Sinosauropteryx is een monotypisch geslacht van vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Coelurosauria, dat tijdens het vroege Krijt, 125 miljoen jaar geleden, leefde in het gebied van de huidige Volksrepubliek China. Er zijn twee soorten benoemd: Sinosauropteryx prima en Sinosauropteryx lingyuanensis.

De eerste fossielen van Sinosauropteryx werden in 1996 ontdekt en het geslacht kreeg datzelfde jaar zijn naam, die "Chinese sauriërvleugel" betekent, toen de typesoort Sinosauropteryx prima benoemd werd. Van de soort is een half dozijn uitstekend geconserveerde skeletten bekend, zodat de wetenschappers een goed beeld kregen van hoe het dier eruitzag.

Sinosauropteryx was een kleine tweevoetige roofsauriër die ruim een meter lang kon worden en een kilo zwaar. Hij had een grote kop met kleine tanden. Zijn voorpoten waren erg kort maar stevig en uitgerust met enorme duimklauwen. Misschien doodde Sinosauropyteryx daarmee zijn prooi die bestond uit kleinere hagedissen en zoogdieren, waarvan sommige in de buikholte van de fossielen zijn aangetroffen. Sinosauropteryx was warmbloedig en om het warm te houden bedekte een primitief verenkleed het lichaam. Op zich was dat bij kleine roofsauriërs niets uitzonderlijks maar in 1996 was het fossiel van Sinosauropteryx het eerste waarop de haarachtige veren ook echt gezien konden worden. Door deze spectaculaire vondst is de soort erg bekend geraakt. In 2010 werden ook de kleuren van het verenkleed vastgesteld: roodbruin met witte strepen, hoewel dat gebaseerd is op een exemplaar dat wellicht het aparte geslacht Huadanosaurus vertegenwoordigt.

Sinosauropteryx is een basale coelurosauriër en vermoedelijk een nauwe verwant van Compsognathus binnen de Compsognathidae.

Vondst en naamgeving Een spectaculaire ontdekking thumb|270px|De tegenplaat van het holotype van Sinosauropteryx, NIGP 127586 In augustus 1996 verkocht fossielenhandelaar Li Yumin de plaat en tegenplaat van een fossiel, dat hij in de provincie Liaoning van boeren verworven had, apart aan het National Geological Museum te Beijing en het Institute of Geology and Paleontology te Nanjing. Yumin was zich al van het speciale belang van de vondst bewust geweest; Ji Qiang, de directeur van het National Geological Museum, besefte des te meer wat voor een uniek stuk hij in handen had. Toen de beroemde Canadese paleontoloog Philip Currie vergezeld van illustrator Michael William Skrepnick begin oktober toevallig zijn collectie bezocht, liet Ji het fossiel vol trots zien. Hoewel de Chinese Academie van Wetenschappen een embargo had gesteld op de uitvoer van fotografisch materiaal van de vondst, verscheen Currie samen met Chen Peije van het Nanjingmuseum eind die maand op de vergadering in New York van de Society of Vertebrate Paleontology met foto's van de steenplaten die als een bom insloegen: de afbeeldingen toonden het skelet van een kleine roofsauriër waarbij resten van een verenkleed bewaard waren gebleven. Voor de al tientallen jaren verdedigde hypothese dat ook kleine theropoden die geen vogels waren, bevederd zouden zijn geweest, was nu volkomen onverwachts direct bewijs gevonden. Niemand had ooit durven hopen dat de tere veren geconserveerd konden worden. John Ostrom, de bejaarde voorvechter van de moderne hypothese dat vogels dinosauriërs zijn, was ook op de vergadering aanwezig, ging staan om de foto's beter te bekijken maar moest zich na een enkele blik geworpen te hebben door emoties overmand meteen weer op zijn stoel laten zakken.

Dat jaar benoemden en beschreven Ji Qiang en Ji Shuan de typesoort Sinosauropteryx prima. De geslachtsnaam is afgeleid van het Latijnse Sinae, "Chinezen", en het Oudgriekse σαῦρος, sauros, "hagedis", en πτέρυξ, pteryx, "vleugel". De soortaanduiding betekent "de eerste" in het Latijn. Aangezien sauros hier in het algemeen naar de Sauria verwijst, betekent de hele soortnaam zoiets als "eerste Chinese sauriërvleugel" en kwam voort uit de gedachte dat het hier de oudste gevonden vogel uit China betrof.Ji, Q., and Ji, S., 1996, "On discovery of the earliest bird fossil in China and the origin of birds", Chinese Geology 10(233): 30-33 left|thumb|NIGP 127586 vergeleken met NIGP 127587 rechts Het holotype van de soort bestaat uit de plaat, specimen GMV 2123, en de tegenplaat die het inventarisnummer NIGP 127586 heeft. Het fossiel is vermoedelijk bij het dorpje Sihetun gevonden in de Jianshangoulagen van de Yixianformatie (Jeholgroep), welke aardlagen dateren van de grens tussen het Barremien en het Aptien, ongeveer 125 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een vrijwel compleet uitzonderlijk goed geconserveerd in verband liggend skelet met schedel, dat samengedrukt is tussen de platen. Het is van een jong individu. Behalve de beenderen toont het fossiel ook resten van de weke delen waaronder een donkere laag lange filamenten langs de nek, ruggenwervels en staart.

Onderzoek door een westerse delegatie Volgens Currie vertegenwoordigden de filamenten een huidbedekking en was dit dus het eerste fossiel dat aantoonde dat sommige dinosauriërs veren hadden. Het was voor hem een sterke bijkomende ondersteuning voor de door hem al aangehangen hypothese dat vogels afstammen van carnivore dinosauriërs, en dus zelf tot deze Theropoda behoren. In 1996 was dit al de heersende leer. Er bestaat echter ook een kleine minderheid van paleontologen die in het debat over de oorsprong van de vogels de dinosauriëroorsprong van deze groep verwerpen. Zij vormen de zogenaamde BAND (Birds Are Not Dinosaurs). Deze nieuwe vondst zou het controversiële vraagstuk kunnen beslissen mits men zich zo objectief en neutraal mogelijk van de feiten op de hoogte zou stellen. Daarom werd door de Philadelphia Academy of Natural Science besloten een delegatie naar China te zenden waarin zich behalve drie voorstanders van de dinosauriërhypothese: Ostrom zelf, veerdeskundige Alan Brush en archaeopteryxdeskundige Peter Wellnhofer, ook een BAND-lid bevond: Larry Martin. Het onderzoeksteam kwam in maart 1997 in China aan en kreeg daar tijdens een bezoek van drie weken naast het fossiel van Sinosauropteryx ook het exemplaar te zien van een tweede bevederde dinosauriër: Protarchaeopteryx. De conclusies van de delegatie, bekendgemaakt op 24 april 1997, waren niet eenduidig.J.H. Ostrom, A.H. Brush, L.D. Martin, P. Wellnhofer, and D. Bubier, 1997, "The 1996 'feathered' dinosaur discovery in China", Geological Society of America 1997 Annual Meeting, Abstracts with Programs A-461 De meeste leden meenden wel dat de structuren zich op het lichaam bevonden maar ze waren niet identiek aan moderne penveren. De term protofeathers ("protoveren") werd bedacht om toch nog tot een consensus te komen: het was een vacht die mogelijkerwijs de voorloper zou kunnen zijn van de huidige vogelveren; Martin betwijfelde dit laatste. Het was volgens hem ook mogelijk dat het om een andersoortige huidbedekking ging of zelfs om spierweefsel dat onder de huid zat.

Begin 1997 stelde ornithologe Virginia Morell dat het in ieder geval niet om een vogel ging. Ze zag de vorm als een soort van Compsognathus die ze benoemde als Compsognathus primaMorell, V., 1997, "The origin of birds: the dinosaur debate", Audubon Magazine 99(2): 36-45 — ze vergat het geslacht van de soortaanduiding aan te passen. De BAND nam deze aanduiding vaak over omdat het de vermeende distantie tot de vogels beklemtoonde. Alan Feduccia vond dat, los van wat de filamenten waren, het fossiel als een typische bodembewonende theropode met korte armen en lange staart totaal niet op een vogel leek.

Nieuwe vondsten en onderzoek thumb|270px|NGMC 2124 dat een apart nog onbenoemd taxon vertegenwoordigt Al in 1997 werd er door Ji & Ji een tweede fossiel van Sinosauropteryx gemeld: specimen NGMC 2124, een kennelijk volwassen exemplaar van ongeveer 1,2 meter lengte.Ji, Q.; and Ji, S., 1997, "Advances in Sinosauropteryx research", Chinese Geology 7: 30–32 Dit was al voor 1997 ontdekt. In 2002 stelde Nicholas Longrich echter dat het hier een apart taxon betrof.Longrich, N., 2002, "Systematics of Sinosauropteryx". Journal of Vertebrate Paleontology 22 (supplement to 3): 80A Latere onderzoekers zijn hem bijgevallen en spreken wel van Sinosauropteryx? sp., dus een nog onbenoemde soort die wellicht wel of wellicht niet bij het geslacht Sinosauropoteryx gerekend moet worden. Ook hier gaat het om een compleet skelet met schedel inclusief resten van een verenkleed. In 2025 werd gesteld dat het om een of ander lid van de Tyrannosauroidea gaat.

In 1998 werd officieel de vondst bekendgemaakt van een eveneens al eerder ontdekt derde, of tweede echt, exemplaar: specimen NIGP 127587 dat een iets groter onvolgroeid dier vertegenwoordigt. Daarnaast is een deel van de maaginhoud aanwezig en twee eieren: het gaat dus om een wijfje.Chen, P.; Dong, Z.; and Zhen, S., 1998, "An exceptionally well-preserved theropod dinosaur from the Yixian Formation of China", Nature 391(8): 147–152

In 2007 werden twee specimina gemeld: D 2141, een platgedrukt skelet met veren;Ji S.; Gao C.; Liu J.; Meng Q.; and Ji Q., 2007, "New material of Sinosauropteryx (Theropoda: Compsognathidae) from western Liaoning, China", Acta Geologica Sinica, 81(2): 177–182 en IVPP V 12415, een vrij gaaf exemplaar, ook met filamenten. In 2010 volgde IVPP V14202, de achterkant van een skelet met veren. Bij deze laatste fossielen gaat het echter om vondsten uit de bovenliggende Dawangzhangzilagen die wat later in het Aptien gedateerd moeten worden. Het is hierom de vraag of de identificatie als Sinosauropteryx correct is. De beschrijvers spreken in het laatste geval van een Sinosauropyteryx sp. left|thumb|270px|Een niet beschreven fossiel dat als "Sinosauropteryx" tentoongesteld wordt Naast deze officieel beschreven specimina duiken er via de illegale fossielenhandel met zekere regelmaat exemplaren op die onder de noemer "Sinosauropteryx" op de markt gebracht worden. De precieze vondstomstandigheden zijn dan niet bekend wat een identificatie bemoeilijkt. In 2025 werd IVPP V14202 benoemd als het aparte geslacht Huadanosaurus en IVPP V 12415 als een tweede soort Sinosauropteryx lingyuanensis waarvan de soortaanduiding naar de herkomst bij de stad Lingyuan verwijst.

Vanwege de verwarrende uitkomsten van de inspectie uit 1997 werd het fossiel door Currie en Cheng aan een aanzienlijk uitgebreider onderzoek onderworpen. In 2001 werden de uitkomsten gepubliceerd in een artikel dat voor de eerste keer een uitgebreide beschrijving van de anatomie bevatte. De conclusie van Currie was nu dat de aanwezige filamenten precies de vorm en positie hadden die men van protoveren kon verwachten: ze waren hol, taps toelopend, hadden een strijkrichting van voor naar achter en leken gebandeerd te zijn op de staart.

Alternatieve hypothesen door de BAND