De eerste fase in wat later de Burnside-expeditie zou worden genoemd is de Slag om Roanoke Island. Deze amfibische operatie tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog vond plaats op 7 en 8 februari 1862 in de wateren voor de North Carolina Sounds. De Noordelijke invasiemacht bestond uit een flottielje kanonneerboten onder leiding van vlagofficier Louis M. Goldsborough, een tweede flottielje kanonneerboten die deel uitmaakte van het landleger en een legerdivisie die onder het bevel stond van brigadegeneraal Ambrose E. Burnside. De Zuidelijke strijdmacht bestond uit enkele kanonneerboten, de zogenaamde Mosquito Fleet onder leiding van kapitein William F. Lynch en ongeveer 2.000 soldaten onder leiding van brigadegeneraal Henry A. Wise. Vier forten en twee batterijen versterkten de verdediging van de regio. Tijdens de confrontatie was Wise gehospitaliseerd zodat zijn rechterhand, kolonel H. M. Shaw de leiding had over de verdediging.
De eerste dag bestond voornamelijk uit een artillerieduel tussen de Noordelijke kanonneerboten en de Zuidelijke forten afgewisseld door aanvallen van de Mosquito Fleet. Tegen de late namiddag werden de Noordelijke soldaten aan land gezet zonder enige tegenstand. Ook werden er zes houwitsers aan land gebracht die bemand werden door matrozen. Het was te laat op de dag om een aanval uit te voeren, dus werd er beslist om een kampement te maken.
De aanval werd geopend op de tweede dag. Deze aanval werd tegengehouden door een artilleriebatterij en een tegenaanval van de Zuidelijke infanterie. Bij een tweede aanval werden de Zuidelijke flanken overvleugeld en moesten ze zich terugtrekken naar de forten. De forten werden omsingeld. Kolonel Shaw gaf de strijd op om verder zinloos bloedvergieten te vermijden.
Achtergrond en strategisch belang Het noordoostelijk deel van North Carolina wordt beheerst door sounds. Dit zijn grote maar ondiepe wateroppervlaktes met brak en zout water. Hoewel ze één geheel vormen met hetzelfde waterpeil kunnen ze toch opgesplitst worden in verschillende regio's. De grootste is Palmico Sound, net na Hatteras Island. Ten noorden daarvan ligt Albermarle Sound die tot aan de grenzen van Virginia reikt. De verbinding tussen deze twee watermassa's wordt beheerst door Roanake Island. Het gedeelte tussen het eiland en het vasteland is bekend onder de naam Croatan Sound. Zowel het eiland als de Sound zijn ongeveer 16 km lang. Op het breedste punt is de Sound ongeveer 6,5 km wijd. Langs het oostelijk deel van het eiland ligt Roanake Sound die veel kleiner en ondieper is. Met andere woorden minder belangrijk.
Verschillende steden situeren zich langs de sounds zoals New Bern, Beaufort, Edenton en Elizabeth City. Andere nederzettingen konden bereikt worden via rivieren die in de sounds uitmonden. Tijdens het eerste jaar van het conflict bleef het merendeel van de sounds in Zuidelijke handen zodat handel mogelijk bleef. De sounds waren ook verbonden via de Albemarle en Chesapeake kanalen met Norfolk Virginia. De Slag bij Hatteras Inlet Batteries in augustus 1861 verstoorde de communicatie niet in die mate omdat de Noordelijken hun schepen niet in de ondiepe inhammen kregen.
Roanake Island was de sleutel tot de controle van de sounds.The label was frequently applied. ORA I, v. 4, pp. 578–579, 682, 718; v. 9, pp. 115, 126, 134, 138, 187, 188. Indien de Noordelijken erin slaagden om de sounds te veroveren, konden de Zuidelijken deze onmogelijk veroveren omdat ze niet in staat waren om amfibische landingen uit te voeren. Wanneer de Noordelijke marine dit knooppunt kon innemen, waren alle andere nederzettingen eveneens kwetsbaar. De Zuidelijken zouden in een onhoudbare situatie gemanoeuvreerd worden. Ofwel zouden ze verschillende posities zonder een schot gelost te hebben moeten verlaten, ofwel moesten ze hun reeds minimale krachten veel te dun spreiden.
Zuidelijke verdediging Met de verdediging van Roanake Island werd een aanvang genomen op een eerder toevallig manier. Toen de Noordelijke vloot voor de kust van Hatteras Inlet verscheen, werd de 3de Georgia Infantry naar de forten gestuurd ter ondersteuning vanuit Norfolk. Tegen de tijd dat het regiment arriveerde bij de forten waren de forten al in Noordelijke handen. Dit regiment werd daarop naar Roanoke Island gestuurd. Daar bleven ze voor de volgende drie maanden terwijl ze halfslachtige pogingen ondernamen om Hatteras Island opnieuw te heroveren.Campbell, Storm over Carolina, pp. 52–64.
Er werden weinig bijkomende maatregelen getroffen om de positie op Roanoke Island te versterken. Alles veranderde toen in oktober brigadegeneraal Daniel H. Hill het commando kreeg over de kustverdediging in de sounds van North Carolina. Hij zette zijn soldaten aan het werk door aarden wallen op te werpen dwars door het eiland. Hij kreeg een ander commando voor de werken beëindigd waren.Trotter, Ironclads and columbiads, pp. 62–63. Kort na zijn vertrek werd het district in tweeën gedeeld. Het zuidelijke deel werd toegewezen aan brigadegeneraal Lawrence O'Bryan Branch. Brigadegeneraal Henry A. Wise kreeg het noordelijk deel toegewezen. Met andere woorden vielen Albemarle Sound en Roanake Island onder Wise’s commando, terwijl Pamlico Sound en de nederzettingen er buiten vielen. De beide generaals waren eveneens aan twee andere bevelhebbers hun verantwoording schuldig.
Wise was de bevelhebber geweest van het zogenaamde Wise Legioen. Zijn eenheid zou hem echter niet volgen naar zijn nieuwe functie. Het legioen werd opgegeven. Hij slaagde er wel in van twee van zijn oude regimenten bij zich te houden, namelijk de 46th en 59th Virginia. Daarnaast had hij het bevel gekregen over de 2nd, 8th en 17th North Carolina Infantry gekregen. Deze soldaten waren echter slecht uitgerust soms met niet meer dan hun eigen geweren. Alles bij elkaar had hij 1.400 soldaten onder zijn bevel. Het aantal gevechtsklare soldaten lag wel een vierde lager door de slechte levensomstandigheden.Trotter, Ironclads and columbiads, p. 77. Wise smeekte de regering in Richmond om meer kanonnen te sturen, net zoals Hill dit gedaan had. Toen er uiteindelijk kanonnen arriveerden waren het er niet genoeg. De verschillende kanonnen werden verdeeld over de versterkte plaatsen in het noordelijke deel van het eiland. Het zuidelijk deel bleef praktisch onbeschermd.Browning, From Cape Charles to Cape Fear, p. 24.
De zuidelijke marine maakte eveneens deel uit van de verdediging. Zeven kanonneerboten met ongeveer tachtig vuurmonden vormden de Mosquito Fleet onder leiding van vlagofficier William F. Lynch. Wise was niet erg opgezet met deze vloot. Zowel de kanonnen als de bemanning was oorspronkelijk afkomstig van de verschillende forten. Toch zouden de Zuidelijke schepen een harde noot zijn om te kraken door de Noordelijken.ORA I, v. 9, p. 129.
Samenstelling van beide legersBattles and leaders, v.1, p. 670. Noordelijk leger Coast Division (Brigadegeneraal Ambrose E. Burnside) Eerste brigade (Brigadegeneraal John G. Foster) 10th Connecticut 23rd Massachusetts 24th Massachusetts 25th Massachusetts 27th Massachusetts Tweede brigade (Brigadegeneraal Jesse L. Reno) 21st Massachusetts 9th New Jersey 51st New York 51st Pennsylvania Derde brigade (Brigadegeneraal John G. Parke) 8th Connecticut 11th Connecticut (niet in de slag om Roanoke Island) 9th New York 4th Rhode Island 5th Rhode Island eenheden die niet ingedeeld waren: 1st New York Marine Artillery 99th New York (Union Coast Guard)
Kanonneerboten van het leger: Picket Vidette Hussar Lancer Ranger Chasseur Pioneer Sentinel
Noordelijke marine North Atlantic Blockading Squadron (Vlagofficier Louis M. Goldsborough) Philadelphia (niet ingezet tijdens de slag om Roanoke Island) Stars and Stripes Louisiana Hetzel Underwriter Delaware Commodore Perry Valley City Commodore Barney Hunchback Southfield (Vlaggenschip tijdens de slag) Morse Whitehead Lockwood Henry Brinker Isaac N. Seymour Ceres Putnam Shawsheen Granite
Zuidelijke leger Brigadegeneraal Henry A. Wise (niet aanwezig wegens ziekte) Kolonel. H. M. Shaw, tweede in rang 2nd North Carolina 8th North Carolina 17th North Carolina (3 compagniën) 31st North Carolina 46th Virginia 59th Virginia (De Virginia regiments maakten deel uit van het Wise Legioen)
Zuidelijke marine "Mosquito Fleet" (Vlagofficier William F. Lynch) Sea-Bird (Vlaggenschip) Curlew (gezonken) Ellis Beaufort Raleigh Fanny Forrest Appomattox (niet ingezet tijdens de slag om Roanoke Island) Black Warrior (schoener)
Noordelijke voorbereidingen Kort nadat Hatteras Inlet ingenomen was door de Noordelijken, promootte brigadegeneraal Ambrose E. Burnside een idee om een zogenaamde kustdivisie op te richten. Deze zou bestaan uit vissers, dokwerkers en andere mannen die in de kuststreek woonden en werkten. Hij redeneerde dat deze mannen reeds bekend waren met schepen zodat de opleiding voor amfibische operaties zeer gemakkelijk zou verlopen. Burnside was bevriend met de opperbevelhebber George B. McClellan zodat zijn idee aanhoord werd. Hoewel Burnside zijn toekomstige operaties in de Chesapeake Bay verwachtte, werd zijn idee door McClellan omgevormd naar een amfibische invasie van de kusten van North Carolina. Roanoke Island zou het eerste doel worden. Deze operatie zou bekend worden als de Burnside Expeditie.
Burnside deelde zijn recruiten in drie brigades in onder leiding van brigadegeneraal John G. Foster, brigadegeneraal Jesse L. Reno en brigadegeneraal John G. Parke.Burnside, Battles and leaders, p. 661. Begin januari telde zijn strijdmacht 13.000 soldaten.ORA I, v. 9, p. 358.
Hoewel de marine de meeste schepen en kanonnen zou leveren, besliste Burnside om enkele kanonneerboten onder het bevel van het leger te plaatsen. Dit leidde tot concurrentie tussen de marine en het leger. Beiden hadden platbodem schepen nodig om het ondiepe water van de sounds binnen te varen. De aankoop van deze schepen verliep daarom met het nodige geruzie tussen beide partijen. De marine haalde telkens de beste schepen binnen waardoor het leger met de gammele en slechte schepen bleef zitten.Merrill, The Rebel shore, pp. 86–87. Toen de expeditie van start ging telde de marine 20 boten en het leger 9. De armade werd verder versterkt met verschillende kanaalboten die omgebouwd waren tot drijvende houwitserstellingen beschermd met zandzakken en hooibalen. In het totaal telde de strijdmacht 108 stukken geschut.Trotter, Ironclads and columbiads, p. 68.
Naast kanonneerboten kocht het leger ook transportschepen. De soldaten en de transportschepen werden verzameld in Annapolis. Op 5 januari 1862 werden de troepen ingescheept. Tegen 9 januari was alles klaar om te vertrekken. De verzamelplaats voor alle onderdelen was Fort Monroe bij de ingang van de Chesapeake Bay. Op 11 januari vertrokken alle schepen naar een onbekende bestemming. Alleen Burnside en zijn staf kenden de uiteindelijke bestemming. Op volle zee opende iedere scheepskapitein zijn verzegelde orders waarin te lezen viel dat ze richting Cape Hatteras moesten zeilen.Burnside, Battles and leaders, pp. 662–663.
De slag Van Chesapeake Bay naar Pamlico Sound