Koningsslangen (Lampropeltis) zijn een geslacht van slangen uit de familie toornslangachtigen (Colubridae).
Alle soorten komen voor in Noord-Amerika; in de Verenigde Staten en Mexico. Van slechts een enkele soort is bekend dat het areaal zich tot in delen van noordelijk Zuid-Amerika uitstrekt. Veel soorten leven in drogere gebieden zoals woestijnen en vlaktes maar andere komen voor in moerassen en langs het water. Ze zijn zowel dag- als nachtactief, afhankelijk van het klimaat.
Koningsslangen eten voornamelijk knaagdieren en hagedissen, maar af en toe eten ze ook slangen. Zelfs giftige soorten zoals ratelslangen worden soms gegeten en hieraan heeft de groep een grote bekendheid te danken als 'gifslangendoders'. Koningsslangen zijn immuun voor het gif van andere slangen en zijn zelf niet giftig en niet gevaarlijk voor de mens. Sommige soorten hebben onopvallende kleuren, maar de meeste soorten hebben bijzonder heldere rode en gele vlekken of banden over het gehele lichaam, vaak afgewisseld met een zwarte kleur. De meeste soorten blijven klein en worden ongeveer een meter lang.
De slangen worden vanwege de felle kleuren en onschuldige natuur vaak in gevangenschap gehouden. Hierdoor is er veel bekend over de biologie en levenswijze. Een nadeel van koningsslangen is het feit dat ze andere slangen eten. De dieren moeten individueel worden gehuisvest om te voorkomen dat ze elkaar opeten. Enkele in gevangenschap gekweekte variaties komen in het wild niet voor. In gevangenschap gehouden dieren kunnen met muizen worden gevoerd.
Naam en indeling thumb|260px|Kop en deel van het achterlijf van de ondersoort Lampropeltis triangulum sinaloae De wetenschappelijke naam van de groep werd voor het eerst voorgesteld door Leopold Fitzinger in 1843. Koningsslangen danken hun Nederlandstalige naam aan het feit dat ze soms op giftige slangen jagen. Dit terwijl de reptielen zelf niet giftig zijn. De toevoeging 'koning' wordt vaker gebruikt voor dieren die leden van hun eigen groep verschalken, zoals de koningscobra (Ophiophagus hannah), die giftige soorten mijdt omdat de cobra niet immuun is. Koningsslangen zijn niet de enige soorten die andere, giftige slangen eten. Dit komt onder andere ook voor bij soorten uit het geslacht Gonionotophis.
De felgekleurde soorten lijken op de eveneens felgekleurde en giftige soorten uit het geslacht van de koraalslangen; Micrurus. Verschillende soorten worden daarom wel 'onechte koraalslang' genoemd. Een aantal soorten wordt 'melkslang' genoemd, omdat lange tijd gedacht werd dat ze melk uit de uiers van koeien zouden zuigen maar dit is een broodjeaapverhaal.
Veel soorten hebben een wetenschappelijke soortnaam die is vernoemd naar het gebied waarin ze voorkomen, zoals Lampropeltis mexicana die in Mexico leeft. Andere soorten zijn vernoemd naar een bekende bioloog, zoals Lampropeltis webbi. Deze soortnaam is een eerbetoon aan de Amerikaanse herpetoloog Robert G. Webb. Weer andere soorten zijn vernoemd naar hun lichaamskleur, zoals Lampropeltis nigra. Deze koningsslang is vrijwel geheel zwart van kleur en nigra betekent 'zwart'.
Er zijn 28 soorten, inclusief de pas in 2005 wetenschappelijk beschreven soort Lampropeltis webbi. De twee bekendste soorten zijn de gewone koningsslang (Lampropeltis getula) en de melkslang (Lampropeltis triangulum). De indeling in geslachten, soorten en ondersoorten is in het verleden regelmatig veranderd. De soort Lampropeltis elapsoides bijvoorbeeld werd lange tijd gezien als een ondersoort van de melkslang (Lampropeltis triangulum).
Verspreiding en habitat Koningsslangen komen voor in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika. De meeste soorten leven endemisch in de Verenigde Staten, enkele andere soorten komen voor tot in delen van Mexico, Canada of zuidelijker tot Belize, Colombia, Costa Rica, El Salvador, Guatemala, Honduras, Nicaragua, Panama en Venezuela. Zie voor een beschrijving van het verspreidingsgebied per soort de soortentabel onderaan.
De habitat kan bestaan uit uiteenlopende biotopen, veel soorten leven in open gebieden zoals kale berghellingen en steppen en andere soorten zijn meer in beboste gebieden te vinden. Koningsslangen zijn verder van moerassen tot in woestijnen te vinden.
Koningsslangen die een groot verspreidingsgebied hebben, komen soms in heel uiteenlopende streken voor. Dergelijke soorten zijn te vinden van berggebieden waar het koeler is en de dieren een winterslaap houden tot lager gelegen omgevingen waar het warmer is en ze het gehele jaar door actief zijn. Veel soorten zijn in de regel nachtactief maar gaan in de lente en herfst ook wel in de late middag en de vroege ochtend op jacht. In de zomer als de temperaturen hoger worden komen de slangen meestal pas 's avonds tevoorschijn. De soort Lampropeltis pyromelana leeft in bergstreken in het zuidwesten van de VS en komt voor in streken waar het landschap een paar maanden per jaar bedekt is met sneeuw. Deze soort is voornamelijk overdag actief.
Uiterlijke kenmerken thumb|260px|Lampropeltis elapsoides thumb|260px|De schubben zijn glad en ongekield, afgebeeld is Lampropeltis greeri. Koningsslangen hebben een kenmerkend uiterlijk door het ronde lichaam en de kleine kop en vaak hebben ze felle kleuren. Alle soorten blijven vrij klein en hebben een relatief korte staart. De gladde schubben hebben geen kiel en het anaalschild -de schub die de cloaca bedekt- is ongedeeld.
Kop De kop is relatief klein en nauwelijks groter dan de rest van het lichaam. De kop heeft een stompe snuitpunt met de voor slangen karakteristieke opening aan de voorzijde waardoor de tong naar buiten kan worden gestoken. Achter de kop is geen halsachtige insnoering aanwezig zoals bij veel andere groepen van slangen. De tanden in de bek zijn klein, van sommige soorten is bekend dat ze door de huid van de mens kunnen doordringen bij een beet. De ogen zijn rond van vorm en hebben een ronde pupil. In vergelijking met andere slangen zijn de ogen relatief ver vooraan de kop geplaatst.
De schubben van de kop zijn stevig en glanzend. Bij sommige soorten hebben de kopschubben een donkere rand, zodat ze makkelijk als zodanig te herkennen zijn. Bij andere soorten zijn strepen, vlekken- of vlamtekeningen aanwezig die over verschillende schubben liggen zodat de kopschubben moeilijker te herkennen zijn. Aan sommige delen van de kop zijn sommige soorten die nauwelijks uit elkaar te houden zijn juist goed te herkennen. De soort Lampropeltis pyromelana bijvoorbeeld is moeilijk van de soort Lampropeltis zonata te onderscheiden, tot men kijkt naar de kop. De eerst genoemde soort heeft altijd een witte snuitpunt, de tweede echter heeft altijd een zwarte snuitpunt.
Lichaam De meeste koningsslangen worden ongeveer een meter lang en zijn relatief klein in vergelijking met andere toornslangachtigen. Veel ondersoorten van de melkslang blijven klein, zoals Lampropeltis gentilis die gemiddeld 41 tot 61 centimeter lang wordt. De gewone koningsslang (Lampropeltis getula) kan een lichaamslengte bereiken tot maximaal 2,1 meter.
Koningsslangen hebben altijd een rond lichaam, de staart is nooit afgeplat. De lichaamsschubben zijn glad en glanzend en nooit voorzien van een kiel, ofwel een opstaande rand in het midden in de lengterichting.
Sommige koningsslangen hebben een bruine tot grijze onopvallende lichaamskleur, maar de meeste koningsslangen zijn bijzonder felgekleurd. Veel soorten hebben een helder rode tot oranje basiskleur en hebben gele, witte of zwarte banden over het gehele lichaam. De bekendste soorten zijn de melkslang en de gewone koningsslang; deze twee soorten kennen een grote variatie aan lichaamskleuren en worden wel een van de mooiste soorten toornslangachtigen genoemd. De reden voor de felle kleuren van de verschillende soorten en ondersoorten heeft te maken met de manier van passieve verdediging van de slang die erg complex is. Binnen de groep komen zowel de verschijnselen mimicry als polymorfisme voor, zie ook onder het kopje vijanden en verdediging
Staart De staart van koningsslangen is relatief kort, de staart is het gedeelte achter de cloaca. De positie van de cloaca, oftewel waar het lichaam eindigt en de staart begint, is alleen aan de onderzijde goed te zien. De schubben aan de buikzijde van alle slangen zijn enkelvoudig, er is maar één rij buikschubben. De staartschubben echter zijn altijd gepaard. De cloaca van slangen wordt aan de voorzijde bedekt door het anaalschild. Deze kan uit een geheel bestaan of tweedelig zijn. Veel groepen van slangen hebben een dergelijk tweeledig anaalschild, maar bij koningsslangen is het anaalschild steeds enkelvoudig.
Voedsel thumb|230px|De tong wordt gebruikt om geuren waar te nemen. thumb|230px|Lampropeltis greeri slikt een knaagdier door. Op het menu staan voornamelijk gewervelde dieren als zoogdieren, vogels, amfibieën zoals kikkers en andere reptielen zoals hagedissen. Alle soorten zijn goede zwemmers, bij de gewone koningsslang staat ook vis op het menu. De prooi wordt opgespoord met het uitstekende reukvermogen. Om te kunnen ruiken steekt de slang de tong uit een voorgevormd gaatje in de bek en vangt geurdeeltjes op uit de lucht, het zogenaamde tongelen. De tong wordt weer teruggetrokken en de geurdeeltjes worden vervolgens uitgelezen in de neusholte, in het zogenaamde orgaan van Jacobson.
Naast levende prooidieren worden ook eieren gegeten van verschillende dieren, maar alleen indien deze zich op de bodem bevinden. Koningsslangen klimmen niet in bomen. Voorbeelden zijn de eieren van vogels en reptielen, waaronder de eieren van zoetwaterschildpadden. Deze worden op de geur opgespoord en vervolgens met de snuit uitgegraven en verschalkt. Ook de jonge schildpadjes worden soms gegeten. Van de gewone koningsslang is bekend dat ze een goed geheugen hebben en jaarlijks omstreeks dezelfde tijd dezelfde nestplaatsen van waterschildpadden worden bezocht.
Koningsslangen staan bekend door hun gewoonte om ook slangen te eten als ze er een tegenkomen, zelfs giftige soorten zoals groefkopadders. Het is echter niet zo dat de dieren specifiek op andere slangen jagen. Slangen maken maar een klein deel uit van het menu.
Omdat koningsslangen sterker zijn dan andere slangen nemen veel slangen die als potentiële prooi worden benaderd niet eens moeite om te bijten. Sterker nog, ze zorgen er juist voor dat de kop uit de buurt blijft van de koningsslang, want dit is de zwakste plek. De koningsslang grijpt altijd eerst de kop van een andere slang en wikkelt vervolgens zijn lichaam om de prooi heen. Vervolgens drukt de koningsslang het lichaam aan zodat de prooi stikt.
Als een ratelslang wordt aangevallen, haalt de slang bij 'normale' vijanden uit met de kop. Een ratelslang die door een koningsslang wordt belaagd drukt de kop echter tegen de grond en probeert met het achterste deel van het lichaam naar de vijand te slaan. De koningsslang is immuun voor het gif van de ratelslang en als hij de kop van de adder te pakken krijgt dan is het dier verloren. De ratelslang zal ook proberen zijn lichaam groter te doen lijken. Dit dient niet om af te schrikken maar om de koningsslang te misleiden; een te grote slang kan niet worden ingeslikt. Meestal werkt het trucje niet; een door de koningsslang ingeslikte prooi wordt als het ware opgevouwen in de maag van de slang zodat buitgemaakte slangen kunnen worden doorgeslikt die langer zijn dan de koningsslang zelf.
Vijanden en verdediging Boven de giftige koraalslang Micrurus tener, onder een onschuldige melkslang. 230px|right 230px|right Koningsslangen hebben verschillende vijanden, zowel vogels, reptielen en zoogdieren. Voorbeelden van rovende zoogdieren die de slangen eten zijn opossums, skunks, wasberen, vossen en coyotes. Vogels die op de slang jagen zijn onder andere havikachtigen. In delen van het verspreidingsgebied wordt de slang ook gegeten door de Amerikaanse alligator (Alligator mississippiensis).