Dit artikel behandelt de geschiedenis van Frankrijk in de Middeleeuwen.

Frankrijk is als politieke eenheid ontstaan gedurende de Middeleeuwen. Beoogd wordt een overzicht te geven van de geschiedenis van de gebieden die tegenwoordig de Franse Republiek vormen. Ook de geschiedenis van gebieden die daar tegenwoordig geen deel van uitmaken, maar gedurende de Middeleeuwen onderdeel waren van Frankische staatkundige verbanden, zal aan de orde komen. De nadruk zal dus liggen op de landen tussen Het Kanaal, de Golf van Biskaje, de Maas, de Rhône en de Pyreneeën.

Gewoonlijk laat men de Middeleeuwen rond 300, 400, 500 of 600 na Christus beginnen. Ten aanzien van het einde van de Middeleeuwen bestaat grotere consensus. De meeste historici laten de Nieuwe Tijd, die hierop volgt, kort voor 1500 beginnen.

De middeleeuwse beschaving heeft wat betreft haar politieke en sociale structuren veel ontleend aan de Oudheid. Invloedrijk was de Griekse wijsbegeerte, met name het politiek en juridisch denken. Veel middeleeuwse politieke en administratieve structuren waren overgenomen van de Romeinen. Groot was ook de invloed van het Romeins recht. Het Latijn was de taal van het culturele leven, van de Kerk en van het denken. Voor zover het Griekse denken invloed had, fungeerden de Romeinen daarbij steeds als doorgeefluik. Veel Romeinse instellingen waren beïnvloed door de Griekse filosofie. De invloedrijkste denkers waren Plato en Aristoteles. Nog belangrijker dan alle bovengenoemde factoren was de invloed van het christendom.

Ontstaan van Frankrijk De Franse historiografie heeft sinds het eind van Middeleeuwen de vorming van een Franse staat als een onontkoombaarheid voorgesteld. Die staat zou van nature begrensd worden door de Alpen, de Rijn en de Pyreneeën. Het Romeinse begrip 'Gallië' zou volgens deze traditie met 'Frankrijk' samenvallen. Deze visie is echter voornamelijk een projectie achteraf, en is op hoofdlijnen in strijd met de feiten.

thumb|links|360px|Fysisch-geografische kaart van het huidige Frankrijk. Hierop zijn het uiteenlopend karakter van de regio's en het belang van de grote rivieren duidelijk zichtbaar. Op het grondgebied van het huidige Frankrijk bestonden grote verschillen in talen en culturen. Het noorden en zuiden behoren tot twee verschillende klimatologische zones. In het noorden heerst een gematigd klimaat, in het zuiden een mediterraan klimaat. Een drietal bergachtige gebieden, het Centraal Massief, de Alpen en de Pyreneeën, vergroten nog de verschillen in klimaat en vegetatie. Sommige delen van Frankrijk, met name de dalen van Loire, Seine en Rhône zijn vruchtbaar, en werden daarom al vroeg door mensen bewoond. Andere delen bestonden uit ondoordringbare bossen, moerassen en heidevelden, die de communicatie tussen de verschillende regio's bemoeilijkten.

De Franse monarchie was tot op zekere hoogte een voortzetting van oudere staatkundige verbanden op het grondgebied van Gallië, zowel van het Romeinse Rijk als van de diverse Frankische deelrijken.

Staatsvorming in Gallië: Romeinen en Franken Gallië werd hoofdzakelijk bewoond door de Galliërs toen de Romeinen het veroverden. Zij woonden voornamelijk in dorpen en vormden stamverbanden. Het gebied langs de kust van de Middellandse Zee was welvarend; hier hadden zich steden ontwikkeld uit Griekse kolonies, waarvan de voornaamste Massalia (nu Marseille) was. In 121 v.Chr. werd het zuidelijk deel van Gallië een Romeinse provincie: Gallia Narbonensis. Ruim een halve eeuw later veroverde Julius Caesar de rest van Gallië. Hier werden de provincies Gallia Aquitania, Gallia Lugdunensis en Gallia Belgica ingericht. Nog lang nadien was het zuiden van Gallië welvarender dan het noorden; de nederzettingen waren er in de regel groter en lagen dichter bij elkaar.

Het lokaal bestuur was georganiseerd volgens de bestaande stamverbanden, door de Romeinen pagi genoemd. De steden die hier als administratieve centra ontstonden, bleven ook gedurende de Middeleeuwen als centra van bestuur en cultuur functioneren. Het belang van deze steden werd versterkt door het gegeven dat ook alle bisschoppen zich hier vestigden. De Franse middeleeuwse kerkprovincies waren een voortzetting van de Romeinse bestuursstructuur.

Keizer Constantijn de Grote (306-337) verplaatste in 330 de hoofdstad van het Romeinse Rijk naar Constantinopel. In 395 viel het Romeinse Rijk in twee delen uiteen. Terwijl de economie en het culturele leven zich – ondanks meerdere crises – in het oosten wisten te handhaven, was in het westen in allerlei opzicht sprake van verval. Het Oost-Romeinse Rijk, geregeerd vanuit Constantinopel, hield stand. Daarentegen werd de westelijke hoofdstad Rome meerdere malen veroverd en geplunderd. Het inwonertal van bijna alle steden in het westen liep sterk terug. Slechts de bisschopssteden slaagden erin hun functie als centrum van cultuur te handhaven.

Invallen van Germanen Gedurende de vierde en vijfde eeuw vestigden Germaanse stammen zich in groten getale binnen het Romeinse Rijk. De Barbaarse invasie in 406 voorafgaande op die van de Hunnen is hiervoor bepalend geweest. Grote groepen Germanen als de Bourgonden, Franken en Visigoten konden zich daardoor binnen het rijk vestigen.

In 476 kwam er mede daardoor definitief een einde aan het West-Romeinse Rijk. De grens tussen 'barbaren' en beschaving vervaagde. Wat Gallië zelf betreft, daar was het aantal barbaren dat zich in deze periode vestigde relatief gezien vrij beperkt: geen enkele Germaanse volksstam telde meer dan 100.000 personen, terwijl het aantal Gallo-Romeinen ongeveer op 10 miljoen wordt geschat.Jacques Le Goff in het artikel France: Histoire et institutions - Naissance d'une nation (Ve -XVe siècle) in Encyclopædia Universalis 2011 Binnen de beschavingskring die vervolgens rond de Noordzee en Het Kanaal ontstond, speelde Gallië voortaan een centrale rol.

Het overgeleverde bronnenmateriaal uit deze eeuwen is beperkt. In veel gevallen is de archeologie onze enige bron. Het debat over deze periode is steeds in beweging. Wel staat vast dat de vorming van een Franse staat in belangrijke mate het gevolg is geweest van de vierde- en vijfde-eeuwse ontwikkelingen. De gebeurtenissen uit die tijd hebben verstrekkende gevolgen gehad. Zo dankt Frankrijk (la France) ook zijn naam aan een van de Germaanse stammen.

Gedurende de vroege Middeleeuwen leefden in Gallië Germanen en geromaniseerde Kelten, Gallo-Romeinen, die duidelijk in de meerderheid waren, naast elkaar. Waar de Germanen zich vestigden, verdwenen de Romeinse villae om plaats te maken voor dorpen met het voor de Germanen karakteristieke nederzettingspatroon. De invallers stichtten enkele rijken waarvan de meeste geen lang leven beschoren was. Ten zuiden van de Loire bleef de Germaanse invloed beperkt en handhaafde zich de Romeinse cultuur. Daarentegen was de Germaanse invloed groot ten noorden van de Seine, al was het aantal Germanen dat zich hier vestigde bescheiden. Veel steden werden verwoest, kennis van het schrift ging er zo goed als verloren en het heidendom herleefde.

Ten noorden en oosten van Somme en Maas was het aantal nieuwkomers aanzienlijk. De taalgrens die op termijn in het noorden ontstond, lag dan ook aanvankelijk in de buurt van deze rivieren. De volgende Germaanse stammen speelden na de volksverhuizing een belangrijke rol in de geschiedenis van Gallië: de Bourgondiërs in het zuidoosten, de Visigoten in het zuidwesten, de Franken in het noorden en de Alemannen in het oosten. Zeer uitgestrekt was aanvankelijk het Rijk van de Visigoten, dat ook Spanje omvatte. Een tijdlang zag het ernaar uit dat zij de bovenliggende partij zouden worden in de periode dat de Romeinen hun macht verloren. Met de aanvang van het koningschap van Clovis I in 481 veranderde dat toen Clovis alle Frankische stammen onder een bewind verenigde. In de Frankisch-Romeinse oorlog veroverde hij de Romeinse enclave tussen Somme en Loire in 486 en versloeg de Visigoten in een reeks veldslagen waardoor zij het Gallische deel van hun rijk moesten opgeven.

Min of meer autonoom ontwikkelde zich het Bretons Schiereiland. Hier had zich een groot aantal Keltische vluchtelingen uit Engeland gevestigd. De Frankische vorsten slaagden er niet in Bretagne duurzaam te onderwerpen.

Frankische Rijk: Merovingen en Karolingen thumb|320px|Disque de Limons, een gouden appliqué uit de Merovingische periode (~600), Cabinet des médailles, Parijs. Opvallend is de combinatie van een christelijk symbool, het Christusmonogram, en de diermotieven.

Achtereenvolgens heersten in Gallië twee Frankische dynastieën: de Merovingen (tot 751) en de Karolingen (751-888). Dat ook het gebied ten zuiden van de Loire een deel werd van de Frankische staat was het gevolg van de op expansie gerichte politiek van de Merovingen. In 507 wist Clovis in de slag bij Vouillé, in de buurt van Poitiers, een beslissende overwinning op de Visigoten te behalen. Deze werden gedwongen zich achter de Pyreneeën terug te trekken. Clovis ging ~500 over tot het christendom, en koos daarbij in tegenstelling tot andere Germaanse vorsten voor het katholicisme. Mede daardoor werd het voor de streng-katholieke Gallo-Romeinse elite een stuk gemakkelijker om tot een stabiele samenwerkingsvorm met de Franken te komen. De zonen van Clovis veroverden in 536 het koninkrijk van de Bourgondiërs en in 537 de Provence. Het was de koning Clovis (Chlodowech) (481-511) van de Salische Franken, die vanuit Doornik in nauwelijks twintig jaar de macht van de Merovingen blijvend vestigde. Hij stichtte het regnum Francorum. Ten gevolge van zijn brute optreden lag het politiek centrum voortaan in het noorden, in het gebied dat zich ruwweg uitstrekt van het Bekken van Parijs naar Keulen; vanaf 511 was Parijs de hoofdstad. Rivaliserende Frankische koningen schakelde Clovis uit door hen een voor een te vermoorden. Een belangrijke gebeurtenis was zijn overwinning (486) op Syagrius, die vanuit Soissons over een flink deel van de voormalige Romeinse provincies Gallia Lugdunensis en Gallia Belgica regeerde. Clovis nam ook de expansie in oostelijke richting met kracht ter hand. In 496 wist hij in de slag bij Tolbiac (het tegenwoordige Zülpich) samen met de Ripuarische Franken de concurrerende Germaanse stam van de Alamannen blijvend te onderwerpen. Kort daarna schoof hij ook de koning van de Ripuarische Franken opzij. Dat ook het gebied ten zuiden van de Loire een deel werd van de Frankische staat was het gevolg van de op expansie gerichte politiek van de Merovingen. In 507 wist Clovis in de slag bij Vouillé, in de buurt van Poitiers, een beslissende overwinning op de Visigoten te behalen. Deze werden gedwongen zich achter de Pyreneeën terug te trekken. Clovis ging ~500 over tot het christendom, en koos daarbij in tegenstelling tot andere Germaanse vorsten voor het katholicisme. Mede daardoor werd het voor de streng-katholieke Gallo-Romeinse elite een stuk gemakkelijker om tot een stabiele samenwerkingsvorm met de Franken te komen. De zonen van Clovis veroverden in 536 het koninkrijk der Bourgondiërs en in 537 de Provence. Onder de Merovingische vorsten was het centraal gezag zwak; hun gewoonte om het rijk na de dood van een koning onder zijn zonen te verdelen droeg daaraan bij. Desondanks bleef een zekere samenhang bewaard.

De Franken bedachten al in een vroeg stadium verhalen over hun herkomst die hoofdzakelijk tot doel hadden om het prestige van het Merovingische vorstenhuis te vergroten. De Franken zouden afstammen van de Sugambren, een volk dat in een mythisch verleden een rijk in Pannonië geregeerd zou hebben. Volgens een ander verhaal zouden de Franken afstammen van de Trojanen en onder leiding van Francio, een bloedverwant van koning Priamus, naar het stroomgebied van de Rijn zijn getrokken.

Een groot deel van onze kennis over de Merovingische periode ontlenen wij aan het werk van bisschop Gregorius van Tours.