De Radiodienst van de Raad van Verzet was een onderdeel van het Nederlands verzet in de Tweede Wereldoorlog dat een binnenlands radiotelegrafisch netwerk van zenders beheerde en onderhield. De Radiodienst werd door Jan Thijssen (1908-1945) ten behoeve van de Raad van Verzet (RVV) in januari 1944 opgericht. Het binnenlandse netwerk werd in de zomer van 1944 operationeel en het was tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog in gebruik door de RVV en de daarmee samenwerkende verzetsorganisaties. Vanaf medio januari 1944 werkten de medewerkers van de Radiodienst nauw samen met de agenten van het Bureau Inlichtingen (BI).

Oprichting Nadat Pieter Jacob Six (1894-1986), de chef staf van de Ordedienst (OD), Jan Thijssen op 31 december 1943 wegens eigengereid optreden uit de OD had gezet, begon Thijssen met taaie vasthoudendheid meteen aan de opbouw van een nieuw binnenlands zendernet. Het nieuwe zendernet werd gelieerd aan de RVV. De Radiodienst van de Raad van Verzet werd in de zomer van 1944 operationeel.

Eind december 1943 was de nieuwe Radiodienst van Thijssen landelijk nog niet veel meer dan een radioschema. Toen medewerkers van de Radiodienst, die werkzaam waren bij de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek in Hilversum, de kans zagen om in de fabriek materiaal voor dertig radiozendontvangers achterover te drukken werd de droom van Thijssen werkelijkheid. Het binnenlands zendernet zou uitgroeien tot een verbindingsnet over heel Nederland. Het zendernet bestond uit twaalf tot veertien kringen. In elke kring bevond zich een radiogroep. De marconisten bij de radiogroepen waren afkomstig uit de scheepvaart of van de KLM. Na de bevrijding van Eindhoven op 19 september 1944 was er door de frontlinies heen een rechtstreekse verbinding tot stand gekomen tussen de radiokring Eindhoven en de hoofdpost van het binnenlandse zendernet in Maarn. Naast het zendernet had de Radiodienst evenzo de beschikking over een netwerk van koeriers. In het geval men het uit veiligheidsoverwegingen nodig achtte, werden de berichten via het koeriersnet verzonden. In het begin verplaatste de koeriers zich per trein. Na de spoorwegstaking van 1944 werd veelal van de fiets gebruikgemaakt.

Een boodschapper naar Londen Na de April-meistakingen van 1943 was door de RVV in de loop van het jaar diverse malen telegrafisch om hulp van de Nederlandse regering in Londen verzocht. Reacties hierop waren uitgebleven. In september 1943 besloot de RVV om een boodschapper naar Londen te sturen. Jan Thijssen, die op dat moment nog voor de OD werkzaam was, besloot zijn vriend Andreas Wilhelmus Maria Ausems naar Engeland te sturen en aan hem Het Verslag Ervaringen Hoofd Radiodienst mee te geven. In het verslag stonden de doelstellingen beschreven die Thijssen met zijn Radiodienst en de RVV nastreefde.

Ausems was woonachtig in Zaandam. Hij had als werktuigbouwkundige bij Fokker (bedrijf) gewerkt. Vanaf de inval van de Duitsers had hij bij Fokker reparatieopdrachten van de Luftwaffe gesaboteerd. Toen de Duitsers de sabotage ontdekten was Ausems in Baarn ondergedoken. In september 1943 bereikte hij via een ontsnappingsroute Madrid. In Madrid kwam hij in contact met de wervings- en selectie-officier van het Bureau Inlichtingen (BI) de kapitein dr. Jan Marginus Somer. Via de bemiddeling van Somer bereikte Ausems Londen en was hij in staat om bij het BI en de Nederlandse regering de boodschap van Thijssen over te brengen.

De agenten voor de Radiodienst van de Raad van Verzet Aan het einde van 1943 waren minister president Pieter Sjoerds Gerbrandy en zijn kabinet tot de conclusie gekomen dat het Nederlandse verzet te verzuild was geraakt. De bewindslieden wilden overgaan tot coördinatie en bundeling van het verzet. Deze coördinatie en bundeling zou in een later stadium van de oorlog moeten leiden tot de oprichting van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Om de RVV, de OD en de Landelijke Knokploegen (LKP) samen te laten smelten tot een verzetsorganisatie waren door Gerbrandy en zijn kabinet samenwerkingsrichtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen werden later bekend als de 19 punten van Gerbrandy. De Nederlandse regering in Londen zag in Ausems een geschikte persoon om zich met een document waarin de samenwerkingsrichtlijnen waren beschreven tot de verschillende verzetsgroepen te wenden. Het document was op microfoto's vastgelegd.

Na de gesprekken met Ausems besloot de leiding van het BI om vanaf januari 1944 en de daaropvolgende maanden een groep agenten boven bezet Nederland te parachuteren. De groep bestond uit organisatoren en radiotelegrafisten. Met de radiotelegrafisten wilde het BI een zendgroep oprichten om steun te kunnen verlenen aan de Radiodienst van Jan Thijssen. De organisatoren hadden de taak om de verzetsleiding in bezet gebied, te ondersteunen bij de coördinatie en bundeling van het verzet. Op het moment dat de tijd daar rijp voor was zou het Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO) agenten en materiaal boven bezet gebied parachuteren om de RVV met personeel en materieel steun te verlenen. Op dat moment was in Londen bij niemand bekend dat Thijssen als hoofd van de Radiodienst van de OD was ontslagen. Hier zou uit voortvloeien dat de eerste agent, die naar de Radiodienst door het BI afgevaardigd werd, niet bij de Radiodienst van de Raad van Verzet, maar bij de contactpersoon van Ausems zou belanden. De contactpersoon van Ausems was Hein Optenvelde. Hij was de chef Technische dienst van de Radiodienst van de OD en voor 31 december 1943 was hij bij de Radiodienst de naaste medewerker van Jan Thijssen.

Harm Steen en Josephus Adriaansen In de nacht van 10 op 11 januari 1944 werden de organisator Harm Steen (codenaam: Witte Beeren) en de radiotelegrafist Josephus Adriaansen (codenaam: Leonards) in de omgeving van Breda bij Rijsbergen geparachuteerd. De beide agenten moesten een veelheid van opdrachten uitvoeren. Aan Steen was een bedrag van tien miljoen gulden in de vorm van een Regeringsvolmacht toevertrouwd. De kredietfinanciering moest worden afgegeven in Amsterdam bij Walraven van Hall (1906-1945). Van Hall was als commissionair op de Amsterdamse effectenbeurs werkzaam. Van Hall was samen met Iman Jacob van den Bosch in bezet Nederland een bindende factor binnen het verzuilde verzet. Zij hadden de taak op zich genomen om het geld dat door de regering in Londen ter beschikking werd gesteld via het Nationaal Steun Fonds onder de diverse verzetsorganisaties te verdelen.

De aanhouding van de twee agenten had tot arrest onder verdenking van bankroof kunnen leiden, want behalve de Regeringsvolmacht à tien miljoen gulden hadden ze in een gordel honderddertigduizend gulden uit Londen meegenomen, waarvan Steen honderdduizend gulden aan de RVV moest afdragen. Steen en Adriaansen moesten voorts zelfstandig militaire inlichtingen zien te verzamelen en ze moesten een spionagegroep oprichten. Het was de bedoeling dat Steen en Adriaansen de basis zouden leggen voor de oprichting van de Zendgroep BI-Radiodienst. Deze zendgroep moest in de toekomst als directe verbinding tussen het Bureau Inlichtingen en de Radiodienst van de Raad van Verzet gaan fungeren. Aan Steen en Adriaansen was met klem gezegd dat zij zich van het sabotagewerk en dus van de RVV verre moesten houden. In de daarop volgende weken voerden de beide agenten hun opdrachten met succes uit. In de eerste week van februari 1944 vernamen Steen en Adriaansen dat vrijwel de gehele Zendgroep Barbara, een groep agenten die eveneens voor het BI werkte, door de Sicherheitsdienst (SD) was opgerold.

Andreas Wilhelmus Maria Ausems en Jacobus Eugène van Loon Na een korte opleiding werd Ausems door het BI in staat bevonden om boven bezet Nederland te worden geparachuteerd. In de nacht van 29 februari op 1 maart 1944 werden Andreas Wilhelmus Maria Ausems (codenaam: Karel) en Jacobus Eugène van Loon (codenaam: Adam) in de omgeving van Rijsbergen geparachuteerd. Na hun landing ging Van Loon aan het werk om samen met Adriaansen en een aantal lokale marconisten de Zendgroep BI-Radiodienst met personeel en materieel te ondersteunen. Ausems begaf zich naar Hein Optenvelde, de contactpersoon in Zaandam. Kort voor de aankomst van Ausems was de zender van Steen uitgepeild en had de Sicherheitsdienst een inval in de radiozaak van Op den Velde (PAøZO (*) gedaan. Toen Ausems het woonhuis van Optenvelde binnenkwam liep hij in de armen van de SD. Ausems werd gefouilleerd en verhoord, maar de microfoto's met daarop de 19 punten van Gerbrandy werden door de SD niet gevonden. Deze waren verstopt in uitgeholde lucifers en de lucifers zaten in een luciferdoosje. Tijdens het verhoor door de SD had Ausems een poging gedaan om met de lucifers zijn pijp aan te steken. Door deze afleidingsmanoeuvre waren de microfoto's door de SD niet ontdekt. Omdat door de SD geen belastend materiaal werd gevonden kon Ausems de radiozaak als vrij man verlaten. Steen werd door de SD gevangengenomen. Op 5 september 1944 werd hij op de fusilladeplaats in het kamp Vught gefusilleerd. Hein OptenVelde werd eveneens gevangengenomen. Hij stierf in het concentratiekamp.

Zijn aanhouding door de SD deed Ausems besluiten om de microfoto's die hij uit Londen mee had gebracht te verbranden. Hij dook tijdelijk onder, en nam op 22 maart 1944 de draad weer op. Alhoewel het hem ten aanzien van de nieuwe Radiodienst volledig verantwoord leek, wilde Ausems in eerste instantie nog niet aan Londen laten weten dat men een agent naar de RVV kon sturen. Omdat er grote belangen mee waren gediend wilde hij eerst helemaal zeker zijn van de zaak. Wat de 19 punten van Gerbrandy betrof, meende Ausems aanvankelijk dat hij het zonder de microfoto's kon stellen. Hij herinnerde zich de inhoud vrij nauwkeurig en achtte zich in staat om de tekst van het document bijna woordelijk weer te geven. In die tijd werd er eens per week door enkele belangrijke illegale organisaties een werkbespreking gehouden. Op een van deze besprekingen, waarbij vertegenwoordigers van de OD, de LKP, de RVV het Nationaal Comité en het Nationaal Steun Fonds aanwezig waren, zette Ausems de richtlijnen van Gerbrandy uiteen. Hij vond echter geen gehoor bij het aanwezige gezelschap. Men wist dat Ausems enkele uren in Duitse handen was geweest. Ondanks het feit dat men hem vertrouwde wilde men toch in elk geval het document met eigen ogen zien.

Jan Faber en Herman Leus Een volgende koppel agenten werd in de vroege morgen van 11 april 1944 boven bezet gebied, in de omgeving van Tiel, geparachuteerd. Het waren de agenten Jan Faber (codenaam: Frank) en Herman Leus (codenaam: Gerard). De agent Faber volgde Steen op als verbindingsman tussen het BI en de RVV en de daarmee samenwerkende illegale organisaties. Faber had een tweede versie van de op microfoto gezette 19 punten voor de illegaliteit meegenomen. Door het wegvallen van de Zendgroep Barbara moest Faber een nieuwe zendgroep oprichten. De Radiodienst van de RVV leverde hiervoor de lokale marconisten. De marconisten kwamen onder de leiding van de organisatoren Faber en Ausems te staan en werden door hen geïnstrueerd.

Jan de Bloois en Otto Martin Wiedemann