thumb|Emil Kraepelin (tussen 1886 en 1891) doceerde psychiatrie in Tartu (Estland), Heidelberg en München Emil Wilhelm Magnus Georg Kraepelin (Neustrelitz, 15 februari 1856 – München, 7 oktober 1926) was een van de grondleggers van de moderne psychiatrie. Zijn classificatiesysteem voor psychiatrische ziekten diende als grondslag voor het huidige DSM classificatiesysteem. Hij deelde de endogene psychosen in twee hoofdgroepen in: Dementia praecox en het manisch-depressive Irresein. Kraepelin introduceerde in 1910 de term 'ziekte van Alzheimer'. In 1917 stichtte hij een onderzoeksinstituut voor psychiatrie, dat na de tweede wereldoorlog het Max-Planck-Institut für Pychiatrie werd.

Daarnaast was Kraepelin een van de eerste leerlingen van Wilhelm Wundt, de grondlegger van de experimentele psychologie. Zijn belangrijkste bijdrage aan de psychologie is zijn studie van de droomtaal (die Traumsprache), waarover hij in 1906 in een baanbrekende monografie berichtte. Kraepelin heeft in tientallen jaren honderden voorbeelden van droomtaal verzameld.

In 2005 is de code van Kraepelin's droomtaal gekraakt. De daarbij gebruikte methode is, met kleine aanpassingen, toepasbaar in de klinische- en forensische psychiatrie. Daarnaast kan met de methode de theorie van de taalkundige Roman Jakobson over zijn eigen droomtaal kritisch ondervraagd worden.

Biografie Kraepelin werd op 15 februari 1856 geboren in Neustrelitz. Zijn vader was muziekleraar en toneelspeler aan het theater van Neustrelitz. Later legde deze zich toe op voorleesavonden uit het werk van de dichter Fritz Reuter (1810–1874). Emil Kraepelin studeerde geneeskunde in Würzburg en Leipzig, alwaar hij de filosoof en psycholoog Wilhelm Wundt leerde kennen.thumb|de psychiatrische kliniek in MünchenHij werd als opvolger van Auguste Forel in München assistent van professor Bernhard von Gudden. In deze vierjarige periode paste Kraepelin veel van Wundts onderzoekstechnieken toe, zoals associatietesten. In 1882 aanvaarde hij in Leipzig een benoeming tot eerste assistent van Paul Emil Flechsig, die psychiater was, met een speciale interesse voor neuroanatomie en neuropathologie. Zodoende kon Kraepelin in zijn vrije tijd onderzoek doen in het psychologisch laboratorium van Wundt. Lange tijd overwoog hij zich op de psychologie toe te leggen, maar op advies van Wundt besloot hij zich geheel aan de psychiatrie te wijden. Nadat hij in juni 1882 op staande voet ontslagen was door Flechsig, keerde hij terug naar Von Gudden in München. Na enige andere posities bekleed te hebben werd Kraepelin in 1886 benoemd tot professor in de psychiatrie aan de universiteit van Tartu in het huidige Estland.

Van 1891 tot 1903 was Kraepelin professor in Heidelberg en van 1903 tot 1921 in München. In Heidelberg gaf hij sinds 1895 het tijdschrift Psychologische Arbeiten uit. In dit tijdschrift verschenen voornamelijk experimenteel psychologische artikelen, maar een enkele keer ook een afwijkend artikel. Zo publiceerde Kraepelin in 1906 Über Sprachstörungen im Träume in dit tijdschrift. Dit artikel was een verslag van Kraepelins 20-jarige onderzoek naar de taalstoornissen in de droom als analogon van de schizofrene taalstoornis (zie verderop bij droomtaal). Aldaar besloot Kraepelin in datzelfde jaar om geheelonthouder te worden. Hij werd een belangrijke exponent van de geheelonthoudersbeweging.

Op basis van zijn langdurig onderzoek en met gebruik van zijn criteria voor verloop, afloop en prognose ontwikkelde hij in Heidelberg het concept van de dementia praecox, de eerste aanzet tot de beschrijving van de schizofrenie.

Begin 1904 bezocht Kraepelin Java om onderzoek te doen naar het voorkomen van psychiatrische ziekten onder de inheemse bevolking. Later, in 1925, deed hij hetzelfde bij de Indianen in Noord-Amerika. Hij werd daarmee een van de grondleggers van de transculturele psychiatrie.

In 1917 richtte Kraepelin, ondersteund door royale fondsen, in München een onderzoeksinstituut voor de psychiatrie op. Hieraan waren eminente onderzoekers als Franz Nissl en Korbinian Brodmann, die werkten aan de hersentopografie, verbonden. Dit instituut werd later opgenomen in het Kaiser-Wilhelm-Gesellschaft en na de Tweede Wereldoorlog in de Max-Planck-Gesellschaft.

Kraepelin overleed op 7 oktober 1926 in München. Hij had vier dochters, waarvan de oudste, Toni, ook psychiater werd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte zij in het streekziekenhuis Günzburg, van waaruit patiënten werden aangemeld voor euthanasie in het euthanasiecentrum Hartheim Toni heeft daaraan in aantoonbaar twee gevallen meegewerkt. Zie p.157/158 van het proefschrift van Jana Prokop uit 2022..

Het Nazi-verleden van het MPIP duikt op In februari 2016 werden door een externe commissie in het Historische Archief van het Max Planck Instituut voor Psychiatrie (MPIP) hersenpreparaten van euthanasie-slachtoffers uit het Nazi-verleden van dit instituut aangetroffen. Deze preparaten golden officieel sinds 1990 als begraven. Voor deze zaak werd de chef van het archief, Matthias Weber, verantwoordelijk geacht en deze werd daarom ontslagen. Welke leidinggevende(n) van deze affaire nog meer weet hadden is nooit boven water gekomen. Ook is onduidelijk wat met het geld dat voor de begrafenissen in 1990 was gereserveerd gebeurd is.

Psychiatrie of psychologie? thumb|Vanitas, 1630, Pieter Claesz. Toen Kraepelin in juni 1917 zijn voordracht Hundert Jahre Psychiatrie hield ter gelegenheid van de feestelijke opening van de Deutsche Forschungsanstalt (für Pychiatrie) stond hij op het hoogtepunt van zijn carrière. Daags erna reeds ontving hij van zijn vroegere collega Paul Mayser een brief waarin deze spottend inging op de inhoud van Kraepelin's voordracht. Onder andere vermeldde hij dat Otto Binswanger betere resultaten behaalde dan de academische psychiatrie. Mayser ging ook lang in op een schedel, een bekend symbool van sterfelijkheid, in zijn bezit, die hij Kraepelin cadeau wilde doen Zie Emil Kraepelin in München II. 1914-1921, p. 289-291..

Ook Kraepelin's twee oudste dochters uitten impliciet kritiek op de voordracht van hun vader, waarin nergens de droomtaal vermeld werd. Zowel Toni als Eva produceerden een voorbeeld van droomtaal in juni 1917. Deze twee voorbeelden werden de aanleiding voor Kraepelin om dit onderwerp vanaf begin 1918 weer op te pakken, nadat hij in de jaren 1907-1917 slechts 20 voorbeelden genoteerd had. Zijn eerste droom van 1918 ging over de reparatie van een fietsband: Toni had in juni 1917 over Kautschuk gedroomd.

Voor de buitenwereld was Kraepelin de psychiater. Zijn familie wist wel beter. Hij had in 1882 gekozen voor dit vak om een goed inkomen te hebben en een gezin te kunnen stichten, maar zijn hart lag bij de psychologie.

Systematiek van psychiatrische ziekten Kraepelin was een van de eerste psychiaters die zich serieus met de systematiek van psychiatrische ziekten bezighield. In zijn werk probeerde hij een synthese te formuleren van de honderden psychische aandoeningen die in de 19e eeuw waren gedefinieerd. Hij groepeerde de ziektebeelden op basis van gemeenschappelijke patronen van symptomen in plaats van op afzonderlijke symptomen, zoals zijn voorgangers hadden gedaan. Hieruit wist Kraepelin een succesvol nieuw systeem van psychiatrische diagnostiek te creëren. Een van zijn uitgangspunten was dat psychische aandoeningen ontstaan door biologische en genetische factoren. Kraepelin was een collega van Alois Alzheimer en in Kraepelins laboratorium werd de pathologische basis ontdekt van wat nu de ziekte van Alzheimer wordt genoemd.

In Tartu kreeg hij de leiding over de universiteitskliniek, waar hij de gelegenheid had zich aan zijn studie te wijden en veel gedetailleerde patiëntenhistories op te stellen. In de classificatie van psychische aandoeningen begon hij het belang te overwegen van het verloop van een ziekte. Tien jaar later maakte hij bekend dat hij een nieuwe manier had ontwikkeld voor het indelen van psychische ziektebeelden. Hij noemde de traditionele manier symptomatisch en zijn eigen methode klinisch.

Kraepelin postuleerde dat aan iedere grote psychische aandoening een hersenziekte of andere biologische ziektebeelden ten grondslag liggen. Hij was ervan overtuigd dat na verloop van tijd de pathologische oorzaak van alle grote psychische aandoeningen ontdekt zou worden. Een van de kardinale principes van de methode is dat ieder willekeurig symptoom in vrijwel alle aandoeningen kan voorkomen: bijna alle symptomen van de bipolaire stoornis komen bijvoorbeeld ook wel bij schizofrenie voor. Het symptomatische onderscheid in ziektebeelden (in contrast met de onderliggende pathologie) betreft dus niet een bepaald symptoom, maar een specifiek patroon van symptomen. Doordat er geen fysiologische of genetische test is, is het alleen mogelijk ze te onderscheiden aan de hand van deze specifieke symptomenpatronen.

Kraepelin toonde ook specifieke patronen aan in de genetica van patiënten en specifieke en karakteristieke patronen in het verloop en de afloop van de ziekte. Over het algemeen heeft een schizofrene patiënt meer schizofrenen in de familie dan gemiddeld en komen manie en depressie vaker voor bij familieleden van bipolaire patiënten.

Ook rapporteerde Kraepelin een patroon voor het verloop en de afloop van deze condities. Hij geloofde dat de bipolaire stoornis zich uitte in episoden, waartussen de patiënten relatief weinig symptomen vertoonden en dat dementia praecox een doorlopend verval van de geestelijke functies kende. Dementia verwijst naar het onomkeerbare geestelijke verval. Daarom gaf hij de naam dementia praecox aan wat we nu schizofrenie noemen. Later werd duidelijk dat dementia praecox niet noodzakelijk tot geestelijk verval leidt.

De naam dementia praecox betekent 'vroegtijdige dementie' en werd voor het eerste gebruikt door de Franse psychiater Bénédict Morel (1809–1873). Morel gebruikte de benaming démence précoce voor het eerst voor het ziektebeeld van een erfelijk soort van 'psychologische degeneratie' bij een 14-jarige jongen. Arnold Pick (1851–1924) gebruikte de Latijnse vorm Dementia praeocox in een artikel uit 1891, waarop Kraepelin in 1893 deze term invoerde ten behoeve van zijn nieuwe nosologische systeem waarin hij een groep ziekten met samenhangende symptomen beschreef. De ziekte werd nog een tijd de ziekte van Kraepelin-Morel genoemd.

In 1908 gaf Eugen Bleuler de ziekte de nieuwe naam schizofrenie, die in feite een variant was van de ziektenaam hebefrenie, letterlijk Jugendirresein. Op het fundament van de hebefrenie was in 1893 de eerste versie van Kraepelins dementia praecox ontstaan. Wat voor zijn tijd als psychose werd aangeduid, werd door Kraepelin in twee onderscheiden groepen ingedeeld: Manisch-depressieve stoornis, tegenwoordig gezien als een groep stemmingsstoornissen, waaronder klinische depressie en bipolaire stoornissen. Dementia praecox, later door Eugen Bleuler hernoemd tot schizofrenie. Ook gebruikte Kraepelin als eerste de term paranoia.

Het heeft tot halverwege de twintigste eeuw geduurd voor het werk van Kraepelin evenveel aandacht kreeg als de theorieën van Sigmund Freud (1856-1939), maar zijn benadering speelt tegenwoordig een zeer grote rol in de psychiatrie, die steeds 'biologischer' en 'genetischer' van aard is geworden. Ook in de gebruikte indelingen van het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders in het DSM-IV dat de American Psychiatric Association hanteert en het ICD-systeem van de Wereldgezondheidsorganisatie is de hand van Kraepelin nog duidelijk te herkennen, hoewel de exacte categorieën die tegenwoordig worden gebruikt ten dele wel sterk verschillen van de oorspronkelijke van Kraepelin.

Kritiek op de term 'schizofrenie'