Het Middelheimmuseum is een Belgisch openluchtmuseum voor moderne en hedendaagse beeldhouwkunst. Het is gelegen in het Middelheimpark, onderdeel van het Nachtegalenpark, te Antwerpen. Het beeldenpark is zo’n dertig hectare groot. Het museum is het oudste van zijn soort en geniet internationale bekendheid. Het werd in 1951 geopend onder de naam Openluchtmuseum voor Beeldhouwkunst Middelheim.

Het museum trok in 2022 zo'n 535.000 bezoekers. Het is regelmatig het best bezochte museum van de provincie Antwerpen, en zelfs van Vlaanderen. Het museum is gratis en openbaar toegankelijk. Enkele van de bekendste werken zijn Balzac van Auguste Rodin, Het zotte geweld van Rik Wouters, Misconceivable, bekend als De kromme boot, van Erwin Wurm, The bridge without a name van Ai Weiwei en King and Queen van Henry Moore.

Geschiedenis Eerste vermeldingen (14e-15e eeuw) De oorsprong van het toponiem Middelheim is onduidelijk. Het stamt mogelijk uit de vroege middeleeuwen, en meer bepaald de Frankische tijd. In 1342 werd de naam voor het eerst gebruikt in een geschreven bron, weliswaar in het Middelnederlands als Middelhem. Het gebied behoorde in deze periode toe aan de kartuizers. Laureys van Aerschot de Jonge, een Antwerps schepen, was de eigenaar in 1399. Er werd dan gesproken van Middelheem. Een eeuw later, in 1499, werd het domein voor het eerst beschreven in een huurcontract.

Geliefd vrijetijdsdomein voor de elite (16e-19e eeuw) miniatuur|Het eerste bekende werk van het Middelheimkasteel, geschilderd in de zeventiende eeuw. Het schilderij bevindt zich in het Brusselse Broodhuis.

Het domein groeide tijdens de zestiende eeuw uit tot een zomerverblijf. Hier zouden tot het begin van de twintigste eeuw verschillende welgestelde Antwerpse families resideren. In 1563 werd het beschreven als een Hof van plaisantie. Een schilderij uit de zeventiende eeuw toont hoe het kasteel er destijds uitzag. In 1645 werd gesproken van een stenen huis van plaisantie dat op een omwaterde berg staat. Het domein kwam dat jaar in handen van Jan I van Weerden, die toen burgemeester van Antwerpen was. Hij kocht het van Lodewijk Doncker. Jan II van Weerden, de zoon van Jan I, vormde het kasteel en de omliggende gronden om naar zijn wensen. Een van zijn verwezenlijkingen was de aanleg van een dreef met zomerlinden, die later de Middelheimlaan zou worden. Bovendien maakte hij van het domein een fideï-commis. Hierdoor werd het een onvervreemdbaar familie-erfgoed. Gedurende de achttiende eeuw maakte het domein net als de rest van het Hertogdom Brabant deel uit van de Oostenrijkse Nederlanden. De naam van het landgoed werd in die periode verduitst tot het huidige Middelheim.

Landmeter J.C. van Lyere beschreef het domein in 1717 als een speelhof met stenen figuren, de gebruikelijke park- en hofbeelden, alsook een kapel, bloementuin, brouwerij, galerij en poorthuis. De heer van Wilrijk, Petrus-Fransiscus-Gisbertus van Schorel, werd in 1761 eigenaar van het landgoed. Hij was een groot kunstliefhebber en bewaarde werken van onder andere Peter Paul Rubens en Antoon van Dyck in het kasteel. De familie Van Schorel bezat het domein zo’n zestig jaar. Ondertussen bouwden ze het Middelheimkasteel om naar de stijl van Lodewijk XIV van Frankrijk. Hiervoor werd de neoclassicistische Franse architect Barnabé Guimard aangesteld. Op de Ferrariskaarten uit de jaren 1770 is te zien dat het kasteel omringd was door twee grachten, met daarrond voornamelijk akkers en enkele dreven.

miniatuur|Een tekening van het Middelheimkasteel anno 1855. Het behoorde toen tot de familie Le Grelle.

Begin negentiende eeuw werd de Franse ridder Édouard Parthon de Von, lid van de adellijke familie Parthon de Von, eigenaar van het landgoed. Hier schreef hij tweehonderd fabels, die in 1843 in het boek Fables werden gepubliceerd. Hij was daarnaast een plantenliefhebber, en liet bijgevolg enkele serres en een oranjerie bouwen. Hierin bracht hij zijn botanische collectie onder. Het grootste deel van deze collectie werd in 1842 mee aangekocht door Edmond Le Grelle. De familie Le Grelle, eveneens van adel, vormde de strakke, symmetrische tuin halverwege de negentiende eeuw om tot een tuin in vroeg-landschappelijke stijl. Op 22 juli 1872 werden het kasteel en de omliggende domeinen, in totaal ruim 44 hectare, opnieuw te koop gezet. Het landgoed werd door andere leden van de familie Le Grelle aangekocht.

Het kasteeldomein raakte in de jaren daarna in verval. Het landschap rond Middelheim en de nabije kasteeldomeinen Den Brandt en Vogelzang begon bovendien te verstedelijken. Een vierde gebied, het Wilrycksche Plein, dreigde hetzelfde lot te ondergaan. Dit gebied was militair domein, eigendom van de Belgische staat, maar grensde aan de kasteeldomeinen. In 1905 wilde de staat het Wilrycksche Plein gratis aan de stad Antwerpen overdragen. Wel werd de voorwaarde gesteld dat er in de buurt een groot openbaar park moest komen. De stad Antwerpen besliste in 1910 om de drie kasteeldomeinen aan te kopen. Door deze aankoop werd Antwerpen eigenaar van grote stukken Wilrijks en Berchems grondgebied. In 1911 stemde de Wilrijkse gemeenteraad in met een grenscorrectie. Een wet uit 1912 legde de gebiedsafstand officieel vast. Hierdoor werd de gemeente 118 hectare kleiner. Antwerpen betaalde Wilrijk 120.000 Belgische frank ter compensatie. Daarnaast beloofde de stad om tramlijn 5 door te trekken tot het centrum van Wilrijk. Berchem kreeg in ruil een gedeelte van de wijk Zurenborg.

Opening voor het volk, Olympische Spelen en wereldoorlogen (1911-1949) miniatuur|Het Middelheimpark rond 1920, met in de achtergrond het kasteel dat tot restaurant was omgebouwd.

De stad Antwerpen kwam haar belofte aan de staat na. Zodoende opende in 1911 een park bestaande uit de drie kasteeldomeinen. Het Wilrycksche Plein werd los daarvan omgevormd tot verschillende sportterreinen en een vliegveld. Het park kreeg de overkoepelende naam Nachtegalenpark. De voormalige landgoederen werden hierdoor voor het eerst toegankelijk gemaakt voor het grote publiek. De oprichters van het Nachtegalenpark beoogden echter vooral de elite als bezoekers. Er was bijvoorbeeld geen recreatieve infrastructuur aanwezig, en er waren dertig boswachters aangesteld om het park te beveiligen. In het Middelheimpark werden er bovendien regelmatig concours hippiques en andere disciplines binnen de elitaire paardensport georganiseerd. Deze traditie bleef behouden tot de jaren 1960. In 1912 werd het door architect Emiel Van Averbeke opgeknapte Middelheimkasteel geopend als restaurant. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bleef het park grotendeels gespaard. Er vond op 2 september 1914 wel een luchtaanval met een zeppelin plaats. Deze moest het centrum van Antwerpen aanvallen, maar werd hier weggehouden door de artillerie. Bij de aanval vielen een tiental lichtgewonden.

miniatuur|Het hoofdgebouw van de Koloniale Hogeschool in 2008. Achter dit gebouw bevindt zich het Middelheimpark.|links

Tijdens de daaropvolgende decennia werden verschillende delen van het Nachtegalenpark alsnog verkaveld. Zo werd in de jaren 1920 in het oosten van het Middelheimpark de Koloniale Hogeschool van België opgericht, naar een ontwerp van Walter Van Kuyck. De minister van Koloniën en kunstverzamelaar Louis Franck, afkomstig uit Antwerpen, was de bezieler van het project. Het Middelheimpark diende voor de sportieve activiteiten van de studenten, maar bleef wel toegankelijk voor de rest van de bevolking. Het Middelheimkasteel behoorde ook tot de school.

miniatuur|De binnenzijde van de Floraliënhal op het domein Middelheim. Hierin werden onder andere alle schermwedstrijden georganiseerd tijdens de Olympische Spelen van 1920.

In 1920 stond het Middelheimpark voor het eerst in de internationale belangstelling. Het park vormde dat jaar het decor voor verschillende Olympische disciplines. Er werd een tijdelijk gebouw geplaatst, de Floraliënhal. Hierin werd het schermen georganiseerd. Deze discipline ging aanvankelijk plaatsvinden in het Brusselse Egmontpaleis, maar werd verplaatst. Het schermen uit de moderne vijfkamp werd eveneens in het Middelheimpark georganiseerd. Mogelijk vonden er ook hockey- en polowedstrijden plaats. Voor de Spelen begonnen, vond een banket voor de atleten plaats in de Floraliënhal.

Na de Olympische Spelen keerde de rust terug in het park, waar tot de jaren 1940 weinig noemenswaardigs plaatsvond. Wel werd in de tussentijd een eerste beeld verworven voor het park. Dit was het werk Vengé van Jef Lambeaux. Het werd in 1922 in het park geïnstalleerd, en staat er nog steeds. Op dat moment was er nog geen intentie om van het park een museum te maken. Daarnaast werd er even overwogen om de wereldtentoonstelling van 1930 er te laten doorgaan, maar dit gebeurde uiteindelijk niet. Gedurende de Tweede Wereldoorlog werd het volledige Nachtegalenpark bezet door eerst de Duitsers en later de geallieerden. In park Den Brandt bevond zich het Belgische hoofdcommando voor de Atlantikwall. Het Middelheimpark werd voornamelijk gebruikt als opslagplaats. Het park kwam zwaar gehavend uit de oorlog. Er sloeg minstens één Duitse V-bom in, en het gebied raakte doordrenkt met olie en benzine. Na het wegtrekken van de geallieerden in 1946 werd het echter snel hersteld naar de vooroorlogse toestand.

Een jaar eerder, in 1945, werd aan architect Renaat Braem gevraagd een Medisch en Heelkundig Instituut te ontwerpen. Dit nieuwe ziekenhuis was voorzien voor de terreinen ten zuiden van de Koloniale Hogeschool, eveneens in het Middelheimpark. Het ziekenhuis werd geopend in 1970. De Koloniale Hogeschool was dan al enkele jaren gesloten. Van de school zijn het hoofdgebouw, de directeurswoning en drie koloniale monumenten bewaard gebleven. Deze werden in 2011 geregistreerd als beschermd monument. Rondom deze gebouwen werden er enkele nieuwe opgetrokken. Deze vormen Campus Middelheim van de Universiteit Antwerpen. Het Medisch en Heelkundig Instituut, later omgedoopt tot ZNA Middelheim, werd in 2019 vastgesteld bouwkundig erfgoed.

Eerste beeldententoonstelling en oprichting museum (1949-1951)

miniatuur|Ossip Zadkine (hier in 1965) was in 1950 aanwezig op de eerste beeldententoonstelling in het Middelheimpark.

Lode Craeybeckx, burgemeester van Antwerpen, woonde in 1949 een internationale beeldententoonstelling bij in het Park Sonsbeek, in het Nederlandse Arnhem. Deze tentoonstelling kwam voort uit een gelijkaardige tentoonstelling, de Open Air Exhibition of Sculpture. Deze vond een jaar eerder plaats in het Londense Battersea Park en was de eerste van zijn soort. Craeybeckx’ schepen van financiën, Willem Vrints, spoorde hem aan om een gelijkaardige tentoonstelling te houden in Antwerpen. De afgelopen twee jaar had Antwerpen zich al geuit als kunststad, met tentoonstellingen rond kerkelijke kunst en de schilder Antoon van Dyck. Uiteindelijk werd besloten deze beeldententoonstelling een jaar later, op 6 juni 1950, in het Middelheimpark te organiseren. Frans Baudouin, directeur van het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten, organiseerde het evenement. De tentoonstelling richtte zich voornamelijk op moderne beeldhouwkunst van de twintigste eeuw. Er waren 167 beelden van 121 kunstenaars te bezichtigen. In het Middelheimkasteel werd gelijktijdig een museum voor natuurwetenschappen geopend met de collectie van Den Botaniek. Deze verhuisde echter al snel naar de Antwerpse Zoo. De tentoonstelling trok zo’n 150.000 bezoekers en werd een groot internationaal succes. Tijdschriften van over de hele wereld, waaronder het Amerikaanse Time Magazine, wijdden een artikel aan de tentoonstelling. Op de opening waren enkele bekende kunstenaars aanwezig, waaronder de Fransman Ossip Zadkine. Hij zou tegen Craeybeckx gezegd hebben: