Zanabazar is een geslacht van theropode dinosauriërs behorend tot de Deinonychosauria, dat tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Mongolië. De enige benoemde soort is Zanabazar junior.
Vondst en naamgeving In 1964 vonden Barbold en Namsrai tijdens een Sovjet-Mongoolse expeditie Bij Boegiin Tsav in de provincie Ömnögovĭ skeletten van kleine theropoden. Het was de eerste keer dat Mongoolse paleontologen zelf dinosauriërs ontdekten.
In 1974 beschreef Rinchen Barsbold op basis hiervan een nieuwe soort van het geslacht Saurornithoides: Saurornithoides junior. De soortaanduiding verwees naar het feit dat het een juveniel exemplaar was. In 2009 concludeerden Mark Norell, Peter Makovicky, Gabe Bever, Amy Balanoff, James Michael Clark, Barsbold en Timothy Rowe dat het een eigen geslacht betrof en benoemden dit als Zanabazar, een verwijzing naar Zanabazar, de eerste jabzandamba en bogd gegen van Mongolië. De typesoort blijft Saurornithoides junior, de combinatio nova werd Zanabazar junior. Overigens had Jonathan William Franzosa al in 2004 in zijn dissertatie een andere geslachtsnaam gegeven: Mongolodon maar dit bleef een ongeldige, want niet gepubliceerde, nomen ex dissertatione.
Het fossiel, holotype IGM 100/1, werd gevonden in een laag van de Nemegtformatie die dateert uit het late Campanien - vroege Maastrichtien, waarbij een datering in het Maastrichtien, 70 miljoen jaar oud, het waarschijnlijkst is. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet met schedel. Bewaard zijn gebleven: vrijwel de gehele schedel op wat elementen in het verhemelte en de achterste zijkanten na, de voorkanten van de onderkaken, de zes sacrale wervels van het heiligbeen, veertien losse staartwervels, acht chevrons, en van de rechterachterpoot de onderkant van een scheenbeen, een sprongbeen, een hielbeen, het derde onderste tarsale, het vierde onderste tarsale, en de bovenkanten van het tweede, derde en vierde middenvoetsbeen. Een onderkant van een kuitbeen, dat door Barsbold gemeld was, bleek achteraf op een foute identificatie te berusten. Daarnaast is specimen IGM 100/2 aan de soort toegewezen, een fragmentarisch skelet zonder schedel, maar de identificatie is onzeker.
Het holotype van Zanabazar had de meest complete schedel van een troödontide die driedimensionaal bewaard is gebleven tot de vondst van Gobivenator.
Theoretisch is het mogelijk dat Borogovia, een troödontide uit dezelfde formatie, een ouder synoniem van Zanabazar is want het materiaal van beide taxa overlapt niet. Mocht het zo zijn dan wordt de soortnaam "Borogovia junior".
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken
Zanabazar is, met een schedellengte van 272 millimeter, het grootste bekende lid van de Troodontidae, maar de herseninhoud bleek aanzienlijk kleiner te zijn dan bij de iets kleinere Troodon, wat erop wijst dat de zeer grote hersenen van die laatste een unieke eigenschap, autapomorfie, zijn van die soort. De lichaamslengte is geschat op 228 centimeter, het gewicht op zevenentwintig kilogram.
In 2009 werden verschillende onderscheidende kenmerken van Zanabazar aangegeven. De meest daarvan bleken echter later toch ook bij verwanten voor te komen. Naarhuidige inzichten zijn er twee unieke afgeleide eigenschappen, autapomorfieën. Op de bovenste zijkant van de hersenpan maakt het exoccipitale een groot deel uit van de fenestra posttemporalis, bij troödontiden een uitholling boven de processus paroccipitalis. Die processus paroccipitalis zelf is hoog waarbij de bovenrand boven het niveau ligt van het achterhoofdsgat.
Skelet Schedel De snuit heeft in bovenaanzicht een U-vorm. Het voorste snuitbot, de praemaxilla, heeft een verticaal platte opgaande tak naar het neusbeen die de bovenrand vormt van een neusgat met het profiel vaneen liggende ovaal. Het neusgat eindigt vóór de rand van de fossa antorbitalis, een afgeleid kenmerk. De opgaande tak sterkt zich volgens Norell ver naar achteren uit tot vlak voor de fenestra maxillaris, de neusbeenderen diep inkepend. De oorspronkelijke beschrijving van Barsbold, gevolgd door Gregory S. Paul, meende vanuit een andere interpretatie van wat breuken en wat beennaden waren, dat de tak al bij de voorrand van het neusgat eindigde. De interne vleugels van de praemaxillae vormen de vloeren van de neusgaten en ontmoeten elkaar in een oprijzende tussenschot op de binnenste middenlijn van de snuit. Met hun onderzijden vormen ze een gewelfd secundair verhemelte. De achterste tak van de praemaxilla sluit het bovenkaaksbeen niet van het neusgat uit. De langgerekte neusbeenderen maken samen de bovenzijde van de snuit uit. Van achteren worden ze ingekeept door de voorhoofdsbeenderen. Het neusbeen is L-vormig in dwarsdoorsnede wat de snuit als geheel trapeziumvormig maakt. Langs de beennaad met het bovenkaaksbeen ligt een ondiepe trog in de lengterichting. De bovenkant van de hele snuit is ruw geornamenteerd en dat geldt ook voor het bovenkaaksbeen op de zijkant. Dit kan een teken zijn dat de snuit niet met veren bedekt was maar met een snavel.
Het bovenkaaksbeen wordt van voren doorboord door een grote fenestra maxillaris die langwerpig is met een spitse voorste punt. Dit is het voorste venster: een fenestra promaxillaris ontbreekt. Daarachter ligt een grotere langwerpige rechthoekige fenestra antorbitalis. De uitholling rond beide vensters is niet scherp ingesprongen ten opzichte van de beenwand; een "vloer" ontbreekt. Beide openingen worden gescheiden door een zandlopervormige beenbalk die van achteren doorboord wordt door twee foramina. Het bovenste foramen is een uitloper van de neusholte en verbond deze wellicht met de holte tussen de voorste bovenkaaksbeenderen. Het onderste foramen is vermoedelijk het zenuwkanaal voor de vijfde hersenzenuw. Het bovenkaaksbeen draagt twintig tanden. De interne vleugels van de bovenkaaksbeenderen lopen naar voren door in die van de praemaxillae. Meer naar achteren vormen ze een hooggewelfde voortzetting van het secundair verhemelte. Die hoogte zou het toegestaan hebben bij sluiting van de muil de onderkaken bijna helemaal in de snuit terug te trekken; het is dus niet zo dat onderkaken en bovenkaken met de randen op elkaar sloten. Deze structuren zijn overigens bijna alles van het het verhemelte bekend is met uitzondering van twee naar voren doorlopende gepaarde staafvormige ploegschaarbeenderen die vooraan gevorkt eindigen. Ze zijn overdwars afgeplat en nauw aaneengesloten maar niet erg hoog. Het jukbeen is slecht bekend. De tak naar het postorbitale, achter de oogkas, is driehoekig. De onderste oogkasrand bolt wat naar binnen en heeft de eigenaardigheid dat het bovenvlak naar voren toe naar de binnenzijde draait zodat een gewrongen structuur ontstaat. Het jukbeen is onder het oog hol en de holte is verbonden met een liggende spleetvormige opening aan de binnenkant waardoor een uitloper van de luchtzak van voren uit het bot binnendrong.
Het traanbeen is T-vormig met een veel langere voorste tak die afloopt tot boven de balk tussen de fenestra maxillaris en de fenestra antorbitalis. Dat de voorste tak langer is, is een afgeleid kenmerk, gedeeld met Saurornithoides, Troodon en Byronosaurus. De achterste tak vormt een van onder holle rand van de voorkant van de bovenste oogkas en heeft een ruwe bult net boven de hier breed uitspringende rand van het schedeldak. De voorste takken van de voorhoofdsbeenderen kepen de achterste neusbeenderen in en worden zelf iets verder naar achteren omsloten door de traanbeenderen. Ze vormen verdikte bovenranden van de oogkassen; een prefrontale ontbreekt volgens Norell. Doordat ze naar achteren uitwaaieren zijn de ogen schuin naar voren gericht zodat een mate van binoculair zicht mogelijk was, mede doordat de snuit zo dun en recht is. Achter de richels van de orbitae lopen evenwijdige troggen die overgaan in een kam op de middenlijn. Achteren deze troggen bollen de voorhoofdsbeenderen omhoog tot een gewelfd dak van de voorste hersenpan. Iedere bolling wordt van achteren begrensd door een naar voren bol lopende richel, de overgang naar de uitholling rond het bovenste slaapvenster. Tussen bolling en richel loopt het profiel weer omlaag en dit breidt zich zijwaarts uit tot een diepere uitholling nabij het postorbitale. Beide richels lopen naar achteren weer uit in een vrij brede middenkam. Aan weerszijden daarvan worden de voorhoofdsbeenderen flink ingesnoerd door de bovenste slaapvensters. Hun bovenvlakken duiken achteraan vrijwel verticaal deze vensters in en gaan daar over in de zijkanten van de hersenpan. Op het verticale gedeelte ligt weer een kleine uitholling. Intern loopt deze zone via een groeve naar voren door tot de binnenzijde van de oogkas; vóór de groeve bevindt zeer een uitholling die vermoedelijk oogspieren huisde. Op de onderkant van de voorhoofdsbeenderen begrenzen richels, de cristae calvarii frontalis een zandlopervormige uitholling voor de reuklobben van de voorste hersenen. De uitholling wordt van achteren begrensd door een beenmassa die misschien een verbeend orbitosfenoïde voorstelt of verbeende uitlopers van de laterosfenoïden.
Via een dwarsrichel gaan de voorhoofdsbeenderen naar achteren over in de met elkaar vergroeide wandbeenderen die zelf van achteren begrensd worden door een scherpe dwarskam op het achterhoofd. Op hun middenlijn hebben de wandbeenderen een hoge middenkam. De kam scheidt de uithollingen voor de bovenste slaapvensters waardoor de wandbeenderen ingesnoerd worden. Het profiel van de wandbeenderen is bol, een gewelfd schedeldak vormend. Naar beneden, de bovenste slaapvensters in, gaan de wandbeenderen via een rechte naad over in de zijwanden van de hersenpan, de laterosfenoïden. Een kort uitsteeksel van het wandbeen ligt tussen het voorhoofdsbeen en de tak van het laterosfenoïde die naar het voorliggende postorbitale loopt. Het postorbitale vormt een robuust driestralig element. Het hoofdlichaam echter het oog is breed en kort, vrijwel verticaal lopend. De achterrand van de oogkas is ruw en vlak onder de beennaad met het voorhoofdsbeen steekt een klein uitsteekseltje naar voren de oogkas is. Dit moet echter niet gezien worden als een ondersteuning van het oog; daar is het te hoog en te kort voor; daarbij ontbreken dergelijke structuren bij afgeleide Coelurosauria. De onderste tak loopt naar het jukbeen en heeft daarmee een afgeschuinde maar verder vlakke beennaad. De achterste tak steekt horizontaal naar het squamosum, dit overlappend en in een spitse punt vrijwel tot aan het achterhoofd reikend. Het profiel ervan loopt naar voren op naar de bovenste tak die voorwaarts naar het voorhoofdsbeen kromt. De achterste tak vormt de volledige voorrand en het voorste deel van de hol gebogen zijrand van het bovenste slaapvenster. De achterrand daarvan vormt het squamosum. De squamosa maken ook de hoeken uit van de dwarskam op het achterhoofd. Boven het rechthoekige onderste slaapvenster is er een hol vlak dat de achterste tak van het postorbitale bergt. Naar onderen steekt een puntige tak, met een uitholling aan de basis, schuin naar voren in de richting van het quadratum. De tak heeft in de voorrand een brede verticale trog. De binnenzijde is plat en was vermoedelijk tegen het op zich niet bewaarde quadratum gedrukt. Meer naar achteren heeft het hoofdlichaam van het squamosum onderaan een dwarsnaad met het proöticum van de hersenpan. Aan het voorste uiteinde van deze naad, precies onder de basis van de tak naar het quadratum, bevindt zich een holte of cotyle waarin de kop van het quadratum gepast moet hebben. De holte is diep en bekervormig, ver naar achteren over de hersenpan uitlopend zodat maar de helft van het binnenvlak door het squamosum gevormd wordt. De holte is bedekt met putjes wat wijst op een bedekking met flexibel kraakbeen wat weer geleid kan hebben tot een grotere beweeglijkheid van de schedel ofwel kinese.