Dorygnathus is een geslacht van uitgestorven pterosauriërs, behorend tot de Caelidracones, dat leefde tijdens het Vroeg-Jura.

Van Dorygnathus is sinds het begin van de negentiende eeuw een groot aantal fossielen gevonden, vooral in Zuid-Duitsland. In 1860 kreeg het geslacht zijn naam die 'speerkaak' betekent. In 1971 werd een tweede soort benoemd, D. mistelgauensis, maar daarvan wordt nu gedacht dat het een groot exemplaar van D. banthensis betreft. Dorygnathus leefde zo'n 180 miljoen jaar geleden en is daarmee een van de eerdere pterosauriërs. Het is omstreden aan welke andere pterosauriërs hij het nauwst verwant was. Sommige onderzoekers hebben berekend dat hij tot de Rhamphorhynchidae behoorde; anderen hadden als uitkomst dat hij zich vroeger dan die groep van de stamboom moet hebben afgesplitst.

Door de vele vondsten is het skelet van het dier goed bekend. Dorygnathus was stevig gebouwd met vrij korte vleugels, voorzien van een vlieghuid. Zijn stijve staart was lang en diende als roer. De langwerpige kop liep spits toe en was voorzien van zeer lange, scherpe, vooruitstekende tanden waarmee hij op open zee vissen of inktvissen ving. De onderkaken hadden een spitse tandeloze punt waarnaar het dier vernoemd is. Op de grond kon Dorygnathus misschien op alleen zijn achterpoten lopen of rennen. Ook de afdrukken van haren zijn teruggevonden die erop wijzen dat het warmbloedige dier bedekt was met een vacht. Dorygnathus bleef na een snelle groei in zijn jeugd steeds langzaam doorgroeien. De grootste exemplaren bereikten een vleugelspanwijdte van ruim anderhalve meter.

Naamgeving en eerste vondsten In 1830 beschreef Carl Theodori verschillende fragmentarische pterosauriërfossielen die waren gevonden in een wegafgraving nabij Kleinhereth bij het Benedictijner Klooster Banz in Noord-Beieren. Het ging om twee zeer onvolledige skeletten en verder vierentwintig losse botten. Een van de fragmenten, een stuk onderkaak, beschouwde hij als voldoende verschillend van wat eerder van pterosauriërs bekend was, dat het benoemd kon worden als een aparte soort, die hij toewees aan het ondergeslacht Ornithocephalus, als een Ornithocephalus banthensis. De soortaanduiding verwijst naar Banz. Theodori zag op dat moment Ornithocephalus als een ondergeslacht van Pterodactylus, zodat naar moderne conventies de naam Pterodactylus (Ornithocephalus) banthensis zou moeten luiden. Het holotype, de onderkaak op een steenplaat, was PSB 757. Dit fossiel had ook een tegenplaat, BSP 758. De stukken dateren uit het Lias (Toarcien, 180 miljoen jaar oud), uit lagen van een mariene afzetting, de Posidonia Schalie. Enkele andere resten, van slechte kwaliteit, benoemde Theodori als Pterodactylus goldfussi; de naam wordt tegenwoordig als een nomen dubium beschouwd, hoewel de resten hoogstwaarschijnlijk tot dezelfde vorm behoren als die waarop O. banthensis gebaseerd was. De soortaanduiding eert professor Georg August Goldfuss.

In die tijd werd iedere pterosauriërvondst aan het geslacht Pterodactylus toegewezen. Vormen die direct met de typesoort van het geslacht Pterodactylus, Pterodactylus antiquus, van doen hadden, werden dan met het subgenus Ornithocephalus aangeduid omdat dit een latere alternatieve naam voor Pterodactylus geweest was. Het was Theodori echter al in 1831 duidelijk geworden dat het materiaal niet veel met P. antiquus op zich te maken had: er werd door hem, vanwege de grotere ouderdom, een verband gelegd met Engelse vondsten die later Dimorphodon genoemd zouden worden. Later zou Richard Owen dat bevestigen. Daarom liet Theodori dat jaar de ondergeslachtsnaam Ornithocephalus weg en verwees naar het type direct als Pterodactylus banthensis. In dezelfde publicatie uit 1831 werd nog een extra fossiel beschreven, een rib, dat aan de soort werd toegewezen. Theodori waagde zich ook aan een interpretatie van het materiaal; hij zag een tegenstelling met de Engelse vondsten en de Duitse uit latere lagen in het feit dat bij P. banthensis het vijfde en niet het vierde middenhandsbeen de vleugelvinger zou dragen. Tegenwoordig weten we dat hij zich daarin vergiste. In hetzelfde jaar verwees ook Christian Erich Hermann von Meyer naar het materiaal, overigens zonder het werk van Theodori te vermelden. Hij zag het als niet te onderscheiden van de Engelse fossielen.

In 1852 publiceerde Theodori een meer uitgebreide beschrijving. Omdat Von Meyer ondertussen een apart geslacht benoemd had voor langstaartige pterosauriërs, Rhamphorhynchus, hernoemde Theodori zijn soort naar Pterodactylus-Rhamphorhynchus (ensirostris)-banthensis. Deze naam voldoet niet aan de moderne conventies: Rhamphorhynchus wordt erin gezien als een onderverdeling van Pterodactylus en de soort banthensis weer als een onderverdeling van een impliciete R. ensirostris die dan weer op het materiaal uit Banz gebaseerd was; de soortaanduiding betekent 'zwaardsnuit'.

In 1856 en 1858 meldde Albert Oppel de vondst van telkens een onderkaak die aan dezelfde soort leek toe te behoren; de eerste was gevonden bij Böll, nabij Holzmaden, de tweede bij Filder. In 1859 meldden Carl Deffner en Oskar Fraas ook een vondst bij Malsch. Overigens zijn al deze fossielen later weer zoekgeraakt. Al in 1858 voorspelde Johann Andreas Wagner dat deze resten duidelijk verschillend zouden zijn van het Engelse materiaal. In 1859 beschreef Owen daarvan de kaakvorm die daarvan inderdaad sterk afweek en benoemde iets later Dimorphodon. In 1860 benoemde Wagner daarom voor het Duitse materiaal het aparte geslacht Dorygnathus, 'speerkaak' vanuit het Klassiek Griekse δόρυ (dory), 'speer' en gnathos, 'kaak', een verwijzing naar de lange tandeloze punt van de kaak. De soortnaam werd aldus Dorygnathus banthensis; zij komt pas voor in een publicatie van Wagner uit 1861. In 1860 werden alle resten nog eens uitgebreid beschreven door Von Meyer in zijn Zur Fauna der Vorwelt. Deze echter gebruikte Owens noch Wagners naamgeving — die kwamen te laat om überhaupt nog in het boek opgenomen te worden — maar verwees naar een Rhamphorhynchus (ensirostris) macronyx banthensis, waarbij hij dus de Duitse en Engelse vondsten als een geheel zag en Theodori's naam gewijzigd toepaste. Hierin werd hij echter door niemand gevolgd en de naam geldt tegenwoordig als een nomen oblitum. Owen zou het Duitse materiaal eerst nog als Dimorphodon banthensis betitelen, maar de combinatie Dorygnathus banthensis zou vanaf nu de meest gebruikelijke worden.

Later gevonden fossielen In 1906 beschreef Felix Plieninger in drie artikelen weer nieuw materiaal, gevonden bij Holzmaden in Württemberg. Daarvan is nu nog één exemplaar in de collecties te vinden: GPIT 1645/2 (eerder PV 14900), en dit betreft een vondst die eigenlijk al in 1858 vermeld was door Friedrich August Quenstedt, maar door deze ten onrechte aan Pterodactylus liasicus (nu Campylognathoides) was toegewezen. Een ander exemplaar, in 1901 verzameld door Bernhard Hauff senior, zou later kennelijk ontvreemd worden uit de verzameling van het Institüt für Geologie und Paläontologie der Universität Tübingen, waar het in de jaren zeventig niet meer te vinden bleek. In 1907 wijdde Plieninger zelfs een hele monografie aan de soort. thumb|GPIT 1645/1 In het begin van de twintigste eeuw, tot in de jaren twintig, werd in hetzelfde gebied nog een aantal specimina gevonden, waaronder zeer volledige skeletten. Deze werden ten dele uitgebreid beschreven door Gustav von Arthaber in het kader van een algemene behandeling van de pterosauriërs. Deze betreffen: een exemplaar door Hauff senior in 1901 bij Holzmaden gevonden en indirect aangekocht door het Naturhistorisches Museum Wien maar niet geïnventariseerd; MB 1905.15 (een tijdje per ongeluk opnieuw geïnventariseerd als MB 1972.35), gevonden in 1905 door Hauff senior die het voor 2500 goudmark aan het Humboldt Museum verkocht; GPIT 1645/1, door Hauff gevonden in 1914 en nu deel van de collectie van het Institut für Geologie und Paläontologie, Universität Tübingen; MBR 1920.16, in 1915 geprepareerd door Hauff en door hem voor 3500 goudmark verkocht aan de gerenommeerde fossielenhandel van Friedrich Ludwig Robert Krantz die het in 1920 voor 6500 mark doorverkocht aan het Berlijnse museum; een exemplaar in 1921 door Hauff gevonden en door hem verkocht aan het Zweedse Museum voor Natuurlijke Historie te Stockholm, dat daar niet geïnventariseerd is en NHM R10087, gevonden in 1922. In 1925 meldde Carl Stieler een skelet, MBR 1977.21, dat hij zelf voor 1922 met zijn vrouw gevonden had bij Flechtorf nabij Braunschweig. Dit was om drie redenen bijzonder: de afwijkende vindplaat in Neder-Saksen, de uitzonderlijke grootte en het feit dat het fossiel driedimensionaal bewaard was in een nodule, zodat veel anatomische details, vooral van de vleugel, beter bestudeerd konden worden. Stieler wilde hierop een heel nieuwe interpretatie van de vlucht van pterosauriërs baseren, maar daar zou het nooit van komen omdat hij weldra wegens zijn radicale politieke opvattingen zijn academische werk niet meer kon voortzetten. Wel ontdekte hij nog twee exemplaren in de opslag van het Humboldt Museum in Berlijn, die tot nu toe onbeschreven zijn gebleven. In 1925 beschreef Carl Wiman een exemplaar, UUPM R 156, gevonden door Hauff in de jaren twintig en aangekocht door de Universiteit van Uppsala. In 1928 beschreef de Belgische professor Achille Salée een exemplaar in 1911 verzameld door Hauff en via Krantz aangekocht door de Universiteit van Leuven, dat later echter bij een verbouwing ontvreemd zou worden; er bestaat nog wel een afgietsel in Berlijn, BSP 1964 XXIV 328.

Ondertussen was Dorygnathus een van de best bekende en bestudeerde pterosauriërs geworden maar, mede vanwege de algemene terugval in de belangstelling voor paleontologie in die periode, zou Salées publicatie voorlopig de laatste blijven over het onderwerp met uitzondering van een studie van Ferdinand Broili uit 1939 waarin een in 1935 gevonden exemplaar beschreven wordt, BSP 1938 I 49, dat resten toont van de huid en het vleugelmembraan. Wel werden er nog fossielen ontdekt: in 1936 een fossiel bij Ohmden, SMNS 18969, dat door Hauff senior en junior werd geprepareerd; in 1942 ontdekte Hauff een klein specimen bij Holzmaden, SMNS 18880; in 1968 vond H. Eith een fragmentarisch skelet bij Balingen, nu deel van de collectie van de Universiteit Zürich: PIMUZ A/III 493, dat na een beschrijving door Wild in 1975 lange tijd is aangezien voor een exemplaar van Campylognathoides; het heeft de eigenaardigheid dat het niet is platgedrukt.

In 1971 beschreef Rupert Wild een tweede soort: D. mistelgauensis, op basis van een skelet waarvan de schedel ontbreekt uit buurt van Bayreuth. De soortaanduiding verwijst naar Mistelgau. Deze soort is groter dan D. banthensis en heeft ook andere proporties: de hand is relatief langer. Het is, gezien de mankerende schedel, niet geheel duidelijk of beide soorten wel echt nauw verwant zijn; sommigen beschouwen D. mistelgauensis echter als een jonger synoniem van D. banthensis. In 1974 werd een gedeeltelijk skelet, SMNS 50164, gevonden bij Zell in de groeve van Jürgen Fischer. In 1976 werd door J. Fischer nog een apart vleugelvingerkootje, SMNS 50016, gevonden en een rechteropperarmbeen, SMNS 50806. In 1977 trof Alexander Libau vleugelbotten aan van een zeer groot exemplaar, GPIT 1645/3, die aangespoeld waren aan de oever van het stuwmeer bij Schömberg; de fragmenten waren kennelijk uit de bovenliggende hellingen gespoeld. Hetzelfde jaar werd uit de groeve van Gotthilf Fischer te Holzmaden een klein compleet skelet geprepareerd, SMNS 50702; dezelfde groeve had eerder, het jaar is onbekend maar uiterlijk 1971, specimen SMNS 52998 opgeleverd en rond 1974 exemplaar SMNS 52999. In 1978 vond J. Fischer nog een skelet, SMNS 50914.