thumb|320px|Folium 16v van het psalter: Een miniatuur met twee episodes. Boven is de verkondiging van Jezus' geboorte aan de herders verbeeld. Daaronder bevinden zich de drie koningen die wijzen naar de ster die hen naar de geboorte leidde. Opvallend is het levendige element dat deze ster en de achterbenen van een van de paarden buiten de randen van de eigenlijke decoratie zijn geplaatst.

Het psalter van Lodewijk de Heilige is een geïllumineerd handschrift vervaardigd rond 1190. Het psalter wordt bewaard in de universiteitsbibliotheek van Leiden onder inventarisnummer BPL 76 A en ontleent zijn naam aan een van de vroegere bezitters van het werk, de Franse koning Lodewijk IX. Het handschrift is geschreven op perkament, meet 245x178 mm en heeft 185 folia. Het werk valt uiteen in drie delen. De eerste zes folia bevatten een liturgische kalender, de folia 7 tot en met 29 zijn voorzien van paginagrote verluchtingen en de overige folia bevatten het eigenlijke psalter.

Henri Omont (1857-1940), conservator van de afdeling handschriften van de Bibliothèque nationale de France, schetste in 1902 de reputatie van het handschrift:

Herkomst van het psalter Het handschrift werd waarschijnlijk aan het eind van de 12e eeuw vervaardigd in Noord-Engeland voor Godfried Plantagenet (1152-1212), de 32e aartsbisschop van York. Godfried was de buitenechtelijke zoon van Hendrik II en tussen 1173 en 1182 al bisschop van Lincoln geweest. In augustus 1189 werd hij door zijn halfbroer Richard Leeuwenhart aangesteld als aartsbisschop van York, mogelijk om hem zo als troonpretendent uit te schakelen. Dat het handschrift inderdaad in de omgeving van Godfried is ontstaan, blijkt onder andere uit een vermelding op de kalender in het psalter. Bij de datum 7 juli is de volgende tekst toegevoegd: "Obitus Henrici, regis Angl[orum], patris domini G., Eboracensis archiepiscopi", wat zoveel betekent als, "overlijden van Hendrik, koning van Engeland, vader van onze heer G., aartsbisschop van York.

320px|thumb|Folium 30v: De openingsinitiaal B van psalm 1, "Beatus vir" ("Gezegend is de man"). Onderaan het folium bevindt zich de veertiende-eeuwse toevoeging die het psalter als leerboek van Lodewijk de Heilige aanmerkt. De verluchting met de musicerende figuren is typisch voor een psalter. Centraal in de B bevindt zich koning David die op zijn harp speelt. De verstrengelde naakte figuren en dieren die de randversiering vormen, zijn kenmerkend voor de romaanse boekverluchting. Ze worden vaak aangeduid met de term gymnastische decoratie.

Frans koninklijk bezit (?-1398) Het handschrift duikt hierna voor het eerst weer op in Frans koninklijk bezit. Het is niet volstrekt duidelijk hoe het daar terechtgekomen is. Een theorie wil dat het werk na het overlijden van Godfried in 1212 geschonken is aan Lodewijk VIII van Frankrijk toen deze in 1216 uitgeroepen werd tot koning van Engeland.Omont, p. VI. Vaker wordt echter aangenomen dat het werk al eerder in Franse handen terechtkwam, namelijk via Filips II Augustus, de vader van Lodewijk VIII. In 1202 laaide een eerder conflict tussen deze Filips II en de Engelse koning Jan zonder Land weer op. Filips annexeerde daarop alle Engelse bezittingen op het continent. Het is mogelijk dat hij op een zeker moment tijdens dit conflict het handschrift in zijn bezit kreeg.Onder andere in de tekst bij de tentoonstelling Goed gezien.

Over de volgende koninklijke bezitter van het handschrift bestaat meer duidelijkheid. Het werd door een van beiden geschonken aan Blanca van Castilië, sinds 1200 de vrouw van Lodewijk VIII. Dit valt wederom af te leiden uit de kalender. Bij 6 oktober is namelijk de tekst "Obiit Aldefonsus, rex Castelle et Toleti" toegevoegd. Deze verwijzing naar het overlijden van Alfons VIII van Castilië, de vader van Blanca, maakt het aannemelijk dat zij het boek in bezit heeft gehad. Overigens wordt tegenwoordig aangenomen dat Alfons op 5 oktober 1214 overleed.

Na Blanca kwam het handschrift in bezit van zijn meest fameuze eigenaar, haar zoon Lodewijk de Heilige. Aan Lodewijk herinneren twee vrijwel identieke veertiende-eeuwse toevoegingen aan het psalter. Onderaan folium 30 verso staat vermeld: "Cist psaultiers fuit mon seigneur saint looys qui fu roys de france, ouquel il aprist en senfance" en onderaan het laatste folium (185r) staat te lezen: "Cist psaultiers fu mon seignor saint looys qui fu roys de france, ou quel il aprist en sanfance". Dit kan vertaald worden als, "Dit psalter was van mijn heer de heilige Lodewijk, die koning was van Frankrijk en waaruit hij heeft geleerd [te lezen] tijdens zijn kinderjaren." De jonge Lodewijk had dus volgens deze tekst niet alleen het boek in bezit maar heeft er ook uit leren lezen. Dit opmerkelijke feit maakte het handschrift uitermate waardevol voor de Franse koninklijke familie. Nadat Lodewijk in 1297 heilig was verklaard werd het psalter feitelijk een relikwie.

Het psalter bleef hierna lang in koninklijk bezit en werd overgeërfd langs vrouwelijke lijn. De verschillende bezitters zijn bekend door een vermelding in het codicil van Blanca van Navarra uit 1396.Omont, p. VII geeft de tekst van het codicil: "Item nous laissons a nostre très chier fils le duc de Bourgongne le Psaltier ou monseigneur saint Loys aprint; e fu a madame la grant duchesse Agnès, duchesse de Bourgongne, sa fille; et depuis la duchesse Agnès vint a nostre dicte dame la royne Jehanne de Bourgongne, sa fille; et en après a nostre dit seigneur et espoux, qui le nous donna, et nous tesmongna (et aussi firent les femmes de la dicte madame la royne) qui [l]e nous bailla) que c'estoit icellui vraiement. Si desirons qu'il soit a la ligné. Et pour ce prions a nostre dit filz que il le vueille garder et faire tenir a ses successeurs et en sa ligné, pour l'amour de ceux dont il est venu." Lodewijk had het geschonken aan zijn jongste dochter Agnes. Na haar kwam het in bezit van haar dochter Johanna. Zij trouwde in 1313 met de latere koning Filips VI van Frankrijk. Na het overlijden van Johanna in 1349 bleef het psalter in handen van Filips die het daarop schonk aan zijn tweede vrouw, Blanca van Navarra. Hierna verliet het handschrift de Franse koninklijke bibliotheek want Blanca schonk het in haar codicil aan haar stief-kleinzoon Filips de Stoute.

Het psalter in de Bourgondische librije (1398-?) Deze hertog stond niet alleen aan de basis van de Valois-Bourgondische dynastie maar was ook de grondlegger van de zogenoemde Librije van Bourgondië. Deze bibliotheek, die door de opeenvolgende Bourgondische hertogen steeds verder uitgebreid werd met vele prachthandschriften, had bij de dood van Karel de Stoute in 1477 de indrukwekkende omvang van bijna duizend handschriften. Het handschrift wordt nog tweemaal in een inventaris van de librije vermeld (in 1420 na het overlijden van Jan zonder Vrees en in 1467-69 bij de dood van Filips de Goede) maar heeft op een zeker moment de bibliotheek weer verlaten. De laatste vermelding van het handschrift is te vinden op een waarschijnlijk vroegzestiende-eeuws lijstje van boeken die tijdelijk uit de bibliotheek geleend zijn.Wijsman, p.9: "psaultier de saint loys de franche". Daarna verdwijnt het uit beeld.

In de Leidse universiteitsbibliotheek (vanaf 1741) Pas in 1741 duikt het psalter daarna weer op als Johan van den Bergh het aan de Leidse universiteitsbibliotheek schenkt. Van den Bergh (1664-1755) was meerdere malen burgemeester van Leiden en secretaris van de curatoren van de universiteit in die stad.Biografische schets van Johan van den Bergh bij de inventaris van zijn archief in het Nationaal Archief. Onduidelijk is hoe hij het handschrift in zijn bezit kreeg. Wellicht gebeurde dit tijdens zijn verblijf tussen 1706 en 1716 in de Zuidelijke Nederlanden. Samen met Jacob Hop was hij toen gedeputeerde ter velde van de Raad van State.

Het manuscript werd binnen de universiteitsbibliotheek ondergebracht in de deelcollectie Bibliotheca Publica Latina, waar het ook zijn inventarisnummer aan ontleent. Deze collectie van handschriften in Latijns schrift vormt sinds het aanstellen van Janus Dousa in 1585 als eerste bibliothecaris de kern van de handschriftencollectie. Het handschrift is ook digitaal beschikbaar via Digital Collections.

Inhoud van het handschrift thumb|320px|Folium 4r: De maand juli van de kalender.

De kalender (1r-6v) Zoals de meeste psalters wordt ook dit exemplaar voorafgegaan door een kalender. De middeleeuwse kalender was ingedeeld volgens het juliaanse systeem en had dus net als tegenwoordig 365 dagen verdeeld over 12 maanden en eens in de vier jaar een schrikkeldag. De indeling van deze maanden volgde eveneens het Romeinse systeem. Hierbij kende iedere maand slechts drie dagen met een naam: kalends, nones en ides. Alle andere dagen werden aangeduid door het verschil met de daaropvolgende dag met een naam aan te duiden. De kalenders die voorafgaan aan psalters of getijdenboeken zijn altijd eeuwigdurende kalenders. Dit houdt in dat alleen de vaste feestdagen aangegeven worden. Daarnaast zijn vaak tabellen opgenomen om de paasdatum uit te kunnen rekenen.

In het psalter van Lodewijk de Heilige is elk folium van de kalender gereserveerd voor een aparte maand en telkens op eenzelfde wijze ingedeeld. De kalender opent met januari. Hier is de maand juli afgebeeld, die dus als voorbeeld kan gelden voor de hele kalender.

Het folium opent met een in rode inkt geschreven hexameter met binnenrijm: "Tredecimus mactat iulii decimus madefactat". Dit vreemde vers (het vertaalt als: "De dertiende doodt, de tiende van juli voert dronken") is een ezelsbruggetje om de dies Aegyptiaci te onthouden.Grotefend, Glossar (onder Dies egyptiaci). Deze zogenoemde "Egyptische dagen" werden beschouwd als ongeluksdagen en waren bijvoorbeeld niet geschikt om een aderlating te ondergaan. In elke maand kwamen twee van dergelijke dagen voor. Het getal in het eerste couplet moest vanaf het begin van de maand geteld worden, het tweede getal vanaf het eind. Voor juli zijn dit dus de 13e en de 22e. Overigens is dit vers een variant op de veel gebruikelijkere versie "Tredecimus mactat, iulii decimus labefactat." (De dertiende doodt, de tiende van juli vernietigt)

In groene inkt volgt daaronder een regel die het aantal dagen van de maand en het aantal dagen van de maanmaand aangeeft. In het geval van juli is dit: "Iulius habet dies xxxi. Luna xxix." (juli heeft 31 dagen en een maanmaand van 29 dagen).

Links hiervan bevindt zich een miniatuur die verwijst naar de werken van de maand. Bij de hooimaand juli is een boer bezig met maaien met een zeis. Hier is ook goed te zien dat het manuscript op een zeker moment bijgesneden is. De miniatuur is hierbij aan de bovenzijde ernstig bekort. Aan de rechterzijde, halverwege het folium is een tweede miniatuur te vinden met het teken van de dierenriem van de maand. Voor juli is dit de leeuw. De rest van het folium wordt ingenomen door de eigenlijke kalender. Deze is verdeeld in vijf kolommen.

De eerste kolom bevat bij bepaalde dagen Romeinse getallen, lopend van 1 tot 19 in een vaste volgorde (14,3,11,19,8,16,5,13,2,10,18,7,15,4,12,1 9,17,6). Dit zijn de zogenoemd gulden getallen. Deze getallen werden gebruikt om de stand van de maan op een bepaalde datum te bepalen, rekening houdend met de cyclus van Meton. Deze cyclus van 19 jaar begint in een jaar waarin het op 22 maart nieuwe maan is. Het verschil in stand van de maan in het volgende jaar op die datum wordt aangeduid met de epacta. De negentien getallen geven aan in welk jaar van de cyclus het op die datum nieuwe maan is. In het voorbeeld van juli betekent dit dat het op 1 juli (XIX) in het negentiende jaar van de cyclus van Meton nieuwe maan is.