miniatuur|De wolkenkrabber met 29 verdiepingen, die de megalomane Nikolaj Roerich door Harvey Wiley Corbett liet bouwen in New York. Master Apartments, 310 Riverside Drive, Upper West Side, Manhattan, voormalig Master Institute of United Arts, gesticht in 1920, geopend in 1929. In 1936 werd het gebouw door geldschieter Louis Horch in bezit genomen. Nikolaj Konstantinovitsj Rjorich (Russisch: Николай Константинович Рерих), ook wel Nicholas Roerich of Nikolai Rerikh (Sint-Petersburg, 9 oktober 1874 – Punjab, 13 december 1947) was een Russisch kunstschilder, filosoof, theosoof, archeoloog, schrijver en reiziger. Hij was getrouwd met Helena Rjorich en ze hadden twee zonen: Joeri en Svetoslav.

Rjorich schilderde meer dan 7000 schilderijen; deze worden in de 21e eeuw in bekende musea over de gehele wereld tentoongesteld. Hij schreef verder nog 30 literaire werken. Nikolaj Rjorich voerde in zijn tijd internationaal de beweging voor cultuurbescherming aan en is bedenker en schrijver van het Rjorich-pact, een initiatief voor de bescherming van artistieke en academische instituties en historische vindplaatsen. Nikolaj Rjorich ontving in 1929 een nominatie voor de Nobelprijs.

Nikolaj en Helena waren er van overtuigd dat de 'geleide geest' (spirit guide) Allal-Ming dezelfde was als Meester (mahatma) M. (Morya) van Helena Blavatsky (1831-1891), de grondlegger van de Theosophical Society. Nikolaj kreeg rijke geldschieters, maakte een reis door Centraal-Azië (1924-1929) en liet als megalomaan een wolkenkrabber van 29 etages bouwen voor zijn Instituut in New York.

Tijdens de expeditie door Centraal-Azië zou zijn vrouw Helena Rjorich, Urusvati, een fragment van de heilige Chintamani bij zich dragen, een wonderbaarlijke steen uit de constellatie van Orion, die de familie in Parijs had ontvangen. De steen zou van Atlantis afkomstig zijn. De 'Meesters' zouden, volgens hun 'gids', namelijk Helena Rjorich hebben verkozen om de 'Moeder van de Wereld' te symboliseren, het 'vrouwelijke principe van het nieuwe tijdperk'.Drayer (2003), p. 86

In 1919 nog een tegenstander van het bolsjewisme, wilde Nikolaj in 1926 met de bolsjewieken samenwerken om een boeddhistische federatie op te richten, een 'Nieuw Land': het communisme en boeddhisme zouden veel overeenkomen en Lenin werd geprezen door zijn Meester 'Morya'. Het Nieuwe Land zou geregeerd worden door de Panchen lama en Nikolaj Rjorich.

Nikolaj Rjorich bracht in 1926 berichten van de 'mahatma's' over aan de sovjet regering voor verdere samenwerking en gaf een kistje met aarde van de Himalaya voor het graf van 'mahatma' Vladimir Lenin ten geschenke. Rjorich geloofde in de spoedige komst van Maitreya ('Christus'), de toekomstige boeddha, zoals verkondigd werd (ná het overlijden van Blavatsky) in de neo-theosofie van Annie Besant en Charles Webster Leadbeater, in de leringen van Alice Bailey van 1919-1949 en later door Benjamin Creme (1922-2016). Volgens Rjorich zou Rigden Jyepo, de koning van Shambhala, spoedig met een groot leger de krachten van het kwaad vernietigen, waarna het Tijdperk van Maitreya zou aanbreken. De Panchen lama zou herboren worden als de Rigden Jyepo en de regering van Maitreya zou beginnen.Drayer (2003), p. 84

Familie, kinderjaren en studie De naam Roerich stamt oorspronkelijk uit het oud-Scandinavisch en betekent roemrijk. Leden van de Rjorich-familie bezaten sinds de tijd van Peter de Grote prominente militaire en bestuurlijke posten en de vader van Nikolaj, Konstantin Fedorovich, was een bekend notaris, geboren in Riga, Latvia. Zijn moeder Maria Vasil'evna Kalashnikova, stamde uit een handelsfamilie uit Pskov. De Roerichs hadden een huis aan de Neva tegenover de Admiraliteit. Tijdens wintervakanties vertrokken ze naar hun landhuis, 55 mijl naar het zuidwesten, dat de vorige bewoner Isvara, had genoemd, wat Sanskriet is voor 'heer' of 'heilige geest'. Er hoorde 3000 hectare grond bij. Nikolai leed tot zijn elfde aan langdurige bronchitis en zwakke longen en de dokter schreef hem de frisse, koude lucht van de winter en lente voor, waardoor hij uitgebreid het land en de bossen kon verkennen, vaak met de manager van het landgoed. Nikolaj hield van jagen en luisterde graag naar de verhalen van de boeren. Hij hield van verhalen over Russische helden en historische gebeurtenissen. Hij voerde, met zijn oudere zus Lydia en jongere broers Boris en Vladimir, zelfgemaakte toneelstukjes op, over Vikingen, Djenghis Khans leger en Marco Polo. Toneel, wetenschap en geografie waren zijn favoriete onderwerpen. Al op 16-jarige leeftijd leerde hij wetenschappelijke methoden om opgravingen te doen, door tijdens de zomer een archeoloog te vergezellen.

Al vanaf zijn jeugd werd Nikolaj aangetrokken door schilderijen, archeologie, geschiedenis en oriëntaalse kunst. Nadat hij het Karl von May Gymnasium afsloot in 1893, volgde hij twee opleidingen naast elkaar: de studie Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Sint-Petersburg waarvoor hij slaagde in 1898 en de Keizerlijke Kunstacademie, waarvoor hij in 1897 slaagde. Het schilderij dat zijn afstudeerwerk betekende, De boodschapper, werd gekocht door de bekende handelaar in Russische kunst Pavel Tretjakov.

Vanaf 1895 studeerde hij in het atelier van de landschapschilder Archip Koeindzji, dat van de historieschilder Ilja Repin, waarvoor hij had gekozen, was vol. Het werk van Viktor Vasnetsov was voor hem een inspiratiebron. Hij onderhield contact met verschillende bekende namen in de kunstwereld van die tijd, zoals Vladimir Stassov, Ilja Repin, Nikolaj Rimski-Korsakov en Serge Diaghilev. Al tijdens zijn studie werd Rjorich lid van het Russisch Archeologisch Genootschap. Hij voerde verschillende opgravingen uit in Sint-Petersburg, Pskov, Veliki Novgorod, Tver, Jaroslavl en in de Oblast Smolensk. Op zijn 23e had hij archeologische expedities geleid door Rusland en wetenschappelijke verhandelingen over Salvische en Finse archeologie van de 11e tot de 14e eeuw geschreven. Verschillende artikelen werden gepubliceerd in Art and Archaeology en andere tijdschriften en hij ontving lof van de Archaeological Society of Prussia, toen hij ornamenten van amber had gevonden bij de Oostzee. Nikolaj werd daarvoor tot jongste lid verkozen van de Imperial Archaeological Society.

In 1899, toen Roerich 24 jaar was, stuurde de Imperial Archaeological Society hem naar de provincies van Pskov, Tver en Novgorod om de oudste Russische monumenten te bestuderen. Het huis van prins Pavel Poetjatin, die ook archeoloog was, lag op zijn route en hij bracht er de nacht door. Prins Poetjatin was de zwager van de moeder van Nikolajs toekomstige echtgenote en zo leerde Nikolaj de vijf jaar jongere Jelena Ivanovna Sjaposjnikova kennen. Ze kwam uit een onderscheiden en aristocratische familie, de componist Moessorgsky was haar oom en Michail Koetoezov, die het Russische leger had geleid tegen Napoleon Bonaparte in de oorlog van 1812, was haar 'grootoom'. Jelena was bijzonder intelligent, mooi en getalenteerd, bijzonder sensitief en speelde uitstekend piano. Op haar zevende kon ze Frans, Duits en Russisch lezen en schrijven. Toen ze Nikolaj ontmoette had ze de collectie boeken in haar grootvaders bibliotheek gelezen en had ze de filosofieën en tradities van het Oosten bestudeerd, zoals de Bhagavad Gita, Mahabharata en de drie Veda's. Nikolaj en Jelena merkten dat ze, op de jacht na, veel interesses deelden. Jelena's vader was al overleden en Nikolajs vader overleed in de lente van 1900, gedesillusioneerd en depressief. De Rjorichs bleven achter met schulden en Isvara werd verkocht. Ze trouwden in de herfst van 1901.

Rjorich werd secretaris van de Society for the Encouragement of the Arts en organiseerde tentoonstellingen en lezingen. Hij werd assistent editor van Art & Artistic Industry, een tijdschrift waar voor hij al had geschreven. Het stel bestudeerde Vivekananda, Ramakrishna, Boeddha en het werk van de Indiase dichter Rabindranath Tagore. In de eerste drie jaar van hun huwelijk werden hun twee zonen geboren. Nikolaj raakte geïnteresseerd in de Steentijd en hij verzamelde zo'n 75000 relieken.

De eerste International Buddhist Conference in 1891 was het begin van een 'Boeddhistische opleving', die ook Rusland beïnvloedde.

Samen met prins Poetjatin ontdekte hij vanaf 1904 verschillende neolithische vindplaatsen in de buurt van Valdaj. De neolithische vondsten van Rjorich brachten toen veel sensatie teweeg in Rusland en West-Europa.

thumb|240px|Datsan Gunzechoinei, de boeddhistische tempel in Sint Petersburg, van datsan (tempel) en gunzechoinei (de bron van boeddha's religieuze leer, die diep mededogen heeft voor alle wezens). In 1907 wist Kambo Laramba Agvan Dorzjiejev, een Boerjaat uit Siberië en een belangrijke persoon in de oosterse Russische politiek, tsaar Nicolaas II te overtuigen van het belang van een boeddhistische tempel in Sint Petersburg. Dorzjiejev verzamelde het geld voor de bouw van de tempel, die werd opgedragen aan de 13e Dalai lama, die er zijn zegen voor gaf. Dorzjiejev streefde naar een Tibetaans-Mongoolse federatie met Rusland, een geestelijk rijk geleid door de Dalai lama onder bescherming van de tsaar. Nikolaj Rjorich steunde de bouw en ontwierp glas in lood voor de tweede verdieping. Nikolaj was onder de indruk van Dorzjiejevs ideeën over vrede, broederschap en verlichting en de voorspelling dat het rijk van Shambhala aanstaande was. Als de Panchen lama uit Tibet zou vertrekken, zou er een eindstrijd volgen en een Nieuw Tijdperk aanbreken. Het mythische Shambhala zou ten noorden van Tibet, op Russisch grondgebied liggen, volgens Dorzjiejev. De bouw van de tempel was controversieel en sommige mensen wilden onderzoek doen naar Roerichs achtergrond, ze vermoedden dat hij Mongools bloed door de aderen had stromen, zo'n actieve rol speelde hij in de bouw ervan. Volgens Nikolaj waren de grootste kunstenaars en meesters te vinden geweest in het hoofdkwartier van de Tataarse kans in Azië.

Rjorich werd tot directeur van de Society for the Encouragement of the Arts gepromoveerd, die 63 leraren en 2000 studenten had. Het was een van de grootste academies van Rusland. Hij behoorde tevens tot de Society for the Protection and Preservation of Monuments of art and Antiquity in Russia, de Reims Academy, de Vienna Secession en de Paris Salon.

Artiest Schilder en archeoloog thumb|Nikolaj, Helena, Joeri en Svetoslav Rjorich In zijn beginperiode schilderde Rjorich veelal in oudere schildergenres en maakte hij onder meer de volgende doeken: Vergadering van de ouden (1898), Weeklachten van Jaroslavs dochter (1893), Begin van Rusland – De Slaven (1896) en Idolen (1901). Het pionierswerk en een eigen stijl kwamen in deze werken tot uitdrukking, met een brede aanpak van compositie, heldere lijnen, laconisme, kleurzuiverheid en eenvoud. Op 24-jarige leeftijd, rond 1898, werd Nikolaj Rjorich assistent-redacteur van het kunsttijdschrift Isskoestvo i choedozjestvennaja promisjlennost (De kunst en kunstindustrie) en rond dezelfde tijd directeur-assistent van het Keizerlijk Kunstaanmoediging Genootschap Museum. Drie jaar later werd hij secretaris van dit genootschap.

In 1899 ontmoette hij zijn latere vrouw, de schrijfster Jelena Ivanovna Sjaposjnikova. Samen hadden ze twee kinderen: de tibetoloog Joeri Rjorich en de kunstschilder Svetoslav Rjorich.

Nikolaj Rjorich schilderde, vooral met schildersezel en palet, monumentale schilderingen als fresco's en mozaïeken en ook aan theaterdecors. Zo maakte hij werk voor Sneeuwmeisje, Per Gunt, Prinses Malen en Walküre.

Van 1903-1904 maakten Nikolaj Rjorich en zijn vrouw Helena een reis langs meer dan veertig oude Russische steden die bekend stonden om hun oude monumenten. Het doel van deze Reis door oude tijden was de studie van de wortels van de Russische cultuur. De reis bracht niet alleen een serie van in totaal negentig schetsen voort, maar ook archeologische artikelen die van grote waarde waren op het gebied van oude Russische architectuur en icoonschilderingen.

Filosoof