thumb|260px|Jacob Maris: De bomschuit, 1875, een van de "klassieke" schilderijen van de Haagse School.Kwalificatie ontleend aan Janssen en Van Sinderen, blz. 8. De Haagse School was een beweging van gelijkgestemde Nederlandse kunstschilders die grofweg tussen 1860 en 1900 in Den Haag werkten, dan wel anderszins verbonden waren met de residentiestad. De leden zetten zich af tegen de romantische traditie die rond het midden van de negentiende eeuw hoogtij vierde in de Hollandse schilderkunst en die de werkelijkheid idealiseerde.

De schilders van de Haagse School, onder wie Jozef Israëls, de gebroeders Jacob en Willem Maris, Willem Roelofs, Constant Gabriël, Hendrik Willem Mesdag en Anton Mauve, streefden een realistische weergave na. Kenmerkend was dat die weergave tevens een spiegel probeerde te zijn van de gemoedstoestand van de kunstenaar. Ze bewonderden de Franse kunstenaars van de School van Barbizon, die net als zij zoveel mogelijk en plein air werkten. De onderwerpen die ze kozen waren typisch "Hollands": polders, rivierlandschappen, koeien, schapen, molens, visserstaferelen, bomschuiten en bovenal: grote wolkenpartijen. De weergave van het licht en de atmosfeer stond centraal.

Aanvankelijk was het kleurgebruik van de Haagse School vrij somber, met een zekere nadruk op grijze tinten, reden waarom ze ook wel de "grijze school" werd genoemd. Later werden de Haagse Scholers ook beïnvloed door het Franse impressionisme: het kleurgebruik werd lichter en de verftoets losser. Een aantal jongere schilders sloeg na 1885 nieuwe, meer modernistische richtingen in. Een "nabloei" van Haagse Scholers zou echter nog tot ver in de twintigste eeuw doorwerken in de stemmingsvolle realistische stijl van hun voorgangers.

1850-1860: op zoek naar vernieuwing thumb|200px|left|Jozef Israëls: Langs moeders graf, 1856, in een monumentale grootte van 244 x 178 centimeter. De Nederlandse schilderkunst in de eerste helft van de negentiende eeuw was door de bank genomen traditioneel en conservatief. Op de Nederlandse kunstacademies gold de zeventiende-eeuwse Hollandse schilderkunst nog steeds onomstreden als de absolute norm. Daarnaast waren er merkbaar invloeden overgewaaid vanuit de Duitse romantiek, die zich vooral kenmerkte door een idealisering van het landschap. Internationaal telde de Nederlandse schilderkunst amper mee, er was nauwelijks sprake van enige vernieuwing.Cf. Sillevis e.a.: De schilderkunst der Lage Landen, blz. 89-90.

Rond 1850 echter ontstond er een toenemende behoefte aan nieuwe impulsen, gekoppeld aan een ontvankelijke houding bij jonge kunstenaars. Diversen van hen trokken naar het buitenland ter voltooiing van hun opleiding. Daarbij kenterde de traditionele gerichtheid op Duitsland en ontstonden er toenemende contacten met de Franse schilderkunst. Met name een aantal jonge kunstschilders uit Den Haag en omgeving trokken zuidwaarts, meer in het bijzonder Jozef Israëls en Willem Roelofs, korte tijd later gevolgd door Anton Mauve en de broers Jacob en Willem Maris.

Israëls en Roelofs hadden rond 1850 in Brussel kennisgemaakt met het werk van de schilders van de School van Barbizon, met als voornaamste leden Théodore Rousseau, Jean-Baptiste Corot, Charles-François Daubigny en Jean-François Millet. Beiden maakten in die periode ook zelf een aantal studiereizen naar Barbizon. In de plaatselijke herberg van Ganne maakten ze kennis met de Franse schilders daar, brachten er gezamenlijk lange avonden door en deden er nieuwe ideeën op.

thumb|290px|Gerard Bilders: Weiland bij Oosterbeek, 1860, in een stijl die nog invloed van de romantiek verraadt. De belangrijkste gewaarwording van de Nederlandse schilders die naar Barbizon reisden was dat hun Franse collega's het landschap niet gebruikten in een geïdealiseerde vorm, zoals in de romantiek, die vooral werkte op het effect en de grootsheid van de natuur tot uitdrukking wilde brengen. Gestreefd werd daarentegen naar een realistische weergave die tevens een spiegel probeerde te zijn van de gemoedstoestand van de kunstenaar bij het aanschouwen ervan. De compositie en het lijnenspel kregen een centrale plaats in het werken. Nieuw was ook het schilderen in de open lucht (observatie ter plaatse) en de relatief losse penseelvoering. Veel aandacht was er voor licht en atmosfeer. Voor Hollandse begrippen uit die tijd betekende dit alles een radicaal andere zienswijze.

Kunstschilders in Den Haag en omgeving, vaak met elkaar verbonden door hun lidmaatschap van de Pulchri Studio,Weissenbruch en Roelofs waren in 1847 betrokken bij de oprichting van de Pulchri Studio. namen in de jaren 1850-1860 kennis van de ideeën van de School van Barbizon via de Frankrijkgangers, maar niet alleen via hen. Ook de kunsthandel speelde een belangrijke rol. Diverse werken van de Barbizonschilders werden in die tijd ook al te koop aangeboden in vooruitstrevende Haagse en Amsterdamse galerieën en werden er enthousiast ontvangen. De verkoop liep uitstekend en onder een aantal patriciërs en opkomende industriëlen - onder wie Hendrik Willem Mesdag - ontstond zelfs iets van verzamelwoede.Cf. Sillevis, Het Haagse School Boek, hoofdstuk De rol van de kunsthandel, blz. 89. De kennismaking met de Barbizon-werken leidde spoedig tot nieuwe impulsen in de Nederlandse schilderkunst.

1860-1870: Oosterbeek, vorming eerste generatie thumb|left|290px|Willem Roelofs: In 't Gein bij Abcoude, ca. 1855-1860. In navolging van de schilders van de School van Barbizon trokken rond 1860 ook in Nederland plotseling groepen kunstschilders, met name uit Den Haag en omgeving, "naar buiten" om er te werken in de vrije natuur, vooral in de zomerperiodes. Het eerste oord waar zich een heuse kolonie vormde was Oosterbeek, een boerendorp in de heuvelachtige omgeving aan de Veluwezoom bij Wolfheze, met veel zwaar geboomte. Kunstschilder Johannes Bilders en met name zijn zoon Gerard pionierden er al vanaf 1857 met het werken in de open lucht.Vader en zoon Bilders bezochten in 1860 ook een tentoonstelling van de Barbizon-schilders in Brussel, waar ze erg onder de indruk raakten. Het betekende voor hen een definitieve ommezwaai van de romantiek naar het realisme. Al snel volgden anderen. Een belangrijk ontmoetingspunt werd het landgoed "De Hemelsche Berg" van schrijver en mecenas Jan Kneppelhout, die regelmatig opleidingen en studiereizen van jonge kunstenaars bekostigde. Tot de schilders die rond de jaren 1860-1870 in Oosterbeek werkten en elkaar daar verder beïnvloedden, behoorden Willem Roelofs, Constant Gabriël, Hendrik Willem Mesdag, Anton Mauve, de gebroeders Maris (Jacob, Willem en Matthijs) en Jan de Haas. Ook Philip Sadée, Frederik Hendrik Kaemmerer en Bernard Blommers kon men er regelmatig tegenkomen. Ze gingen er op zoek naar de "stemming in de natuur",Cf. Sillevis, Het Haagse School Boek, hoofdstuk De les van de natuur, blz. 41. naar de indruk die het landschap op henzelf maakte. Gerard Bilders verwoordde het als volgt: "Het is mijn doel niet, een koe te schilderen om de koe, noch een boom om den boom; het is om door het geheel een indruk teweeg te brengen, dien de natuur somtijds maakt".

thumb|220px|Hendrik Willem Mesdag: Voorbereiding voor vertrek, 1876. Vissersvloot bij Scheveningen. Samen met Jan Hendrik Weissenbruch, Adolphe Artz, Jozef Israëls en - hoewel geen landschapsschilder - Johannes Bosboom, zouden genoemde schilders later gerekend worden tot de eerste generatie Haagse Scholers. Oosterbeek werd in die tijd wel het Hollandse Barbizon genoemd. Critici gebruikten later wel de omschrijving "ridders van het grijs" voor de stijl waarin ze werkten.Cf. Janssen en Van Sinderen, blz. 8.

In het vroege werk van de eerste generatie van de Haagse Scholers valt reeds de aandacht voor licht en atmosfeer op, het zoeken naar een zielstoestand. Het landschap werd beschouwd vanuit een menselijk oogpunt. Roelofs gold, wellicht samen met de vroeg gestorven Gerard Bilders, in eerste instantie als de belangrijkste promotor en noemde het "een zoektocht naar een eenvoudige, alledaagse waarheid".Cf. Janssen, Van Sinderen, blz. 12. Het opgaan in kijken, observeren, daar ging het om. Opvallend was de typisch Hollandse aandacht voor grootse luchten. Kenmerkend werd uiteindelijk vooral de grijze tonaliteit en vaak nevelige sluiertechniek in de landschappen, die voor een enigszins sombere uitstraling zorgde. Die grauwheid zou uiteindelijk het handelsmerk worden voor de Haagse School. Een nieuw realisme met een typisch Hollandse ondertoon: nuchter, met een groot gevoel voor ruimte. Hoewel er duidelijk ook lijnen te trekken zijn naar de oud-Hollandse meesters, was het essentieel anders dan de barokke en classicistische schilderkunst zoals die op de toenmalige academies werd onderwezen. Aan de Haagse Kunstacademie werd het dan ook zonder pardon afgewezen. De kunstkritiek uit die dagen moedigde de belangstelling voor het "gekleurde grijs" al evenmin aan: Matthijs Maris moest zijn "grauwe bril" maar eens afzetten en Anton Mauve kreeg het commentaar dat zijn oog met een rouwfloers bedekt was.Cf. Sillevis,De les van de natuur, in Het Haagse School Boek, blz. 42. Van somberheid was echter geen enkele sprake bij de jonge kunstschilders zelf. De correspondentie tussen bijvoorbeeld Anton Mauve en Willem Maris getuigde van groot enthousiasme voor de gezamenlijke zwerftochten en het buiten schilderen. De vriendschappen die er werden gesloten bleken veelal voor het leven en legden de basis voor de onderlinge samenhang binnen de gelederen van de uiteindelijke Haagse School.

1870-1875: eerste succes, naamgeving thumb|200px|left|Constant Gabriël: In de maand juli, 1888. Zinnebeeld van de Hollandse polder. Rond 1870 begon de eerste generatie Haagse Scholers voor het eerst waardering en succes te krijgen. Een belangrijke rol daarbij was opnieuw weggelegd voor de Haagse kunsthandel, die na 1865 explosief groeide en voor die tijd erg progressief genoemd kon worden. De Franse kunsthandel Goupil opende er een dependance en had er decennialang een leidende rol. Ook "Cent" van Gogh, een oom van Vincent van Gogh, dreef er een kunsthandel, die deels als filiaal van Goupil fungeerde.Cf. Sillevis, Het Haagse School Boek, hoofdstuk De rol van de kunsthandel, blz. 74. De aanwezigheid van relatief veel vermogende particuliere verzamelaars die daadwerkelijk bereid waren kunst te kopen (onder wie ook leden van het Koninklijk Huis), droeg daar sterk aan bij. Daarenboven werden veel werken van de Haagse Scholers ook verkocht aan verzamelaars en handelaars in Engeland (via een Londens filiaal van kunsthandel Van Wisselingh), de Verenigde Staten en Canada, een trend die nog jaren zou aanhouden.

Verder valt te wijzen op de organisatie van grote internationale tentoonstellingen in tal van grote Europese steden, zoals die indertijd met grote regelmaat plaatsvonden. In 1873 nam een grote delegatie Nederlandse kunstschilders deel aan de wereldtentoonstelling in Wenen en oogstte daar veel lof. De Nederlandse inzending van 167 werken, waarvan een groot deel van Jozef Israëls en andere Haagse Scholers, maakte er een "harmonische en weldadige indruk", aldus de kunstcriticus Friedrich Pecht.Cf. Sillevis: Het Haagse School Boek, blz. 28. Ook tijdens andere internationale exposities, onder andere op de Parijse salon en de Biënnale in Venetië, kregen ze bijval, in het bijzonder de gebroeders Maris en opnieuw Jozef Israëls. Israëls was in het buitenland met name ook populair door de zichtbare verwantschap van zijn werk met dat van Rembrandt van Rijn, die een belangrijke inspiratiebron voor hem was, meer in het bijzonder in het gebruik van lichteffecten. Jacob Maris werd beïnvloed door het werk van Jacob van Ruisdael.

thumb|280px|Willem Maris: Weide met koeien aan het water, ca. 1890-1895.