thumb|Reclame voor het zeilschip "California", dat ten tijde van de Californische goldrush werd ingezet op de scheepvaartroute naar San Francisco.
De Californische goldrush was de grootschalige, stormachtige migratie van mensen vanuit de hele wereld naar Californië, die ontstond nadat daar op 24 januari 1848 goud was gevonden en aanhield tot 1856.
Aanvankelijk verspreidden de geruchten over de goudvondst zich alleen in het zuidwesten van de Verenigde Staten en bleef de toestroom van mensen, die aangestoken door goudkoorts naar de vindplaats trokken, beperkt tot duizendtallen. Na een jaar gingen berichten over de goudvelden de hele wereld over en bereikte de goldrush een omvang van honderdduizenden goudzoekers. Hun reis duurde maanden, was zwaar en kostte velen het leven. Eenmaal in Californië troffen zij een gebied aan waar wetteloosheid heerste, zodat zij zelf hun claimrecht moesten organiseren. Gaandeweg werd het goud moeilijker te winnen en kwamen er wetten en maatregelen die tegen vreemdelingen waren gericht. Vanaf 1856 waren substantiële investeringen nodig in mijnbouwapparatuur, waardoor alleen grote bedrijven de mijnbouw konden voortzetten en de toestroom van gelukszoekers opdroogde.
Toen de goldrush begon was San Francisco een kleine nederzetting. De stad werd een belangrijke toegangspoort tot de mijngebieden en groeide explosief. Rond de goudvelden ontstonden talrijke nieuwe nederzettingen. Van 1848 tot 1856 migreerden ruim 300.000 mensen naar Californië en werd daar naar schatting ruim 340.000 kilo goud gedolven. Het aantal indianen daalde in die periode van 150.000 naar 50.000 en de goudwinning veroorzaakte veel milieuschade. De Californische goldrush had wereldwijd economische gevolgen en droeg er mede toe bij dat Californië in 1850 de 31e staat van Amerika werd.
Geschiedenis thumb|Sutter's Mill, de watermolen aan de American River waaraan Marshall bouwde toen hij goud vond thumb|De winkel van Sam Brannan tegenover Sutter's Fort thumb|Kaart van de goudvelden in Californië
Ontdekking Op 24 januari 1848 vond timmerman-aannemer James William Marshall goud in de bedding van de American River, toen hij in opdracht van John Sutter in de buurt van Coloma een watermolen bouwde.
Er was eerder goud ontdekt in Californië, in Placerita Canyon ten noorden van het huidige Los Angeles. Die vondst uit 1842 kreeg weinig aandacht en had nagenoeg geen invloed op de economie. Ook de ontdekking van Marshall trok aanvankelijk weinig belangstelling. Alleen hijzelf en de werkers aan de molen wisten ervan. Dat waren een achttal indianen die de waarde van goud niet kenden en evenveel blanken, bijna allemaal mormonen. Deze laatsten hielden de kennis voor zichzelf en begonnen in hun vrije uren in de rivier naar goud te zoeken. Marshall lichtte wel Sutter in, maar die hield de vondst geheim omdat hij wilde voorkomen dat zijn werknemers hem massaal zouden verlaten om goud te gaan zoeken. blz. 38-40, 47-49
De mormonen die aan de watermolen werkten schakelden na enige tijd enkele geloofsgenoten in om hen te helpen bij het goud zoeken. Omdat het niet mocht uitlekken, reisden die vanaf Sutter's Fort naar de bijna 90 kilometer verder gelegen watermolen onder het mom van een voorgenomen jachtpartij. Twee van hen waren begin maart 1848 op de terugweg toen ze een goudvondst deden in een zijtak van de American River. Deze ontdekking veroorzaakte bij de bewoners van Sutters Fort een koortsachtige opwinding en binnen korte tijd waren ruim 150 voornamelijk mormoonse gouddelvers werkzaam op de vindplaats, die later Mormon Island werd genoemd.
1848 De goudkoorts greep twee maanden later verder om zich heen, door toedoen van Samuel Brannan. Brannan was een vooraanstaand mormoon en na de goudvondst liet hij een pakhuis met winkel bouwen bij Sutter's Fort. Hij reisde begin mei met de veerboot over de Sacramento River naar San Francisco. Toen hij na een reis van twee dagen aankwam, liep hij meteen de stad in met een flesje goud in de linker- en zijn hoed in de rechterhand. Al zwaaiend met zijn hoed riep hij luid: "Gold, Gold, Gold from the American River!" Het veroorzaakte hevige opschudding en vrijwel alle inwoners van San Francisco trokken naar de vindplaats. Brannan kocht alle pikhouwelen, schoppen en goudpannen op die hij kon vinden en verkocht in negen weken voor 36.000 dollar aan gereedschap.
De eerste goudzoekers kwamen voornamelijk uit Californië zelf. Ze konden met simpele methoden genoeg goud vinden om in korte tijd duizenden dollars te verdienen. Ze namen indianen in dienst om te delven en betaalden daarvoor met kralen, kleding en voedsel. De koorts greep om zich heen en bijna alle werkkrachten trokken zo snel ze konden naar de goudvelden, gevolgd door veel ondernemers. Richard B. Mason, de pas benoemde militaire gouverneur van Californië, zag al zijn bedienden vertrekken. Als militair gezagsdrager werd hij bovendien geconfronteerd met desertie van honderden soldaten die hun geluk op de goudvelden gingen beproeven. De goudkoorts werd zo algemeen dat Henry Bee, de commandant van de gevangenis van San Jose, tien indiaanse gevangenen meenam naar de goudvelden om voor hem te delven.
Geruchten dat het goud in Californië voor het oprapen lag, verspreidden zich verder en trokken ook gelukszoekers uit andere streken aan. De eerste grote groepen Amerikanen van buiten Californië kwamen uit het aangrenzende Oregon. Zij trokken Californië vanuit het noorden binnen en mede daardoor werd ook op diverse plekken in het uiterste noorden van Californië, in de Klamath Mountains, goud ontdekt. Zo ontstonden twee mijngebieden, de noordelijke Californische goudvelden en de goudvelden van de Sierra Nevada.
Later in het jaar volgden enkele duizenden mensen uit Latijns-Amerika, vooral uit de mijnstreken van Mexico, Peru en Chili. Op het moment dat het goud ontdekt werd, bestond de bevolking van het gebied uit 150.000 indianen, 6500 Californio's en 700 kolonisten. Eind 1848 waren daar ongeveer zesduizend goudzoekers bijgekomen.
1849 thumb|Goudzoekers aan het werk op de westoever van de Sacramento Op 19 augustus 1848 had de New York Herald als eerste landelijke krant de vondst van goud aan de westkust gepubliceerd. Nu de berichten door het gehele land verspreid werden, breidde de goudkoorts zich uit naar andere staten. Veel gelukszoekers organiseerden zich in groepen, parties genoemd, die gezamenlijk de maandenlange tocht naar Californië ondernamen. De eersten kwamen aan in het voorjaar van 1849. In de loop van het jaar arriveerden 50.000 à 60.000 Amerikanen. Zij werden forty-niners genoemd, een verwijzing naar het jaar van aankomst.
De ontdekking van rijke goudvelden werd wereldnieuws op 5 december 1848, toen president James Polk er ruim aandacht aan besteedde in zijn schriftelijke boodschap aan het Congres over de State of the Union. Kranten in vrijwel alle landen pikten zijn mededelingen over goud in Californië op, waardoor de goudkoorts zich over de hele wereld verspreidde. Zo'n 30.000 buitenlanders trokken in 1849 naar de Californische goudvelden. In Australië en Nieuw-Zeeland lazen mensen over de goudvondsten in kranten die door schepen waren meegebracht. Duizenden van hen scheepten zich in naar Californië. De stroom uit Latijns-Amerika bleef aanhouden en er kwam ook een groeiend aantal goudzoekers en kooplieden uit Azië op het goud af, voornamelijk Chinezen. De eerste immigranten uit Europa kwamen eind 1849 aan, na de revoluties van 1848. De meesten van hen waren Fransen, maar ook uit Duitsland, Scandinavië en het Verenigd Koninkrijk ondernamen veel gelukszoekers de tocht naar Californië.
thumb|De haven van San Francisco. Lithografie van Francis Samuel Maryatt uit 1849. Omdat de meeste bewoners de stad verlieten om goud te gaan zoeken, veranderde San Francisco aanvankelijk in een spookstad. Later groeide de stad sterk, onder invloed van de grote stromen mensen en goederen die daar aan land kwamen. San Francisco was de favoriete aankomsthaven voor goudzoekers, omdat ze van daaruit over de rivieren per schip konden doorreizen naar de goudvelden. Daarnaast werd de haven ook gebruikt voor de aanvoer van voorraden en goederen die nodig waren om aan de vraag van de sterk toenemende bevolking van Californië te voldoen. San Francisco was aangewezen als de officiële havenplaats voor heel Californië, waar de Amerikaanse douane invoerrechten van 25 procent hief op importgoederen.
In de periode voor de goldrush meerden er gemiddeld 25 schepen per jaar af in San Francisco. In 1849 waren dat er 793 en het jaar daarop 803. De bemanning van veel schepen die in de haven aankwamen, raakte ook 'besmet' met de goudkoorts en liet massaal hun vaartuig in de steek om goud te gaan zoeken, waardoor uiteindelijk meer dan zeshonderd schepen in de haven achterbleven. Sommige schepen werden opgeknapt en weer in de vaart genomen, maar de meeste werden door ondernemende bewoners van San Francisco benut om er magazijnen, winkels, drankgelegenheden of hotels in te vestigen en een van de schepen werd gebruikt als gevangenis.
Latere jaren In 1850 was het meeste goud dat makkelijk gevonden kon worden, verzameld. De goudzoekers weken uit naar steeds moeilijkere locaties. Onder druk van Amerikaanse goudzoekers werden protectionistische maatregelen genomen die hun positie moesten beschermen. Er kwam een belasting voor buitenlandse goudzoekers van 20 dollar per maand. Als die niet kon worden opgebracht, wat vaak het geval was, grepen Amerikanen dat aan om de buitenlanders uit rijke mijngebieden te verjagen. Nieuwe wetten sloten de ervaren en bekwame Zuid-Amerikanen en de hardwerkende Chinezen uit van werk, grondbezit en het verkrijgen van de Amerikaanse nationaliteit. De inheemse indianen hadden inmiddels de waarde van goud leren kennen en veel van hen wilden voor zichzelf gaan delven. Ook zij werden van de goudvelden verdreven.
Rond 1856 liep de goldrush ten einde, mede door veranderde economische omstandigheden. De opbrengsten van kleine claims daalden voortdurend en goud kon alleen nog winstgevend gedolven worden door middelgrote of grote bedrijven. De opbrengst van de goudvelden had zijn hoogtepunt bereikt in 1852 met 81 miljoen dollar en daalde daarna geleidelijk, tot 45 miljoen in 1857.
Veel mijnwerkers togen naar nieuwe vindplaatsen van goud en zilver zoals Pikes Peak in Colorado en Comstock Lode in Nevada. De blijvers kozen er veelal voor om het beroep weer op te pakken dat ze uitgeoefend hadden voor ze naar Californië trokken. Vooral veel Chinezen bleven in Californië en gingen werken als kok, wasbaas, koopman of kruidenier.
De reis De goudzoekers die in 1848 naar Californië reisden, hoefden slechts een relatief korte afstand af te leggen. Gelukszoekers uit Oregon en het Mexicaanse mijngebied Sonora reisden over land en de ervaren gouddelvers uit Chili en Peru kwamen over zee, vanuit de haven van respectievelijk Valparaiso en Callao. , blz. 45, 101, 137 Bij de migrantenstromen die wereldwijd op gang kwamen na de bekendmaking van de goudvondsten door president Polk, ging het om grote afstanden. De zogenaamde forty-niners moesten een zware en dure reis ondernemen om de Californische goudvelden te bereiken. De meesten van hen waren inwoners van het oosten van de Verenigde Staten. De grootste groepen niet-Amerikanen kwamen uit Europa en China. De omstandigheden waaronder gereisd werd, konden sterk verschillen, maar waren bijna steeds deerniswekkend.
De reis vanuit het oosten van de Verenigde Staten Goudzoekers uit het oosten van Amerika konden gebruik maken van routes over land, over zee en gecombineerde routes over zee en land.
Over land
thumb|Kaart van de belangrijkste migratieroutes naar het Wilde Westen thumb|De Donnerpas vanuit het westen, omstreeks 1870