thumb|Situering van Dejima op een zijdeschilderij (Kawahara Keiga, ca. 1833-36)

Dejima (Japans: 出島 vooruitgestoken eiland) (ook "t eylant Schisma", Decima, Deshima of Desjima) is een voormalig kunstmatig, waaiervormig eilandje van nog geen anderhalve hectare in de haven van Nagasaki in Japan. Het is in de loop der tijd door landaanwinning deel geworden van het vasteland. Het was vanaf 1641 tot en met 1859 een Nederlandse handelspost en het enige contact tussen de westerse wereld en het verder grotendeels van de buitenwereld afgesloten Japan. In 1922 werd Dejima aangewezen als Japans cultureel erfgoed. Dejima werd in 2006 heropend als openluchtmuseum met herbouwde woningen en pakhuizen.

Aanleiding De eerste bezoeken vanuit het westen aan Japan

In 1543 landde op Tanegashima een kleine Portugese vloot, de eerste Europese schepen die Japan bezochten. In 1549 arriveerde de jezuïet Franciscus Xaverius met een aantal metgezellen in Kagoshima op het eiland Kyushu. Dat was de aanvang van de missie van de jezuïeten in Japan. Vanaf 1570 werd de haven van Nagasaki geopend voor de handel met de Portugezen. Naast het handeldrijven waren de Portugezen actief in het bekeren van Japanners tot het katholieke geloof. In 1580 droeg de tot het christendom bekeerde Omura Sumitada (die Bartholomeus als doopnaam koos) de jurisdictie van Nagasaki over aan de jezuïeten. Het katholieke geloof kreeg aanvankelijk vaste voet in Japan, en de Portugezen verkregen het de facto monopolie op de zijdehandel met China.

Begin van de handel met Nederland In 1598 zonden Pieter van der Hagen en Johan van der Veeken een vloot van vijf schepen uit onder leiding van Jacob Mahu en Simon de Cordes om via de Straat Magellaan Indië te bereiken. Van deze vloot bereikte alleen het schip De Liefde Japan; slechts 24 bemanningsleden, waaronder Jacob Quaeckernaeck, William Adams, Jan Joosten van Lodensteyn en Melchior van Santvoort, hadden de reis overleefd. Zij werden door de shogun Tokugawa Ieyasu met veel belangstelling ontvangen. Quackernaeck en Van Santvoort kregen in 1605 toestemming om Japan te verlaten met een brief, die door Cornelis Matelieff aan de Staten-Generaal werd overhandigd.

thumb|De handelspas die de shogun Tokugawa Ieyasu aan de Nederlanders verstrekte, gaf hun het recht te handelen in alle havens van Japan.

In 1609 gaven de koopmannen Nicolaas Puyck en Abraham van den Broek een brief van Maurits van Oranje aan de shogun, met het verzoek om de Japanse havens voor de Nederlanders open te stellen. De brief viel in goede aarde en de Nederlanders kregen een handelspas voor toegang tot alle havens in Japan. In september van dat jaar huurden de Hollanders een huis op Hirado.Hirado is de huidige naam. Indertijd werd het eiland door de Portugezen Firando (soms Firato) genoemd. De V.O.C.-ers namen die naam over. Jacques Specx werd het eerste zogenoemde "opperhoofd", de opperkoopman (door de Japanners Oranda Kapitan genoemd naar het Portugese capitão) van deze factorij.Van Jacques Specx bevindt zich een standbeeld op het eiland.

In de beginjaren liet de handel veel te wensen over, maar toen de Nederlanders in 1624 een centraal gelegen handelspost op Formosa openden, ging het beter. Aanvankelijk aasden de Nederlanders ook op de rijk beladen Portugese schepen en Chinese jonken, wat tot een berisping leidde.

Beleid ten aanzien van christendom Vanaf 1614 was er sprake van een systematische vervolging van het christendom. Vanaf 1623 is het beleid onder de shogun Tokugawa Iemitsu gericht op de vernietiging daarvan. Er is door historici veel gepubliceerd over mogelijke verklaringen voor dit beleid. Een van die verklaringen zou de Japanse opvatting zijn, dat men op basis van het voorbeeld van de Filipijnen overtuigd was dat missie en militaire bezetting van een land onlosmakelijk met elkaar verbonden was. Er zijn ook wel enige bewaard gebleven Japanse geschriften, waarin die overtuiging verwoord wordt en om die reden eliminatie van de missie werd bepleit.

In studies van eind twintigste en begin eenentwintigste eeuw wordt dit argument gerelativeerd. Die studies betogen dat het shogunaat nooit echt de vrees voor een verovering heeft gehad. Ze gaan meer uit van een combinatie van een door het shogunaat gewenste opstelling van het land en onoverbrugbare culturele tegenstellingen tussen de waarden van het overgrote deel van de Japanse samenleving en het daar door missionarissen gepredikte christendom. Het christendom werd gezien als een vorm van ernstige heterodoxie, die de juiste ordening van de samenleving bedreigde. Het concept van de Ene Almachtige God was in het Japanse religieuze systeem en denken op zich al geheel afwezig. De notie dat men aan God een loyaliteit diende te betonen die uitging boven waarden als kinderlijke gehoorzaamheid, werd als onacceptabel beschouwd.

Het shogunaat wenste na ruim een eeuw van burgeroorlog te bouwen aan een welvarend en vooral stabiel Japan. In die opvatting paste een tot het minimum terugbrengen van buitenlandse invloeden. In 1639 werd het besluit van de sakoku genomen en uitgevoerd dat tot 1867 een vrijwel gehele afsluiting van Japan voor de buitenwereld tot resultaat had. Japanners werd verboden het land te verlaten. Naast Chinese en Koreaanse schepen konden alleen Nederlandse schepen via de handelspost op Dejima nog handel drijven in het land. De eliminatie van de missie en het christendom is in die visie slechts een onderdeel van dat beleid.

In 1639 werden de Portugezen het land uitgezet en vaardigde de shogun een verbod uit op handel met de Portugezen, op straffe van de dood. Toen in de zomer van 1640 toch nog een Portugese delegatie Japan bezocht om hun zaak te bepleiten, werden zestig mannen onmiddellijk geëxecuteerd. Slechts dertien bemanningsleden keerden terug naar Macau om het slechte nieuws te verkondigen. De steun van Nederlanders in de strijd tegen Japanse christenen, zoals bij de Shimabara-opstand en het afzien van openlijke geloofsuitingen heeft er waarschijnlijk aan bijgedragen dat zij als enige Europeanen in Japan actief konden blijven.

thumb|Kaart van Hirado in 1621. Rechts de vlag van de VOC factorij. Links de vlag van de Engelse factorij, gesticht in 1613 en 10 jaar later gesloten.

Verhuizing van Hirado naar Dejima In 1634 begonnen de Japanners aan de bouw van een kunstmatig eiland in de baai van Nagasaki. Hier zou een Portugese handelspost gevestigd moeten worden. De bouw werd op bevel van de bakufu door 25 rijke handelsfamilies van Nagasaki gefinancierd. Al in 1636 was het werk gereed en daarna gingen de Portugezen daar wonen. Enkele jaren later werden de Portugezen definitief uit Japan verbannen. Die verbanning had nadelige gevolgen voor de welvaart van de stad en zijn inwoners. Ook de Japanse families die het bouwproject hadden gefinancierd zagen hun investering waardeloos worden. Er werd een petitie aan de shogun gezonden.

Aanvankelijk leek het de Nederlanders dat aan hen geen restricties zouden worden opgelegd, maar in november 1640 verscheen de inspecteur-generaal Masashige Inoue om de Nederlandse factorij in Hirado te inspecteren. Nadat hij alle opslagplaatsen en woonhuizen had doorzocht naar christelijke objecten, beval hij het opperhoofd François Caron dat een nieuw gebouwd pakhuis van de VOC moest worden afgebroken. De shogun zou zich geërgerd hebben aan het onbeschaamde gedrag van de Hollanders en de pracht van het gebouw, dat zelfs een jaartal met het jaar des Heren vertoonde op de gevel. Dit laatste was niet alleen een christelijke uiting, maar werd ook opgevat als een belediging van de shogun omdat dit het tijdperk van de Japanse dynastie zou ontkennen. De afbraak van de gebouwen in Hirado werd door Maximiliaan le Maire ten uitvoer gebracht.Blussé (2001) pag. I

Bij de inspectie werden zaken gevonden die als voorwendsel werden gebruikt voor het bevel de factorij in Hirado te sluiten en de vestiging gedwongen naar Dejima te verplaatsen. Toen Le Maire in zijn functie als het nieuwe opperhoofd in het voorjaar van 1641 een bezoek aan het hof in Edo bracht, werd hem door de bakufu opgedragen de factorij te verplaatsen van Hirado naar het eilandje Dejima. Op 9 juni bezocht Le Maire het eiland om de verhuizing voor te bereiden; Dejima omvatte op dat moment zeven verlaten woonhuizen en acht pakhuizen. De verhuizing begon op 12 juni en op 25 juni 1641 werd het nieuwe onderkomen op het eiland betrokken.

Voor de shogun betekende dit dat hij de Nederlandse vestiging voortaan rechtstreeks onder zijn gezag kreeg, terwijl het de Japanse handelsfamilies in Nagasaki weer perspectief bood hun investering rendabel te maken: de Nederlanders betaalden voortaan jaarlijks een pachtsom aan de 25 families.

Bovendien werd het de Nederlanders opgedragen om jaarlijks een nieuw opperhoofd aan te stellen, om te voorkomen dat er te nauwe banden tussen de Nederlanders en de Japanners zouden ontstaan.De laatste maatregel schijnt niet ongewoon te zijn geweest. Hendrik Doeff meldt in zijn Herinneringen uit Japan (pagina 24) dat ook de gouverneur van Nagasaki jaarlijks vervangen werd. Overigens was Johannes Siberg in 1790 in staat om toestemming te krijgen voor een langer aanblijven van het opperhoofd.

De eerste tien jaar De Nederlanders leefden op Dejima onder strikte beperkingen. Het eilandje, dat ongeveer zo groot was als de Dam van Amsterdam, was slechts via één brug toegankelijk. Er mocht maar een beperkt aantal (10 tot 15, op zijn hoogst 20) Nederlanders op het eiland verblijven en, met uitzondering van een jaarlijks bezoek aan de shogun in Edo, mochten zij niet van hun eilandje af. De bezetting bestond in het handelsseizoen van augustus tot november doorgaans uit een opperhoofd (opperkoopman), een tweede koopman, enkele onderkooplieden en een aantal assistenten, waaronder de dokter. Aan het eind van het handelsseizoen vertrokken de tweede koopman en enkele van de onderkooplieden en assistenten weer naar Batavia. thumb|Dejima in het midden van de zeventiende eeuw. Uit: Arnoldus Montanus, 'Gedenkwaerdige Gesantschappen' (1669) De bezetting van Dejima stond onder voortdurende controle van Japanse otana's (wijkmeesters)Nagasaki was onderverdeeld in vier wijken, ieder onder toezicht van een otana. Dejima vormde een aparte wijk onder toezicht van drie otana's, die dagelijks afwisselden. en metsukes (controleurs van de shogun), door de VOC-dienaren dwarskijkers genoemd. Op het eiland werkten ongeveer 270 Japanners, waaronder 150 vertalers.Nagel, J. (2007) Abenteuer Fernhandel - Die Ostindienkompanien, p. 118-119. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, . De overige Japanners kwamen voor de dagelijkse gang van zaken. Het waren onder andere leveranciers van voedsel, koks, bedienden, brandwachten, poortwachters en dragers.

In Hirado waren enkele Nederlanders relaties met Japanse vrouwen aangegaan. Dat de wind echter uit een andere hoek zou gaan waaien was twee jaar voor de gedwongen verhuizing naar Dejima al duidelijk geworden, toen de Nederlanders die met Japanse vrouwen waren getrouwd Japan moesten verlaten en alle Japanse echtgenotes met hun kinderen werden verbannen. Op Dejima beperkte het contact met vrouwen zich tot de prostituees, die ook wel als hulp in de huishouding dienstdeden. Het in het openbaar belijden van het christelijk geloof werd verboden. Bijbels en andere christelijke lectuur werden bij aankomst van een Nederlands schip in vaten gestopt en verzegeld. Ook wapens en munitie werden tot aan het vertrek in beslag genomen. Deze beperkingen zouden tot 1850 in stand blijven. Aan de andere kant was Dejima door deze beperkingen wel de veiligste factorij in Azië en vooral in de beginjaren maakten de Nederlanders aanzienlijke winsten op de handel.

thumb|left|Plattegrond van de Stad van Nakasaki met Dejima en de Chinese factorij. Vanaf 1688 werd het de Chinezen, net als de Hollanders, alleen maar toegestaan vanuit hun factorij te handelen.