thumb|300px|Verspreiding van de vijf Germaanse hoofdgroepen in de 1e eeuw na Chr. thumb|300px|'Germania' rond het begin van de jaartelling met het woongebied van de belangrijkste stammen Met de Germanen wordt een verzameling volkeren en stammen aangeduid die rond het begin van de gangbare jaartelling een Germaanse taal spraken. De Germaanse talen behoren tot de Indo-Europese taalfamilie. Destijds woonden Germanen in Scandinavië en op de Noord-Europese Laagvlakte.

Geschiedenis Rond het begin van de jaartelling bestonden de Germanen uit een groot aantal stammen. Ze streden vaak tegen de Romeinen die hun woongebied, dat door de Romeinen met de ruime term 'Germanië' werd aangeduid, probeerden te veroveren. Door in 9 n.Chr. de Romeinse generaal Varus te verslaan in het Teutoburgerwoud konden ze ten oosten van de Rijn definitief hun onafhankelijkheid bewaren. Nadien waren de betrekkingen met de Romeinen lange tijd redelijk vreedzaam en leverden ze zelfs hulptroepen aan het Romeinse leger. Sommige Oost-Germanen bekeerden zich al in de vierde eeuw tot het christendom. Zij kozen echter voor een niet-orthodoxe variant: het arianisme.

Toen vanaf de derde eeuw het Romeinse Rijk begon af te takelen begonnen de Germanen eerst plundertochten te ondernemen in het verzwakte Rijk. Later vestigden veel stammen zich zelfs op Romeins grondgebied en rond het midden van de 5e eeuw namen ze het West-Romeinse Rijk geheel over waarna ze zich in heel West-Europa vestigden. In een aantal dunbevolkte noordelijke grensgebieden van het voormalige Romeinse Rijk werden zo Germaanse talen voorgoed de voertaal. Dat geldt voor Engeland (waar de Angelsaksische invasies overigens pas in de 5e eeuw begonnen), Vlaanderen en Nederland beneden de rivieren maar ook voor Oostenrijk en een groot deel van Zwitserland (zie verder Taalgrens). In de dichtbevolkte zuidelijke delen van het Romeinse Rijk waren de Germanen maar een dunne bovenlaag die uiteindelijk opging in een Romaans sprekende bevolking zoals in Frankrijk ofwel vernietigd werden door de Byzantijnen zoals de Goten (deels) en de Vandalen.

Later in de geschiedenis verspreidden de Germaanse talen zich echter verder over de aardbol. Eerst door toedoen van de Vikingen, bijvoorbeeld op IJsland. Vervolgens verspreidden de talen zich in de koloniale tijd het Engels naar alle Britse koloniën en in mindere mate de Nederlandse taal naar Zuidelijk Afrika en Suriname, en Duits naar Namibië.

Germanen etnisch en taalkundig bezien Het is lange tijd gebruikelijk geweest geen onderscheid te maken tussen het Germaans als linguïstisch begrip en het Germaans als etnografisch begrip (als genetisch verwant volk dus). Maar deze begrippen mogen niet zomaar vereenzelvigd worden. Zo zijn er miljoenen mensen die een Germaanse taal machtig zijn maar die genetisch niets met de Germanen van weleer te maken hebben, zoals Engelstalige Chinese of Afrikaanse immigranten in de Verenigde Staten, Afrikaanse immigranten in Zweden of Congolezen in Vlaanderen.

Definitie 250px|thumb|Kaart van Europa volgens de geografie van de Griekse auteur Strabo (64 v.Chr. - 19 na Chr.) De kennis van de Germaanse volkeren en stammen voor de Grote Volksverhuizing is grotendeels gebaseerd op hetgeen door Romeinse schrijvers over hen is opgetekend. Zij maakten echter geen systematisch onderscheid tussen Germaanse en Keltische stammen. De belangrijkste bron uit de tijd voor de 4e eeuw is De Germania van de geschiedschrijver P. Cornelius Tacitus.

De vraag is of er wel zoiets was als dé Germanen of de Kelten; dat zijn slechts verzamelnamen die de Romeinen gaven aan de min of meer los van elkaar levende groepen die toen het midden en het noorden van Europa bevolkten. Welke taal of dialect iedere groep precies sprak is niet vastgelegd en het is heel goed mogelijk dat dit in de loop der tijd veranderde. De Nederlanden waren lange tijd overgangsgebied tussen Kelten en Germanen en in hoeverre er onder de Bataven nog Keltisch gesproken werd is bijvoorbeeld niet echt duidelijk.

Oorsprong thumb|250px|Verspreiding Germaanse cultuur in de IJzertijd, ca 500 - 60 v.Chr. De linguïstische en culturele verwantschap van de Germanen met de Kelten, Slaven, Latijnen, Grieken en andere Indo-Europese volkeren is goed gedocumenteerd. Pas na het tweede millennium v Chr. moet de profilering van de afzonderlijke Germanen zich hebben voltrokken. Over de vroegste geschiedenis van de Germaanse volkeren weet men weinig meer dan dat ze omstreeks de 6e eeuw v Chr. in Scandinavië en rond de Oostzee leefden. Hier verdreven ze wellicht de eerder gearriveerde Saami en Baltische stammen, maar waarschijnlijker is dat ze zich er gedeeltelijk mee vermengden. Voor het Indo-Europees werden er in Europa andere talen gesproken waarvan echter niet veel sporen zijn overgebleven in het grootste deel van het huidige Europa. Toch zijn er wel enkele niet-Indo-Europese talen tot op heden in gebruik. Baskisch en Fins zijn een paar voorbeelden van een dergelijke taal. In hoeverre de sprekers van de vroegste Germaanse dialecten zich vermengd hebben met een eerdere niet-Indo-Europese bevolking is moeilijk te achterhalen en een onderwerp van soms verhitte discussie. Sommige taalkundigen nemen aan dat er een aanzienlijk aantal woorden in de Germaanse 'oertaal' overgenomen is van de vroegere bevolking rond de Oostzee (zie verder het artikel over een verondersteld niet-Indo-Europees substraat van het Germaans). Hun overwicht bestond eerder uit betere en ijzeren wapens en de strijdwagen dan uit grotere aantallen krijgers. De oorspronkelijke bevolking gebruikte toen nog bronzen wapens.

Blond en blauwogig 200px|thumb|left|Percentage lichtharigen onder de Europese bevolking: Er is in het verleden vaak beweerd dat de oorspronkelijke Germanen blond en blauwogig geweest zouden zijn. Dit blijft echter vaak giswerk, al worden deze kenmerken door Romeinse en Griekse schrijvers vaak wel toegeschreven aan de inwoners van het toenmalige Germania. Waarschijnlijk overheersten dan ook wel de lichtere haarkleuren onder de Germaanse volkeren. Maar dit geldt ook voor andere volkeren in Noord- en Oost-Europa. Ook vandaag zijn er veel andere volken in een wijde cirkel om de Oostzee met een groot percentage blonde en blauwogige mensen zoals de Samen, Balten, de West-Slaven en Oost-Slaven en de Finnen. Balten en Slaven zijn evenals de Germanen Indo-Europeanen, maar de talen van de Finnen en Sami behoren tot de Fins-Oegrische talen, die niet tot de Indo-Europese taalfamilie behoren. Het is heel goed mogelijk dat bijvoorbeeld de (deels) blonde, blauwogige bevolking van Scandinavië gedeeltelijk afstamt van mensen die een heel andere taal spraken dan Germaans. Het ziet er dus naar uit dat de 'oerbevolking' van deze streken al voor de komst van de Indo-Europese nieuwkomers de kenmerken blond en blauwogig had en door vermenging van de oude met de nieuwe bewoners deze doorgaf aan de huidige bevolking.

Verspreiding thumb|300px|Germaanse stammen voor de volksverhuizingstijd Na verloop van eeuwen ontstond er in de streek rondom de Oostzee een zekere overbevolking en veel Germaanse stammen migreerden naar de zuidelijke oever van de Oostzee om zich van daaruit geleidelijk naar het oosten, zuiden en het westen te verspreiden. Een voorbeeld daarvan is het volk van de Wielbarkcultuur dat omstreeks de eerste eeuw in Polen leefde en door de meeste archeologen geïdentificeerd wordt als de Goten. Er ontstonden in de loop der tijd vele verschillende volksstammen, die op verschillende tijdstippen en plaatsen met andere namen werden aangeduid (bijvoorbeeld de Friezen, Toxandriërs en Kaninefaten). Hierdoor is het moeilijk hun migraties afzonderlijk te volgen. De geschiedschrijver Tacitus verdeelde hen in drie groepen: de Ingvaeones, Herminiones en Istvaeones, naar de mythische drie zonen van de oervader Mannus. Plinius de Oudere maakt in boek IV van zijn Naturalis Historia een verdeling in 5 groepen: de Vandili, waartoe volgens hem de Burgodiones, Varinnae, Charini en Gutones behoorden de Ingvaeones, bestaande uit de Cimbri, de Teutoni en de volken der Chauci; de Istvaeones, die het dichtst bij de Rijn woonden; de Hermiones (Suebi, Hermunduri, Chatti en Cherusci); de Peucini Basternae, aan de grenzen met Dacië.

Meer praktisch nut heeft vermoedelijk de door taalkundigen gehanteerde indeling in Noord-, West-, en Oostgermaanse talen. Omstreeks de vijfde eeuw waren de belangrijkste volken de Saksen, Franken, Juten, Angelen, Goten (zowel Ostrogoten als Visigoten), Bourgondiërs en Vandalen.

Levenswijze en cultuur thumb|Video: Hoe leefden de Germanen? Leven en cultuur van al deze volken verschilden onderling niet zo veel omstreeks de tijd dat de Romeinen hun macht over Europa uitbreidden. Zo bestonden de westelijke volksstammen voornamelijk uit landbouwers, de oostelijke uit schaapherders en veehoeders. Allen waren erg gesteld op hun onafhankelijkheid en hadden geen sterke stamverbanden. In tijden van crisis werd er door de aanzienlijke mannelijke stamleden een leider gekozen maar deze moest steeds de belangen van de 'kiezers' in het oog houden. Wel waren er jaarlijks bijeenkomsten van de stamhoofden onderling.

thumb|Jernalderhus – Reconstructie van een langhuis uit de ijzertijd ca. 400 na Chr. in het Moesgaard-Museum bij Aarhus (Denemarken) thumb|Nydamboot uit de 4e eeuw

De Germaanse maatschappij had zich gegroepeerd rond sibben, families en geslachten met een gemeenschappelijke legendarische voorouder. Oorspronkelijk betrof dit nakomelingen van eenzelfde voormoeder. Het was niet toegestaan te trouwen met iemand uit dezelfde sibbe, meestal uitgelegd als iemand met een gemeenschappelijke grootmoeder. De stammen werden geregeerd door edelen. Verder is er sprake van vrijen, half-vrijen (liten) en slaven. De vrije mannen mochten het woord voeren in de volksvergadering. De meeste stammen leefden in kleine dorpjes, bestaande uit langhuizen. Hierin leefden meestal verschillende generaties van de zogenaamde grootfamilie en het vee gezamenlijk onder een dak. De huizen waren gemaakt van hout, meestal met leem bestreken vlechtwerk wanden met een strodak. Belangrijke stamhoofden of krijgsheren hadden soms grote en gerieflijke rijkversierde huizen met een grote vergader- annex feestzaal tot hun beschikking. Stenen huizen waren niet gebruikelijk, maar werden tijdens de Romeinse tijd geïntroduceerd.

De Germanen waren waarschijnlijk constant in kleine oorlogjes betrokken waarbij vermoedelijk het aantal doden en gewonden door algemeen geaccepteerde 'oorlogsregels' binnen de perken bleef. In de Engelstalige literatuur wordt dit aangeduid met de term endemic warfare (verdere info bij de Engelse wiki onder deze term). Hierbij voeren slechts de krijgsheren en hun directe gevolg (de comitatus) oorlog. Waarschijnlijk konden de jonge krijgers in deze oorlogjes hun 'mannelijkheid' bewijzen om opgenomen te kunnen worden in de rangen van de volwassenen en was dit, naast rivaliteit over de grenzen van het territorium, een van de belangrijkste redenen om geregeld de krachten te meten. Bij de weinige volkeren die heden nog in stamverband leven is dit een belangrijke reden om de onderlinge rivaliteit van buurstammen in stand te houden.

De Germanen bedreven landbouw vooral door de begroeiing van woeste grond plat te verbranden en zaad in de door as vruchtbaar geworden bodem te werken. Daarnaast werden er ook kleine akkertjes, zogeheten raatakkers, permanent bebouwd en bemest. Een vrij man verwierf zich echter meer aanzien door vechten en plunderen dan door akkerbouw te bedrijven. Daarom namen ook vrije mannen deel aan de strijd. Succesvolle aanvoerders verzamelden krijgers om te plunderen; een dergelijke schare noemde Tacitus een comitatus. Door de lust naar plunderen werd het Romeinse Rijk een belangrijk doelwit voor de Germanen.

thumb|left|Het oudere Futhark, de eerste Germaanse schrifttekens