Fritz Mauthner (Horschitz, Bohemen, Oostenrijk-Hongarije, 22 november 1849 - Meersburg, 29 juni 1923) was een Duitstalige filosoof en schrijver.
Leven Fritz Mauthner werd geboren in Horschitz bij Königgrätz in Bohemen als vierde van zes kinderen van de joodse lakenfabrikant Emmanuel en zijn vrouw Amalie. Toen Fritz zes jaar was vertrok het gezin naar Praag. Mauthner studeerde rechtswetenschappen in Praag, maar brak zijn studie af.
Zijn kennismaking met Ernst Mach werd bijzonder belangrijk voor het wereldbeeld van Mauthner. Deze doceerde van 1867 tot 1875 experimentele natuurkunde in Praag. Rond de eeuwwisseling schreef Mauthner in een brief aan Mach, dat hij zich door hem gestimuleerd had gevoeld om de latente metafysische grondslagen uit de wetenschap te elimineren.
In 1873 was hij werkzaam op een griffie. In datzelfde jaar ontstond de eerste versie van de Kritik der Sprache, die niet bewaard is gebleven. Mauthner schreef in die periode zijn eerste verhalen en feuilletons. Op 23 mei vond de eerste opvoering plaats van zijn toneelstuk Anna in het Duitse Koninklijke Nationale Theater van Praag. In 1876 ging Mauthner naar Berlijn, om daar voor het Berliner Tageblatt te gaan schrijven. Twee jaar later trad hij in het huwelijk met de joodse pianiste Jenny Ehrenberg, waaruit zijn enige kind, zijn dochter Grete werd geboren. Vanaf 1878 publiceerde hij in het Deutsche Montagsblatt parodieën op schrijvers uit zijn tijd, zoals Gustav Freytag, Paul Heyse en Arno Holz. De parodieën verschenen later ook in boekvorm. De uitwerking op de toenmalige lezers werd als sensationeel beschreven. Tot 1902 verschenen van de verzamelde parodieën 30 drukken.
Mauthner was in 1880 een van de medeoprichters van het Gesellschaft der Zwanglosen, een trefpunt voor kunstenaars in München dat tegenwoordig nog bestaat, waartoe onder andere Otto Brahm, Max Halbe, Maximilian Harden, Otto Erich Hartleben en Gerhart Hauptmann behoorden. In 1882 verscheen zijn roman De Nieuwe Ahasverus, in 1887 de Duits-nationalistische roman De laatste Duitser uit Blatna en in 1888 de satire op de pers Schmock. Vanaf oktober 1889 was Mauthner uitgever van het tijdschrift Deutschland. Alles bij elkaar publiceerde hij van 1882 tot 1897 twaalf romans en daarnaast nog verhalen en lyrische poëzie, Van de lezers kreeg Mauthners bellettrie een welwillend onthaal, terwijl de literatuurcritici overwegend afwijzend reageerden.
In 1892 verhuisde hij met zijn gezin naar Berlijn-Grunewald. Daar begon hij met zijn Beiträge zu einer Kritik der Sprache. Mauthner legde zich steeds meer toe op zijn taalkritisch werk, maar moest dat echter in 1898 staken omdat hij blind dreigde te worden. Daarna werkt hij samen met Gustav Landauer. In 1901 verschenen de eerste twee delen van de Beiträge, een jaar later volgde het derde. De afwijzing die Mauthners Kritik der Sprache uit academische kringen ten deel viel, stelde hem hevig teleur. In 1905 probeerde Mauthner, door een verblijf op de Canarische Eilanden, zijn depressie te verlichten. Nadat zijn dochter was getrouwd, verhuisde Mauthner eind 1905 naar Freiburg im Breisgau. Daar werd hij lid van het Kant-Genootschap en leerde hij in 1906 Martin Buber kennen.
thumb|left| Grafsteen van Fritz Mauthner en Hedwig Mauthner (Harriet Straub) op het kerkhof van Meersburg (Opschrift: Van het mens-zijn verlost.) In 1907 ontmoette Mauthner Hedwig Luitgardis Silles O'Cunningham (1872-1945). Met haar vertrok hij in 1909 naar Meersburg aan de Bodensee, waar zij kort daarop huwden. Rond die tijd ontstond de door Martin Buber geïnspireerde en aan Gustav Landauer opgedragen monografie Die Sprache. Vervolgens werkte hij aan het Wörterbuch der Philosophie. Het eerste deel daarvan verscheen in 1909, het tweede volgde in 1911. In 1912 legde hij de laatste hand aan De Laatste Dood van Gautama Boeddha.
Bij de aanvang van de Eerste Wereldoorlog begonnen de gedachtewisselingen met zijn vriend Gustav Landauer. Terwijl Landauer de oorlog over het algemeen afkeurde schreef Mauthner vanaf 1915 propagandistische artikelen voor de oorlog in het Berliner Tageblatt. Na de Duitse nederlaag, die voor hem een ramp betekende, verzoende Mauthner zich weer met Landauer, Toch kwam het tot een definitieve breuk toen Landauer kort daarop in 1919 deelnam aan de Münchener Radenrepubliek. Mauthner werd in datzelfde jaar ereburger van Meersburg. Van 1920 tot 1923 verscheen Der Atheismus und seine Geschichte im Abendland in vier delen. Kort voor zijn dood op 29 juni 1923 werkte Mauthner nog aan zijn Drei Bildern der Welt, dat postuum verscheen.
Taalkritiek Citaat:
Mauthner deed bij zijn leraar Ernst Mach in Praag de speciale grondslagen voor zijn latere werk op. Ernst Mach was als natuurkundige, filosoof en wetenschapstheoreticus een zeer veelzijdige wetenschapper, die in zijn overwegingen ook zintuigfysiologie en psychologie betrok en al vóór Albert Einstein het vierdimensionale ruimte-tijd-continuüm opperde. Mach geldt ook als een van de wegbereiders van de Gestalttheorie.
Zijn leerling Fritz Mauthner had eveneens een brede belangstelling en betrok in zijn wetenschapstheoretische beschouwingen ook de recente resultaten van de psychologie. Van Mach nam Mauthner het combineren van de ruimtedimensies en de tijddimensie in het vierdimensionale continuüm over. Terwijl Einstein deze zienswijze op de hele kosmos toepaste, legde Mauthner een verband tussen deze moderne opvatting en psychofysiologische beschouwingen, die theoretisch een ordening in de ruimte-tijd vermoedden.
Citaat:
Mauthner sloeg hier een theoretische weg in, die al licht wierp op het tijdelijke aspect van de "correlatietheorie van het hersenonderzoek", van ons "activiteitsmoment in het bewustzijn".
Citaat:
In de taalfilosofie van Mauthner heeft het geheugen een centrale plaats. Citaten:
Geheugen, bewustzijn en taal zijn voor Mauthner verschillende woorden voor de gehele samenhang van het kennen van de wereld door middel van afzonderlijke herinneringsbeelden.
Aangespoord de door de Gestalttheorie plaatste Mauthner het begrip "gelijksoortigheid" in het middelpunt van zijn kennis- en taaltheoretische beschouwingen.
Citaten:
Volgens Mauthner is taal weliswaar geschikt om te communiceren, maar niet voor het kennen van de waarheid of werkelijkheid. Met namen en beelden leert de mens slechts de "sluier van de Maya" kennen, maar niet de daarachter verborgen werkelijkheid.
Fritz Mauthner heeft zijn studie (rechtswetenschappen) niet afgemaakt en schreef naast filosofische boeken ook romans en krantenartikelen; in de wetenschap gold hij als een "vrijdenker" en "enfant terrible". In discussies met andere meningen was hij altijd spitsvondig en ook polemisch. Daarom had hij weinig invloed op de taalwetenschap en filosofie, maar de richting van zijn denken, die verder uitgewerkt is, is te lezen in het boek Gehirn und Sprache.
Werk Romans, novellen, verhalen, satiren Nach berühmten Mustern, satire 1878, 1889, volledige uitgave 1897 Einsame Fahrten, 1879 Vom armen Franischko, vertelling 1879 Die Sonntage der Baronin, 1881 Der neue Ahasver, 1882 Dilettantenspiegel, satire 1883 Gräfin Salamanca, 1884 Xanthippe, 1884 Berlin W. (romantrilogie): Quartett, 1886; Die Fanfare, 1888; Der Villenhof, 1890 Der letzte Deutsche von Blatna. Roman, 1887 Die Fanfare, Berlijn 1888 Schmock oder die Karriere der Gegenwart. Satire, Berlijn 1888 Der Pegasus, 1889 Die erste Bank, Berlijn 1889 Zehn Geschichten, 1891 Glück im Spiel, 1891 Hypatia, 1892 Lügenohr, 1892 (onder de titel: Aus dem Märchenbuch der Wahrheit, 1899) Kraft, roman 1894 Die Geisterseher, roman 1894 Die bunte Reihe, 1896 Der steinerne Riese. Novelle, 1896 Die böhmische Handschrift. Novelle, 1897 Der wilde Jockey und anderes, 1897 Der letzte Tod des Gautamo Buddha. Roman, 1913 Der goldene Fiedelbogen, 1917
Toneelstukken Anna, 1874 Lyrik Die große Revolution, 1872
Essays en theoretische geschriften Kleiner Krieg, 1879 Credo, 1886 Von Keller zu Zola. Kritische Opstellen. Berlijn 1887 Tote Symbole, 1892 Zum Streit um die Bühne, 1893 Totengespräche, 1906 Gespräche im Himmel und andere Ketzereien, 1914 (Feuilletons 1895-1913, de meeste uit het Berliner Tageblatt).
Taalfilosofische en cultuurhistorische werk Beiträge zu einer Kritik der Sprache (3 delen, 1e uitgave 1901-1902, 2e bewerkte uitgave: 1906/1913, 3e uitgave, met aanvulling: 1923, herdruk 1982) Aristoteles, 1904 Spinoza, 1906 Die Sprache, 1907 Wörterbuch der Philosophie (3 delen, 1e uitgave: 1910-11, 2e uitgave: 1922-23) Schopenhauer, 1911 Der letzte Tod des Gautama Buddha, 1913 Der Atheismus und seine Geschichte im Abendland (4 delen, 1920-23, nieuwe druk 1989) Deel 1, 1920, Teufelsfurcht und Aufklärung im sogenannten Mittelalter Gallica Deel 2, 1921, Entdeckung der Natur und des Menschen, lachende Zweifler, Niederlande, England Gallica Bd.3, 1922, Aufklärung in Frankreich und in Deutschland, die grosse Revolution Gallica Bd.4, 1923, Die letzten hundert Jahre, Reaktion, Materialismus, gottlose Mystik Gallica Muttersprache und Vaterland, 1920 Die drei Bilder der Welt. Ein sprachkritischer Versuch. (Aus dem Nachlass herausgeg.) Erlangen 1925
Vertalingen Henriette Marechal, door Edmond de Goncourt, 1895
Redactiewerk Deutschland. Wochenschrift für Kunst und Literatur, 1889-1890 Das Magazin für die Literatur des In- und Auslandes, 1991 (met O.Neumann-Hofer) Bibliothek der Philosophen, vanaf 1911
Verzameluitgaven Ausgewählte Schriften, 6 delen, 1919
Diversen Fritz Mauthner – Gustav Landauer Briefwechsel 1890–1919. Uitgave door Hanna Delf, Beck, München 1994. Erinnerungen. Bd. 1: Prager Jugendjahre. Autobiografie, München 1918, (rest niet gepubliceerd). Selbstbiographie. In: Philosophie der Gegenwart in Selbstdarstellungen. Leipzig 1922, Bd. 3.
Literatuur Andreas Berlage: Empfindung, Ich und Sprache um 1900. Ernst Mach, Hermann Bahr und Fritz Mauthner im Zusammenhang. Lang, Frankfurt am Main u. a. 1994, (= Europäische Hochschulschriften; Reihe 20: Philosophie; 414), . Walter Eschenbacher: Fritz Mauthner und die deutsche Literatur um 1900. Eine Untersuchung zur Sprachkrise der Jahrhundertwende. Lang, Frankfurt am Main u. a. 1977, (= Europäische Hochschulschriften; Reihe 1; Deutsche Sprache und Literatur; 163), . Lars Gustafsson: Sprache und Lüge. Drei sprachphilosophische Extremisten: Friedrich Nietzsche, Alexander Bryan Johnson, Fritz Mauthner. Hanser, München u. a. 1980, . Handbuch österreichischer Autorinnen und Autoren jüdischer Herkunft 18. bis 20. Jahrhundert. Band 2. Hrsg.: Österreichische Nationalbibliothek, Wien. Saur, München 2002, . Helmut Henne, Christine Kaiser (Hrsg.): Fritz Mauthner – Sprache, Literatur, Kritik. Festakt und Symposion zu seinem 150. Geburtstag. Niemeyer, Tübingen 2000, (= Reihe Germanistische Linguistik; 224), . Joachim Kühn: Gescheiterte Sprachkritik. Fritz Mauthners Leben und Werk. Walter de Gruyter, Berlin 1975, . Martin Kurzreiter: Sprachkritik als Ideologiekritik bei Fritz Mauthner. Lang, Frankfurt am Main u. a. 1993, (= Europäische Hochschulschriften; Reihe 1; Deutsche Sprache und Literatur; 1361), . Elisabeth Leinfellner: Brückenschlag zwischen den Disziplinen. Fritz Mauthner als Schriftsteller, Kritiker und Kulturtheoretiker. Arco-Verlag, Wuppertal 2004, . Elisabeth Leinfellner (Hrsg.): Fritz Mauthner. Das Werk eines kritischen Denkers. Böhlau, Wien u. a. 1995, . Michael Thalken: Ein bewegliches Heer von Metaphern. Sprachkritisches Sprechen bei Friedrich Nietzsche, Gustav Gerber, Fritz Mauthner und Karl Kraus. Lang, Frankfurt am Main u. a. 1999, (= Literatur als Sprache; 12), . Bettina Ullmann: Fritz Mauthners Kunst- und Kulturvorstellungen. Zwischen Traditionalität und Modernität. Lang, Frankfurt am Main u. a. 2000, (= Hamburger Beiträge zur Germanistik; 29), . Almut Vierhufe: Parodie und Sprachkritik. Untersuchungen zu Fritz Mauthners „Nach berühmten Mustern “. Niemeyer, Tübingen 1999, (= Reihe Germanistische Linguistik; 209), .
Duits: