Men vond Coucke aanwezig bij de stichting van het Davidsfonds in Brugge in 1875 en in 1893 werd hij er bestuurslid, zoals ook in de Vlaamsche Broederbond waar hij medeorganisator was van de Vlaamse landdag die in augustus 1887 in Brugge plaatsvond naar aanleiding van de inhuldiging van het standbeeld van Breydel en De Coninck. Hij werd ook lid als 'membre artiste' van de Cercle artistique Brugeois die werd voorgezeten door advocaat en stadsbibliothecaris Gustaaf-Julien Claeys (1844-1907).

In de caritatieve sfeer was Coucke dismeester van Sint-Salvator (vanaf 1885) en gedurende bijna veertig jaar bestuurslid en voorzitter van het Werk der kleding voor behoeftige ouderlingen. Vanzelfsprekend nam hij actief deel aan het confrérieleven op zijn parochie, onder meer in de Broederschap van de berechtinge, genaamd Sacra. Hij werd er deken van en werd op 15 december 1890 gevierd na 25 jaar lidmaatschap. Nadien werd hij ook nog thesaurier van deze confrérie.

In 1877 ontstond de Katholieke Burgersgilde, die, onder de leiding van de Vlaamsvoelende dokter Eugeen Van Steenkiste, de democratische vleugel van de katholieke kiesvereniging wilde zijn. Samuel Coucke behoorde niet tot de zes initiatiefnemers, maar vanaf de eerste ledenlijst kwam hij voor als erelid. Zijn tweede zoon Eloi was vanaf de stichting werkend lid en werd trouwens in 1928 vanwege vijftig jaar lidmaatschap gevierd. Zijn oudste zoon Joseph was verscheidene jaren secretaris van de Burgersgilde.

Was de Katholieke Burgersgilde een ontmoetingsplaats voor de kleine burgerij en middenstand, men ging van daaruit nog een stap verder door in maart 1887 de Gilde der Ambachten op te richten, waar in de lijn van de encycliek Rerum Novarum en volgens het middeleeuws corporatief model, meesters en gezellen zich verenigden om hun gemeenschappelijke belangen te bespreken en te behartigen en om door een aantal activiteiten en organisaties de arbeiders te steunen en hogerop te helpen. Dit alles met middelen en volgens gedachten die tegenwoordig paternalistisch klinken, maar op dat ogenblik de initiatiefnemers in de ogen van sommigen voor gevaarlijke individuen deed doorgaan. Coucke was een van de stichters van de Gilde der Ambachten en zetelde tot aan zijn dood in het bestuur, als een van de drie 'meesters', naast de vier 'gezellen' en de proost Eerwaarde heer Mervillie. Vanaf de stichting hield de Gilde zich onder meer bezig met het oprichten van ziekenkassen en spaarkassen, het verschaffen van broodkaarten ('brood even goedkoop als bij de socialisten'), het sluiten van overeenkomsten met geneesheren en apothekers, het verlenen van kosteloze rechtsbijstand en arbeidsbemiddeling.

Zowel in de Katholieke Burgersgilde als in de Gilde der Ambachten speelde Coucke – en ook sommige van zijn zoons – een heel actieve hoewel nooit een eersterangsrol. Men ontmoet zijn naam bij het organiseren van activiteiten zoals de nijverheidstentoonstellingen, bij het versieren van de lokalen, het schilderen van decors voor toneeluitvoeringen, het leveren van ontwerpen voor gildevlaggen enz. Wanneer in 1895 een grote zegestoet door de Brugse straten trok ter gelegenheid van de goedkeuring van de wet die de bouw van Brugge-Zeehaven mogelijk maakte, vormde de bijdrage van de Gilde der Ambachten een stoet in de stoet, die bijzonder opviel door de panelen, opschriften en 'transparanten' die het huis Coucke hiervoor had gemaakt.

Een ander publiek optreden van Coucke was zijn verklaring op 18 juli 1886 afgelegd voor de door de regering opgerichte Commissie over de industriële arbeid. Coucke was een van de drie Bruggelingen die voor deze commissie kwamen getuigen en hij deelde er zijn tamelijk pessimistische opinie mee. In de geest van sociale verbondenheid die hem bezielde, werd hij in 1891 tot lid verkozen van de Werk- en Nijverheidsraad. Vooral bleef hij en dit nog op de avond voor zijn dood een van de meest permanent aanwezige bestuursleden op de activiteiten georganiseerd door de Gilde der Ambachten.

Ondanks zijn grote gezinslast, was hij gedurende twintig jaar lid van de Burgerwacht. Het schepencollege lijfde hem in op 5 april 1861, hij werd korporaal in 1863, sergeant in 1869, in december 1880 werd zijn ontslag aanvaard als sergeant en werd hij overgeplaatst naar een andere compagnie. Pas in 1884 werd hij op rust gesteld vanwege zijn leeftijd.

Buitenlandse leveringen en reizen Vanaf 1880 ging Coucke zich inspannen om afzetgebieden in het buitenland te vinden. Volgens zijn verklaringen werd hij hiertoe genoopt omdat de schoolstrijd vanaf 1879 de vrijgevigheid van de katholieken naar scholenbouw en –onderhoud draineerde, ten nadele van het traditioneel mecenaat dat graag iets over had voor de opsmuk van kerken en bidplaatsen. Twee belangrijke leveringen van glasramen in Jeruzalem en in Rome, waren meteen de aanleiding voor verre reizen.