Mozes (Hebreeuws: מֹשֶׁה Mosje, Oudgrieks: Μωυσῆς Mōysēs of Μωσῆς Mōsēs, Latijn: Moyses of Moses, was volgens de Tenach de grootste profeet (op grond van Numeri 12:6-8, Deuteronomium 34:10 en Exodus 24:12). De Hebreeuwse Bijbel beschrijft hem als de leider van de Israëlieten bij de uittocht uit Egypte en tijdens de doortocht door de woestijn tot aan de grenzen van Kanaän. Traditioneel worden aan Mozes ook de eerste vijf Bijbelboeken toegeschreven (de Thora), waardoor de gehele wetgeving van Israël door zijn autoriteit werd geschraagd. Ook Job en Psalm 90 worden traditioneel aan Mozes toegeschreven.

Het bestaan van Mozes als historisch personage wordt sterk betwist. Belangrijk is de context van de exodus-verhalen. Met welk doel ze geschreven werden.

Etymologie van de naam Mozes

De naam Mozes werd afgeleid van het Egyptische werkwoord mś / mśj ("dragen"). Het is een verkorte vorm van de Egyptische naamvorm zoals Toetmosis "geboren uit Thot", waarbij het element dat de god benoemt, is weggevallen en betekent dus letterlijk: "geboren uit [een naamloze god]". In de Hebreeuwse Bijbel is de herinnering aan de Egyptische herkomst van de naam overgeleverd in het verhaal waarin de dochter van de farao het kind een naam geeft, waarbij haar een etymologie in de mond wordt gelegd die teruggaat op de Hebreeuwse stam mšh ("uittrekken"): "ik heb hem uit het water gehaald" (Exodus 2:10). Het is buitengewoon onwaarschijnlijk dat een dochter van de farao kennis van Hebreeuwse etymologie zou hebben; mogelijk berust deze herkomst op een legende. Bovendien kan objectief worden vastgesteld dat de context strijdig is met deze etymologische herleiding, die een passieve vorm van het werkwoord mšh is, die de betekenis "die [er]uit getrokken werd" doet verwachten. Ook werd Mozes nergens aangeduid met de uit de morfologie volgende betekenis "de [er]uit trekkende".M. Görg (2000): Mose - Name und Namensträger. Versuch einer historischen Annäherung, in: E. Otto (Uitg.): Mose. Ägypten und das Alte Testament (SBS 189), Stuttgart, pag. 17-42

Leven Jeugd miniatuur|Mozes in de Biezen door Elizabeth Jane Gardner (1878) Mozes' biografie begint tijdens de onderdrukking van de Israëlieten in Egypte, namelijk met de verplichte herendienst aan de farao om de steden Pitom en Raämses te bouwen (Exodus 1:11). De farao schrok echter van de opstandigheid en vermenigvuldiging van de Israëlieten (Exodus 1:12) en gebood Sifra en Pua, twee Hebreeuwse vroedvrouwen, de mannelijke pasgeborenen van zijn slaven te doden. Zij negeerden dit bevel, waarna de farao "heel zijn volk ... bevel [gaf] om alle Hebreeuwse jongens die geboren werden in de Nijl te gooien" (Exodus 1:15-23). In deze context vonden de geboorte en redding van Mozes plaats, kind (onwettig volgens SchmidK. Schmid (1999): Erzväter und Exodus. Untersuchungen zur doppelten Begründung der Ursprünge Israels innerhalb der Geschichtsbücher des Alten Testaments (WMANT 81), Neukirchen-Vluyn, pag. 152-157) van een man en vrouw uit de stam Levi - deze anonieme ouders werden later geïdentificeerd als Amram en diens tante Jochebed (Exodus 6:20). Het mooie kind werd eerst in huis verborgen, maar toen dit niet langer geheim kon worden gehouden, legde zijn moeder hem in een mandje van papyrus (de ark van Mozes) tussen het riet langs de oever van de Nijl (Exodus 2:1-3), waar hij uitgerekend door de dochter van de farao die de kindermoord had bevolen, werd ontdekt en gered. Zonder aarzelen aanvaardde deze prinses de raad van een haar onbekend meisje dat "toevallig" in de buurt stond toen zij het kind vond - een meisje dat de zuster van het kind bleek, later als Mirjam geïntroduceerd (Exodus 15:20; Numeri 26:59) - en bracht zij het kind onder bij een voedster die niemand anders bleek te zijn dan de moeder van het kind (Exodus 2:4-9). Nadat hij was gespeend en zijn naam Mozes kreeg, groeide hij op aan het Egyptische hof (Exodus 2:10).

Vluchteling links|miniatuur|Mozes en de brandende doornstruik. Schilderij door Rafaël (1518–1519) "Toen Mozes volwassen geworden was, zocht hij op een dag de mensen van zijn volk op." Hij doodde een Egyptenaar die een Hebreeër sloeg. "Toen de farao ervan hoorde, wilde hij Mozes laten doden. Daarom vluchtte Mozes voor de farao" (Exodus 2:11-15) en kwam in Midjan, het noordelijke deel van het Arabische schiereiland. Hier trouwde Mozes met Sippora, de dochter van de lokale priester Reüel (Exodus 2:18; vergelijk Exodus 4:18 en 18:1ff). Hun gemeenschappelijke zonen heetten Gersom (Exodus 2:22) en Eliëzer (Exodus 18:3).

Maar vóór alles is Midjan het vertrekpunt van Mozes' roeping in het verhaal over de brandende doornstruik. Hierin openbaart zich een voorheen anonieme godheid als de God JHWH, die het geweeklaag van Zijn volk had gehoord en zei de horige Israëlieten onder Mozes uit Egypte te bevrijden en naar een goed land te voeren. Toen Mozes aarzelde en in het vooruitzicht op onderhandelingen met de farao wees op zijn rammelende talent als woordvoerder, werd zijn broer Aäron aan hem toegevoegd als "mond" (Exodus 3:1-4:17).

Terug naar Egypte, de tien plagen en uittocht uit Egypte miniatuur|Ten overstaan van Farao en zijn gevolg veranderen Mozes en Aäron het water van de rivier in bloed. Schilderij door Jan Pynas (1610) Hierna keerden Mozes en zijn gezin terug naar Egypte en begon hij met zijn opdracht (Exodus 4:18-31). Er ontwikkelde zich een zware strijd tussen Mozes, Aäron en de Israëlieten aan de ene en de farao en zijn hof aan de andere kant. Uiteindelijk bracht de laatste van tien plagen, de dood van alle eerstgeborenen in de Pesachnacht, de farao eindelijk op de knieën om de Israëlieten te laten gaan (Exodus 5-12). Toen de farao over de uittocht van zijn horigen werd bericht, bedacht hij zich weer en zette de achtervolging in.

Bij de Schelfzee (Rode Zee) bereikten de achtervolgers de Israëlieten, die hierop in paniek raakten. Maar Mozes zegde hun de hulp van JHWH toe en door een wonder verschafte Hij een doorgang door de zee door deze te splijten. De Israëlieten konden over de droge bodem van de zee naar vrijheid lopen. Toen de Egyptenaren hen achtervolgden, sloot de zee zich echter weer en de farao kwam samen met zijn strijdkrachten om het leven (Exodus 14).Hoewel de tekst dit niet expliciet vermeldt, liet volgens de traditie de farao zelf hierbij ook het leven, zie Deuteronomium 7:18, 11:3, 29:1 en vooral Psalm 136:15

Dolen in de woestijn en de Tien Geboden links|miniatuur|Mozes toont de Israëlieten de nieuwe Tafelen der Wet door Ferdinand Bol (1662) Na deze overwinning bij de Schelfzee reisden de Israëlieten onder leiding van Mozes verder door de Sinaïwoestijn. Al snel kwam het tot conflicten, mede omdat proviand en drinkwater ontbraken. Mozes bad op verzoek van zijn volk tot JHWH, die hen voedde met manna en kwartels (Exodus 6:1-17; 7). De volgende uitdaging was het strijdbare woestijnvolk van de Amalekieten, die militair door Jozua en door Mozes via zijn gebed werden verslagen (Exodus 17:8-16). Uiteindelijk bereikten zij de berg Sinaï, de plaats van de fundamentele openbaring van God.

De Sinaïperikoop begint met de door Mozes overgebrachte belofte van de god JHWH, dat Israël een koninkrijk van priesters zou worden, een heilig volk, zo lang zij zich aan Zijn verbond hielden (Exodus 19:3-6). Na de bekendmaking van de Tien Geboden (Exodus 20:1-7; Deuteronomium 5:6-12) en het verbondsboek (Exodus 20, 22-23, 33), kwam het tot een verbond. Hierna volgden de Sinaïtische heiligdomswetten (Exodus 25-31; 35-40; Leviticus 1 - Numeri 10), waarvan de bekendmaking werd onderbroken door de gebeurtenissen rondom het gouden kalf: terwijl Mozes op de berg bij God was, overtrad het volk onder Aärons leiding het verbod op het aanbidden van vreemde goden en beelden (Exodus 32-34). Toen Mozes het lawaai van de om het beeld dansende mensen hoorde, daalde hij van de berg af en smeet hij de stenen tabletten waarop de tien geboden van JHWH waren geschreven aan stukken. Nog groter was de toorn van JHWH, maar het lukte Mozes met een indringende smeekbede namens het volk JHWH ervan te weerhouden het verbond met Zijn volk op te geven (Exodus 32:11-14).Vergelijk E. Aurelius (1988) Der Fürbitter Israels. Eine Studie zum Mosebild im Alten Testament (CB.OT 27), Lund

Van de Sinaï leidde Mozes het volk via de oase Kadesh Barnea naar de grens van het Beloofde Land. Maar vanwege de toenmalige zonden van het volk (Numeri 13f) moesten Mozes en de Israëlieten in totaal 40 jaar door de woestijn dolen, totdat zij in het gebied van de Moabieten kwamen, waar ze aan de Jordaan hun kampen opsloegen tegenover Jericho. Volgens Numeri 31 was de laatste daad van Mozes het voeren van de Oorlog tegen de Midjanieten, die volgens het verhaal geheel van de kaart geveegd werden: alle mannen werden gedood, alle steden verwoest en alle vrouwen, kinderen en vee uit Midjan meegenomen. Vervolgens zou Mozes het bevel hebben gegeven om alle krijgsgevangen Midjanitische jongens en niet-maagdelijke vrouwen te doden, maar de krijgsgevangen maagdelijke meisjes in leven te laten en te verdelen onder de Israëlitische mannen.

Dood miniatuur|Dood van Mozes door Alexandre Cabanel (1850) Bij Jericho hield Mozes zijn afscheidsrede. Hierna gaf JHWH hem opdracht de Neboberg te beklimmen. Vanaf die berg toonde JHWH Mozes het Beloofde Land. Hier stierf Mozes op een leeftijd van 120 jaar en werd door JHWH op een onbekende plaats begraven (Deuteronomium 34:1-12).

Datering 1 Koningen 6:1 geeft een datering voor Mozes' leven. Hierin staat dat de tempel van Salomo 480 jaar na uittocht uit Egypte werd gebouwd, die hierdoor op rond 1430 v.Chr. kan worden gedateerd, toen Mozes 80 jaar oud was (Exodus 7:7). Deze datering verhoudt zich niet tot de vermelding dat de Egyptenaren de Israëlieten gebruikten voor de bouw van de "voorraadsteden" Pitom en Raämses (Exodus 1:11). Dat laatste pleit voor een identificatie van de farao Ramses II (1279-1213 v.Chr.).

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de tijd waarover wordt geschreven en waarin deze wordt beschreven, dat wil zeggen de tijd waarin de vertellingen van Mozes werden geboekstaafd. Dit is een omstreden punt in het onderzoek naar de Pentateuch (de vijf boeken van Mozes). In het model van de documentaire hypothese wordt de oudste schriftelijke bron over Mozes, de zogenoemde Jahwist, gedateerd op de 10e eeuw v.Chr.W.H. Schmidt (1988): Exodus (BKAT II/1), Neukirchen-VluynM. Noth (1966): Überlieferungsgeschichte des Pentateuch, 3e druk, DarmstadtM. Noth (1984) Das zweite Buch Mose. Exodus (ATD 5), 7e druk, Göttingen Andere theorieën die zich niet op dit model baseren, denken tegenwoordig eerder aan een ontstaan rond de 8e eeuw v.Chr.J.C. Gertz (2000): Tradition und Redaktion in der Exoduserzählung. Untersuchungen zur Endredaktion des Pentateuch (FRLANT 186), GöttingenJ.C. Gertz (2002): Mose und die Anfänge der jüdischen Religion, ZThK 99, pag. 3-20J.C. Gertz (2008): Literaturgeschichte des Alten Testaments I, Tora und Vordere Propheten, in Grundinformation Altes Testament (UTB 2745), 3e druk, Göttingen of nog recenter.E. Blum (1990): Studien zur Komposition des Pentateuch (BZAW 189), Berlin / New YorkC. Levin (1993): Der Jahwist, FRLANT 157, Göttingen

Hoe dan ook zal een aanzienlijke kloof in tijd moeten worden geaccepteerd tussen de beschreven "gebeurtenissen" en een nauwelijks nog gereconstrueerde mondelinge en schriftelijke overlevering.

Voor een alternatieve datering en aanwijzingen voor het bestaan van Mozes, zie de theorie van David Rohl.

Historiciteit miniatuur|Exodus 40 op de Papyrus Oxyrhynchus 1075, 3e tot 4e eeuw n. Chr.