thumb|Openingspagina van The Knight's Tale in de Ellesmere Chaucer. thumb|Openingspagina ven The Wife of Bath's Tale in de Ellesmere Chaucer. thumb|Initiaal W aan het begin van The Knight's Tale. Kopie in acrylverf door Lin Barneveld. thumb|Drôlerie op de eerste pagina van de General Prologue in de Ellesmere Chaucer. Kopie in acrylverf door Lin Barneveld. thumb|Drôlerie op de eerste pagina van de Prologue of The Clerk's Tale in the Ellesmere Chaucer. Kopie in acrylverf door Lin Barneveld. thumb|Portret van de Miller in de Ellesmere Chaucer. thumb|Portret van de Cook in de Ellesmere Chaucer. thumb|Chaucer als pelgrim in de Ellesmere Chaucer.

Het Ellesmere Chaucer-manuscript, of kortweg de Ellesmere Chaucer, is een vroeg-vijftiende-eeuws manuscript van The Canterbury Tales van Geoffrey Chaucer. Het manuscript wordt bewaard in de Huntington Library in San Marino, Californië, als MS EL 26 C 9,, (1999). The Ellesmere Manuscript of Chaucer's Canterbury Tales. 1e hardcover ed. Verenigde Staten: Huntington Library Press. Ellesmere Chaucer tentoongesteld in de Huntington Library videoen wordt beschouwd als een van de belangrijkste, handgeschreven versies van The Canterbury Tales.

Belang De Ellesmere Chaucer is in meerdere opzichten belangrijk.

Het manuscript is een van de oudste overgeleverde manuscripten van The Canterbury Tales. Het werd omstreeks Chaucers dood in 1400 gekopieerd, maar er werd mogelijk al tijdens zijn leven aan gewerkt. Hoewel er nooit een holograafEen holograaf is een eigenhandig geschreven tekst. van Chaucer werd gevonden, benadert de tekst van dit manuscript de originele versie waarschijnlijk zeer dicht. Toch was het pas met de editie van The Complete Works of Geoffrey Chaucer door Walter William Skeat, dat de Ellesmere Chaucer deze uitmuntende status verkreeg. Na Skeat werden vele edities gebaseerd op het Ellesmere Chaucer-manuscript, waaronder de Riverside Chaucer in 1987. The Riverside Chaucer 1987), General Editor Larry D. Benson, Harvard University, Houghton Mufflin Company, Boston. Andere edities volgden de tekst van het Hengwrt Chaucer-manuscript, dat nu als het oudste overgeleverde manuscript van The Canterbury Tales wordt beschouwd. Voor welke van twee bovengenoemde handgeschreven versies men echter ook koos als tekstkritisch uitgangspunt, de andere werd daarnaast steeds uitvoerig geraadpleegd.

Het manuscript bevindt zich in een uitstekende conditie omdat het ongeveer drie eeuwen ongestoord in de bibliotheek van Sir Thomas Egerton (later Baron Ellesmere) en zijn familie werd bewaard. Daardoor is het bijzonder geschikt voor diepgaande studie.

Geschiedenis De vroegste geschiedenis van het Ellesmere Chaucer-manuscript is onzeker. In de loop der tijd zijn er in het manuscript echter namen genoteerd, waardoor kan worden aangenomen dat het verschillende eigenaars heeft gehad. Aan de hand daarvan is de geschiedenis van de Ellesmere Chaucer te reconstrueren.

Opdrachtgever Wie de opdrachtgever was voor de Ellesmere Chaucer is onbekend, maar gezien de luxueuze uitvoering van het manuscript moet het een welgestelde man of vrouw zijn geweest. Het is zelfs mogelijk dat Thomas Chaucer (ca. 1367-1434) die opdracht aan Adam Pinkhurst gaf, de scribent die al voor zijn vader gewerkt had.Elizabeth Scala, "Editing Chaucer", in: Steve Ellis Chaucer An Oxford Guide (2005). New York United States: Oxford University Press. Inc. p. 491.

House de Vere Vooraan in het manuscript is een gedicht opgenomen ter ere van 'House de Vere' of de graven van Oxford.f ii verso -f iv recto Er wordt gewoonlijk naar verwezen als A Ballad on the House of Vere. Deze ballade, die door de schrijver ervan werd gesigneerd met 'P Rotheley', werd in de 15e eeuw toegevoegd. Het feit dat dit gedicht in de Ellesmere Chaucer werd opgenomen, wijst op een vroege associatie met de familie de Vere.

Deze familie dankt haar naam aan het dorpje Ver-sur-Mer, nabij Bayeux in Normandië en was waarschijnlijk van Deense origine. Tijdens de Normandische invasie in 1066 kwam Alberic de Vere, samen met zijn schoonbroer Willem de Veroveraar, naar Engeland. Als beloning voor zijn trouw en moed kreeg hij uitgestrekte bezittingen, die ooit eigendom waren van de Saksische leenheer Ulwine. Ze bestonden uit heerlijkheden in de graafschappen Essex, Suffolk, Cambridgeshire, Huntingdonshire en Middlesex. De De Veres waren ook heren van Cheniston, het huidige Kensington in Londen. Tot op de dag van vandaag is 'de Vere Gardens’ een vrij chique buurt in Kensington. Bovendien kreeg Alberic de Vere de heerschappij over Lavenham, het centrum van de wolhandel in Engeland.

Aubrey de Vere (ca. 1110-1194) werd de 1e graaf van Oxford, een titel die generaties lang in de familie zou blijven. John de Vere (1312-1360), 7e graaf van Oxford werd een van de beroemdste ‘vechtende graven van Oxford’. Hij stond bekend voor zijn moed en ridderlijkheid en hij was een van de beste generaals van koning Eduard III (1312-1377), voor wie hij vocht in Schotland, Frankrijk, Vlaanderen, Bretagne en Gascogne. Hij sneuvelde tijdens het beleg van Reims. Geoffrey Chaucer was daar in het gevolg van prins Lionel van Antwerpen en maakte daar ook deel uit van het Engelse leger. Chaucer werd omstreeks diezelfde tijd krijgsgevangen gemaakt in Rethel, een stadje ten noordoosten van Reims. Na betaling van een losgeld door Eduard III werd hij vrijgelaten. Ook Thomas de Vere (ca. 1336-1371), 8e graaf van Oxford, was als militair in dienst van de koning.

Aubrey de Vere (ca. 1338-1400), 10e graaf van Oxford, was een leeftijdsgenoot van Geoffrey Chaucer en Eduard III gebruikte hem als ambassadeur om vrede te sluiten met Frankrijk. Zijn zoon Richard de Vere (ca. 1385-1417), 11e graaf van Oxford, was ook een tijdgenoot, en dus geen onbekende, van Geoffrey Chaucer en zijn zoon Thomas. Na de dood van Richard in 1417, werd zijn zoon John de Vere (1408-1462), 12e graaf van Oxford, beschermheer van Thomas Beaufort (ca. 1377-1426), hertog van Exeter en in 1426 van Jan van Bedford (1389-1435), hertog van Bedford. Beide mannen waren bloedverwanten van Thomas Chaucer. Van Jan van Bedford is bekend dat hij verschillende verluchte manuscripten bestelde, waaronder het getijdenboek dat bekendstaat als Bedford Hours. Tot in 1513 bleef de Ellesmere Chaucer in het bezit van de familie de Vere.

De familie Drury Verscheidene aantekeningen of glossen, die in de 16e eeuw aan het manuscript werden toegevoegd, tonen aan dat het vanaf 1513 in het bezit was van de familie Drury.

“Robertus drury miles, William drury miles, Robertus drury miles, domina Jarmin, domina Jarningam, dommina Alington” en “Edwarde Waldegrave”Ellesmere Chaucer folio i verso

Deze glos verwijst naar Sir Robert Drury, naar zijn zonen, zijn dochters en zijn kleinzoon. Sir Robert Drury (?-1536) werd door Hendrik VII van Engeland geridderd na de Slag van Deptford Bridge in 1497. Hij was heer van het landgoed van Hawsted in Suffolk. Drury was een man van aanzien. In 1495 werd hij benoemd tot Speaker van het Britse Lagerhuis en persoonlijke raadgever van de koning. Bovendien was hij advocaat en een van de executeurs-testamentair van John de Vere (1442-1513), 13e graaf van Oxford. Bij de erfgenamen van John de Vere waren George Waldegrave en Sir Giles Alington, schoonzonen van Robert Drury. Gedurende de 16e eeuw werden in het manuscript nog meer namen geschreven, van mensen die gerelateerd waren met de familie Drury.

“ … per me henricum Payne”Ellesmere Chaucer folio 130

Op een bepaald moment schijnt het manuscript even te zijn overgaan naar iemand buiten de familie, want deze glos verwijst mogelijk naar Henry Payne uit Nowton, nabij Hawsted, een welgestelde advocaat, die in 1568 overleed. In zijn testament liet hij “my Chaucer written in vellum and illumyned with golde” na aan Sir Giles Alington, kleinzoon van Ursula Drury en haar echtgenoot Giles Alington. Daarmee kwam het manuscript opnieuw in de familie.

Lord Richard North De Ellesmere Chaucer bevat ook een aantal namen en glossen die geen verband hebben met de families de Vere en Drury, wat erop wijst dat het daarna nog van eigenaar is veranderd.

“1 Durum 5 Pati 68 R.North”Ellesmere Chaucer folio ii recto

Deze glos bevat de datum 1568 en het motto ‘Durum pati’ van Roger North (ca. 1530-1600), 2e baron North. Het is niet bekend hoe hij in het bezit kwam van het manuscript. Wat verder in het manuscript is deze glos herhaald en zijn twee verzen toegevoegd, gesigneerd met ‘R. N.’ of ‘R. North’Ellesmere Chaucer folio iv verso

De familie Egerton Na de dood van lord North in 1600 kwam het manuscript in handen van de familie Egerton, graven van Bridgewater. De vader van de eerste graaf was Sir Thomas Egerton (1540-1617), baron Ellesmere en viscount Brackley. Net zoals lord North was hij een trouwe dienaar van koningin Elizabeth I en lid van de kroonraad. In 1604 kocht Thomas een klooster in Ashridge in Hertfordshire, dat bekendstond als het 'College of Bonhommes'. Daar richtte hij de Bridgewater Library op, die later beschreven werd als de grootste privébibliotheek van het Verenigd Koninkrijk. Het manuscript maakte voortaan deel uit van die Bridgewater Library. John Egerton (1579-1649), die in 1617 1e graaf van Bridgewater werd, voegde de signatuur ‘Q3' aan het manuscript toe. Later werd dat door John Egerton (1622-1689), 2e graaf van Bridgewater, veranderd in ‘Q.3/3’. Van generatie tot generatie bleef de Ellesmere Chaucer in Ashridge tot het in 1802 naar het Bridgewater House in Londen werd overgebracht. In datzelfde jaar kreeg het een nieuwe binding en kwam het in handen van George Granville Leveson-Gower, 2e markies van Stafford, toen die de Bridgewater Library en andere bezittingen, waaronder het Bridgewater House in Londen erfde. Van 1803 tot 1833 werd het de Stafford Chaucer genoemd. Francis Egerton, die in 1846 1e graaf van Ellesmere werd, erfde de bibliotheek en het manuscript werd voortaan de Ellesmere Chaucer genoemd. Datzelfde jaar stelde de graaf het manuscript ter beschikking van wetenschappers. De bibliotheek bleef in het bezit van de familie tot ze door John Francis Granville Scrope Egerton (1872-1944), 4e graaf van Ellesmere de manuscripten en boeken te koop aanbood via Sotheby & Co in een speciale catalogus, die in december 1916 uitgegeven werd. De Ellesmere Chaucer werd als parel van die collectie aangeboden.

Henry Edwards Huntington In 1917 kocht Henry E. Huntington(1850-1927), spoorwegmagnaat en kunstverzamelaar de volledige Bridgewater bibliotheek als particulier van Sotheby & Co. Hij is de laatste particuliere eigenaar van de Ellesmere Chaucer. Vanaf zijn dood in 1927 wordt het manuscript permanent tentoongesteld in de bibliotheek van The Huntington.

Beschrijving Het Ellesmere Chaucer-manuscript is een prachtig voorbeeld van vakmanschap, met uitvoerige verluchting en met een reeks afbeeldingen van de pelgrims uit The Canterbury Tales. Het is duidelijk een luxeartikel, bestemd voor een welgestelde opdrachtgever.

Het manuscript, 28,4 cm op 40 cm groot, is waarschijnlijk in Londen gemaakt en gebonden. Omstreeks 1911 was het gebonden in donkergroen marokijnleer, met het wapen van de Egertons op de voorkant. In 1994 werd die moderne binding van het manuscript verwijderd en in 1995 werd het opnieuw gebonden volgens de originele 15e-eeuwse techniek.

De Ellesmere Chaucer beslaat 240 bladen vellum, waarvan er 232 de tekst van The Canterbury Tales bevatten. De verhalen zijn geschreven in een anglicana formata geschriftanglicana formata handschrift door de scribent die ook het Hengwrt Chaucer-manuscript heeft gekopieerd. In 2004 werd hij geïdentificeerd als Adam Pinkhurst.

De overige bladen bevatten verzen, aantekeningen en krabbeltjes van verscheidene personen.

De illuminatie Nadat de tekst gekopieerd was, werden decoratieve boorden met bloempatronen en krullen aangebracht in een klassieke stijl.