miniatuur|Schoolklas met slapende schoolmeester, Jan Steen, 1672 De schoolwet van Johannes van der Palm bracht vanaf 1801 het lager onderwijs in Nederland binnen de invloedssfeer van het centrale landsbestuur. Naar de beginselen van de Verlichting werd klassikaal, niet-leerstellig (openbaar) onderwijs onder toezicht van schoolopzieners, de norm. De opvoeding naar christelijke deugden was als tweede leerdoel op den duur niet houdbaar. Over de manier van organiseren van het nationaal onderwijs ontstond een langdurige strijd, de schoolstrijd. De schoolstrijd werd uiteindelijk beslecht met de opdeling van het onderwijs in een neutrale tak, die van het openbaar onderwijs, en een religieuze, die van het bijzonder onderwijs. Het bijzonder onderwijs ging bestaan uit een protestantse en een katholieke tak. De opeenvolgende fasen in dit bestuurlijk proces zijn af te lezen aan de datum van publicatie van de achtereenvolgende schoolwetten, van respectievelijk 1857, 1878, 1890 en 1920.

De voorlopig laatste schoolwet voegde in 1985 het kleuteronderwijs bij het basisonderwijs, maar liet met zijn schoolwerkplannen weinig ruimte aan de creatieve onderwijzer.

Korte geschiedenis Onder de Republiek der verenigde Nederlanden was onderwijs een private zaak. Kinderen uit de gegoede kringen kregen naar de toenmalige begrippen behoorlijk onderwijs van huisleraren, of in klasjes bij de leraar thuis. Voor de minder gegoeden waren er in de steden en grotere dorpen scholen die uitgingen van de Rooms-katholieke kerk, de protestantse diaconie, de vroedschap, de ambachtsheer of van particuliere "schoolhouders". De onderwijzers werden betaald door de leerlingen, die zij onderwezen in het schrijven en rekenen. Er werd vooral godsdienstonderricht gegeven.

Historische kronieken laten zien dat er vanaf de 13e eeuw scholen, kweekscholen en universiteiten waren, en dat geleerden het leraars-ambt bekleedden. Het onderwijs aan kinderen werd, binnen de Rooms-katholieke kerk, georganiseerd in de Latijnse scholen. Verder werd er onderwezen in de wetenschappen en de vrije kunsten. Toen in Duitsland en Zwitserland de reformatie opkwam, bevorderde de hertog van Gelre, Karel van Egmond, het schoolonderricht in de lijn van de Rotterdamse geleerde Desiderius Erasmus, waar de katholieke monniken op tegen waren. Ook een latere heerser als Karel de Vijfde benoemde geleerden in het staatsambt van rector, die het regionale onderwijs aan de jeugd organiseerden. Onder Filips II van Spanje raakte het bestaande schoolsysteem in verval, kerken en scholen werden verwoest, en veel studenten vluchtten naar hogescholen in het buitenland, Zij kwamen niet meer in aanmerking voor ambten in het Gemenebest. Met de terugkeer van het Hervormde geloof in 1594, werden weer leermeesters aan de vervallen scholen aangesteld. Op 14 december 1672 besloten de Heren Staten van de Provincie Stad en Lande een controlestelsel op te zetten, het viziteren der Schoolen.De kunstschilder Jan Steen schilderde in dat jaar zijn doek "Een schoolklas met slapende schoolmeester" Vanaf deze periode hadden ook stadsbesturen scholen ingericht die onder leiding van rectoren stonden, en plaatselijke schoolwetten uitgevaardigd. Bestuurders reisden naar Frankrijk en Italië, om daar hogescholen te bezoeken en van hun kennis en ervaring te leren. In Dordrecht werd in een verlaten klooster een school met zes klassen ingericht, waar onder anderen Gerardus Vossius schoolging. In Groningen was er een schooldienst in weeshuizen en werden Diaconie-scholen opgericht. Ook bestond toen de mogelijkheid een beurs te krijgen.

Ten tijde van de opkomst der patriotten richtte de doopsgezinde predikant Jan Nieuwenhuyzen de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen ('t Nut) op. Deze club van vooraanstaande burgers begon met het stichten van scholen, waar les werd gegeven naar de beginselen van de Verlichting. In 1795 richtten zij in Haarlem de eerste kweekschool voor onderwijzers op.

Ontwerp van 1801 In 1796 kwam "Het Nut" met het advies aan de jonge Bataafse Republiek tot invoering van nationaal onderwijs. Ook de nieuwe leiders zelf zagen voor de overheid een taak en een belang bij de inrichting van het schoolwezen. Zij stelden een commissie in 'voor de zaken van het onderwijs'. In hun Staatsregeling van 1798 droegen ze aan de overheid de zorg op voor het openbaar onderwijs. Theodorus van Kooten kwam in de regering als agent voor Nationale Opvoeding, te beschouwen als de eerste minister van onderwijs. Van Kootens herhaalde verzoeken om een staf en een budget werden door de directeuren genegeerd. Een jaar later nam hij teleurgesteld ontslag. Hierop werd de Leidse hoogleraar Johannes van der Palm benoemd, die in 1801 de eerste Schoolwet gereed had. Van der Palm was al begonnen met het werven van schoolopzieners toen er weer een omwenteling plaatsgreep. De radicale patriotten werden uit de regering "gebonsd" en de wet bleef liggen. Van der Palm begon toch maar vast met de invoering van zijn onderwijsbestel. Hij benoemde Adriaan van den Ende tot "hoofdopziener", feitelijk directeur-generaal van het schoolwezen. Deze ex-predikant was tot dan toe lector natuurkunde aan Teylers Stichting in Haarlem geweest. In opdracht van de agent voor Nationale Opvoeding schreef Van den Ende een "Handboek voor de onderwijzers op de openbare lagere scholen binnen het Bataafsche Gemeenebest". Van der Palm stuurde hem naar Pruisen, om daar het onderwijs van de filantropijnen te bestuderen. Van der Palm zelf bleef echter aan onder het 'unitarische' Uitvoerend Bewind onder Alexander Gogel. Gogel was initiatiefnemer van de staatsgreep van 12 juni 1798. In 1804 kreeg Van den Ende als "commissaris tot zake van het modern onderwijs" opdracht om het wetsontwerp te herschrijven. Het nieuwe voorstel werd uiteindelijk onder leiding van Rutger Jan Schimmelpenninck door het Wetgevend Lichaam van het Bataafse Gemenebest in 1805 goedgekeurd en de wet-Van den Ende trad het volgend jaar in werking.

Wet van 1806

De meesters hadden steeds hoofdelijk onderwijs gegeven in de overvolle leslokalen, aan leerlingen van alle leeftijden, die gewoon door elkaar zaten. Van den Ende schreef geleidelijke invoering van het klassikaal onderwijs voor. Lijfstraffen werden vervangen door een systeem van lichte tuchtiging en vooral beloningen. Voorts verbood de wet leerstellig godsdienstonderricht. Dit moesten de kerken voortaan zelf maar geven buiten schooltijd. De school moest "algemeen christelijke deugden" aankweken en mocht geen enkele richting aanstoot geven.

De onderwijzers dienden te solliciteren in een vergelijkend examen: de meest bekwamen in rekenkunst, taalkundig ontleden, opstel schrijven en schoonschrift kregen een aanstelling. Ze werden voortaan benoemd door gemeente of ambachtsheer, en betaald door een schoolfonds met deelname van de overheid. Dit gebeurde naar bekwaamheid; die werd bepaald aan de hand van vier rangen. Ze kwamen onder toezicht te staan van schoolopzieners, voorlopers van de inspecteurs van het onderwijs. De schoolopzieners waren meestal notabelen, die tegen een geringe vergoeding eens per jaar de scholen bezochten en ook de opleiding van onderwijzers organiseerden. Van der Ende coördineerde hun werk op het departement.

De ouders betaalden schoolgeld. In de steden werden armenscholen geopend waar het onderwijs gratis was. Op het platteland moesten de schoolopzieners zorgen voor gratis toegang van arme kinderen tot de dorpsscholen. Van leerplicht was nog geen sprake, en de deelname aan het onderwijs door de lagere standen liet dan ook veel te wensen over.

De wet-Van den Ende ging uit van nationaal onderwijs met een algemeen christelijk karakter. Voor de stichting van bijzondere scholen was een vergunning nodig van de provincie. In de praktijk werd deze wel verleend aan particuliere fondsen, zoals weeshuizen, diaconieën en "het Nut". Particuliere schoolhouders echter, die het onderwijs geheel uit schoolgeld moesten bekostigen, werden tegengewerkt.

Buiten de werking van de wet bleven de Joodse scholen. Daar stond het leerstellig godsdienstonderwijs nog centraal, aangevuld met algemene vakken. Dit werd toegestaan omdat men moeilijk kon verwachten dat joodse ouders hun kinderen zouden laten onderwijzen in "algemeen christelijke deugden". Ook de katholieke scholen in de Zuidelijke Nederlanden bleven in de jaren 1814-1830 buiten de werking van de Schoolwet. De achterstand en het verzet van de Rooms-Katholieke Kerk werden door de regering van koning Willem I te groot geacht. Wel werden onder leiding van Adriaan van den Ende verbeteringen in de geest van de wet aangebracht.Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap. Deel 78 van 1964, blz. 10 e.v.

Het verzet tegen de Schoolwet groeide. De Afscheiding van 1834 en de emancipatie van de katholieken vroegen om eigen scholen. Kinderen werden soms naar illegale godsdienstscholen gestuurd in plaats van naar de staatsschool. Het Réveil daarentegen streefde een hervorming na van de staat in het algemeen en het openbaar onderwijs in het bijzonder in protestantse zin. Guillaume Groen van Prinsterer bepleitte de openbare School met den Bijbel en nam voor lief dat de Bijbel in de zuidelijke provincies een "paapse" uitleg zou krijgen.

De nieuwe koning Willem II kwam het verzet een beetje tegemoet. Hij gaf opdracht aan een gemengde commissie de mogelijkheden te onderzoeken om de toelating van bijzondere scholen te verruimen. Voor samenwerking van protestanten en rooms-katholieken was de tijd echter nog niet rijp, en de commissie bracht weinig verheldering. De regering kwam vervolgens met een Koninklijk Besluit van 2 januari 1842, waarin geestelijken in staat werden gesteld om schoolboeken te keuren. Schoollokalen werden een uur per dag beschikbaar gesteld voor naschools godsdienstonderwijs.

Grondwet van 1848 Ook de liberaal Thorbecke was voor vrije schoolkeuze en schoolvorming. Hij nam dit beginsel in 1848 op in zijn grondwetsherziening: "Het geven van onderwijs is vrij behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid der onderwijzers en het toezicht der overheid, beide door de wet te regelen". De minister vroeg de gemeentes om soepeler om te gaan met het geven van vergunningen. In zijn kabinetsperiode werden 150 scholen met de Bijbel gesticht.

Al in 1829 had Thorbecke ervoor gepleit de bijzondere school tot regel te maken. Alleen waar de ouders niet zelf konden voorzien in een passende school, moest de staat zorgen voor het onderwijs. Maar in 1848 hielden de conservatieven, een deel van zijn eigen liberalen en zelfs Groen van Prinsterer vast aan de staatsschool als regel, de bijzondere school als uitzondering. En zo kwam art. 194 te luiden: "Het openbaar onderwijs is onderwerp van voortdurende zorg der regering. De inrichting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld. Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoende openbaar lager onderwijs gegeven."

In 1853 ging, na de Aprilbeweging, in Den Haag een andere wind waaien. Het conservatieve kabinet-Van Hall ging weer uit van de nationale school. Het moest echter wel een wet maken ter uitvoering van Thorbeckes grondwetsartikel. Minister Van Reenen introduceerde in zijn wetsontwerp de Neutrale staatsschool. "Het openbaar onderwijs moet zich onthouden van iets te onderwijzen, te doen dat kwetsend kan zijn voor enige godsdienstige of toe te laten gezindheid. Er kunnen naar plaatselijke behoefte openbare scholen worden ingericht voor kinderen van gelijke godsdienstige richting". Hij vulde zo de vrijheid van onderwijs in met de "nationale school voor kinderen van gelijke gezindte." De openbare gezindte-school van Groen dus, maar dan als handreiking en niet als norm.