Hadewijch was een 13e-eeuwse Brabantse dichteres en mystica die beschouwd wordt als een voorloper van Jan van Ruusbroec. Vaak wordt er naar haar verwezen als Hadewijch van Antwerpen, hoewel dit eigenlijk een latere toevoeging is. De teksten die van haar zijn overgeleverd, visioenen, liederen en brieven, werden in een Zuid-Brabantse variant van het Middelnederlands geschreven. Naar alle waarschijnlijkheid was zij een begijn, maar aangezien er geen getuigenissen over haar leven zijn bewaard,Artikel Frank Willaert is vrijwel niets met zekerheid over haar bekend. Haar oeuvre, waaronder Strofische gedichten en Brieven, is in de tweede helft van de 13e of de eerste helft van de 14e eeuw tot stand gekomen. Waarschijnlijk woonde ze in het Hertogdom Brabant en was ze afkomstig uit een gegoede familie. Mogelijk valt ze te identificeren met de Brusselse begijn Bloemardinne.
Leven Periode Hadewijch leefde in de 13e of - wanneer ze inderdaad met de 'ketterin'Kanunnik Henricus Pomerius, de biograaf van de mysticus Jan van Ruusbroec, beschrijft haar als verderfelijk 14e-eeuws ketterin en charismatisch sekteleidster waartegen Van Ruusbroec zich hevig had verzet. Bloemardinne kan worden vereenzelvigd - in de 14e eeuw. Een vergelijking van de Lijst der volmaakten met de historische gebeurtenissen uit haar tijd, deed de Vlaamse literatuurhistoricus Jozef van Mierlo besluiten dat deze Lijst moest geschreven zijn tussen 1238 en 1244. Onderzoekers in zijn spoor plaatsen het hoogtepunt van Hadewijchs literaire productie tegen het midden van de 13e eeuw, waarbij de periode van haar leven zich zou kunnen uitstrekken van ongeveer 1200 tot ongeveer 1260. Andere onderzoekers zijn geneigd Hadewijch te identificeren met Bloemardinne en situeren haar bijgevolg eind 13e, begin 14e eeuw. Dit werd eind 19e eeuw betoogd door Karel Ruelens en Paul Fredericq.Karel Ruelens, "Jan van Ruysbroek en Blomardinne", in: Jozef Vercouille (red.), Werken van zuster Hadewijch, vol. 3, Gent, 1905, p. XX–XCVIPaul Fredericq, De geheimzinnige ketterin Bloemaerdinne (Zuster Hadewijch) en de Secte der "Nuwe" te Brussel in de 14de eeuw, Müller, 1895 Moderne historici die Van Mierlo's vroege datering problematisch vinden, bliezen de theorie nieuw leven in.Wybren Scheepsma, "Hadewijch und die 'Limburgse sermoenen'. Überlegungen zu Datierung, Identität und Authentizität", in: W. Haug & W. Schneider-Lastin (red.), Deutsche Mystik im abendländischen Zusammenhang. Neu erschlossene Texte, neue methodische Ansätze, neue theoretische Konzepte, 2000, p. 653-682Geert Warnar, Ruusbroec. Literatuur en mystiek in de veertiende eeuw, 2003, p. 69-80Remco Sleiderink, De stem van de meester. De hertogen van Brabant en hun rol in het literaire leven (1106-1430), 2003, p. 121
Woonplaats(en) Eén manuscript vermeldt op het schutblad: van de zalige Hadewijch van Antwerpen. Dit is echter een veel latere toevoeging. Hadewijch is overigens nooit zalig noch heilig verklaard door de Katholieke Kerk. Aangezien het vooral kloosters uit het Brusselse waren die in het bezit bleken van de oudste kopieën van haar werken, is het niet onwaarschijnlijk dat ze minstens een tijd in Brussel verbleef. Van Bloemardinne (Heilwijch Bloemaert) is de Brusselse afkomst bekend. Hadewijchs Middelnederlands ("Diets") is zeker Brabants van inslag, al zeggen sommige onderzoekers dat dit weinig bewijst over Hadewijchs afkomst of verblijfplaats: het is denkbaar dat kopiisten verantwoordelijk waren voor een verbrabantsing van haar taal. Van Hadewijch zelf is immers geen letter autograaf bewaard: alle beschikbare manuscripten zijn kopieën uit latere eeuwen. Voor die teksten waarvan meer dan één manuscript bewaard bleef zijn overigens de dialectverschillen vaak zeer groot: te groot om het origineel unaniem te kunnen lokaliseren, en dat het grootste aantal van de manuscripten in het toen Zuidelijke deel van Brabant teruggevonden werd, kan er even goed aan gelegen hebben dat Jan van Ruusbroec en zijn omgeving zulke grote fans van haar waren.
Indirecte aanwijzingen uit de Brieven en de Lijst der volmaakten duiden er op dat Hadewijch naar alle waarschijnlijkheid in verschillende plaatsen woonde, en daarnaast ook reizen ondernam. Samenvattend houden de meeste onderzoekers het er op dat Hadewijch waarschijnlijk in meer dan één stad in en/of rond het toenmalige Brabant gewoond heeft. Brabant strekte zich in die tijd verder uit dan de grenzen van de provincies Noord-, Vlaams- en Waals-Brabant in België en Nederland: ook de Belgische provincie Antwerpen maakte deel uit van het Brabant van Hadewijchs tijd. In Nederland wordt Hadewijch zonder probleem als Nederlandse beschouwd: ze dook op als nr. 123 op de lijst van grootste Nederlanders (ter vergelijking: in België strandde zij op de 74e plaats voor de Nederlandstaligen, zonder voor te komen op de lijst van 100 Belgen die door de Walen genomineerd werden).
Sociale status en culturele achtergrond Hadewijch was ongetwijfeld van gegoede afkomst, misschien zelfs van adel. Zij was zowel met Latijnse theologische teksten als met een overwegend Franse traditie van minneliederen (chansons) vertrouwd: voor een vrouw was dat in die tijd op zich al uitzonderlijk, en enkel denkbaar in milieus met financiële armslag. Ook de reizen die zij blijkbaar maakte, zijn alleen mogelijk vanuit die veronderstelling. Haar talenkennis getuigt van een meer dan gewone eruditie. Naast het Diets beheerste zij ook het Frans en Latijn en ze deinsde er niet voor terug om in discussie te treden met vooraanstaanden uit haar tijd.
Hadewijch bleek ook verbazend onafhankelijk: een enkele keer vertaalde en hertaalde ze iets van een tijdgenoot en er zijn voldoende aanwijzingen dat ze goed op de hoogte was van wat er in haar tijd te koop was. Het beeld dat van Hadewijch beklijft is echter vooral dat van een persoon die in denken en handelen enorm zelfbewust was, en in totale onafhankelijkheid haar eigen keuzes maakte.
Hadewijch en de begijnenbeweging Hadewijch was zeker geen kloosterlinge: daarvoor is zij te vrijgevochten. Dat zij een begijn zou geweest zijn wordt door sommige commentatoren (bijvoorbeeld N. de Paepe) bestreden, terwijl anderen het juist heel waarschijnlijk achten dat zij een sleutelrol speelde in de vroege begijnenbeweging.
In de Lijst der volmaakten noemt zij een begijn die door een inquisiteur vermoord werd. Dit is minstens een duidelijk statement: in de strijd voor emancipatie die de begijnen in de vroege 13e eeuw voerden stond zij aan de kant van de begijnen, tegen de kerkelijke inquisitie.
Alhoewel er vanaf de vroege 13e eeuw begijnen waren, en er vanaf het tweede kwart van de 13e eeuw in de lage landen begijnhoven gesticht werden, vaak van officiële zijde (bijvoorbeeld met actieve steun van de gravinnen en gezusters Johanna en Margaretha van Constantinopel), verliep de erkenning van kerkelijke zijde aanvankelijk erg stroef, en werd slechts tegen het eind van de 13e eeuw een feit, dankzij Maria van Oignies, wier hagiografie door haar biechtvader naar Rome werd gestuurd.
Begijnen werden nogal eens van heterodoxie beschuldigd, zoals in 1310 toen een van de bekendste slachtoffers van de begijnenvervolging Margarete Porete op de brandstapel stierf, met haar boek “Spiegel der eenvoudige zielen”, een werk dat later herontdekt werd. Ook hele begijnhoven werden door de opkomende repressie tegen vrouwen gekenmerkt toen het Concilie van Vienne (1311-12) opriep tot maatregelen tegen ‘ketterse’ begijnen.
Ter verduidelijking moet gezegd worden dat niet alle begijnen in die tijd in begijnhoven woonden: een handvol religieus geïnspireerde vrouwen kon bijvoorbeeld ook in een gewoon huis samenwonen, of ermee verbonden zijn zonder in hetzelfde huis te wonen. Zulke vrouwen konden ook mulieres religiosae ("religieuze vrouwen") genoemd worden, wat in die tijd ongeveer samenviel met het begrip begijn.
Het is zeer aannemelijk dat wanneer Hadewijch in haar brieven haar vriendinnen aanspreekt, zij spreekt tot zulke vroege gemeenschappen van religieuze vrouwen, buiten de context van een klooster. De manier waarop zij haar vriendinnen aanspreekt, laat zich zeker verenigen met een rol als leidster van een of meer van zulke gemeenschappen (gezelschappen, zoals het toen heette).
Werken Brieven Een bundeling van 31 van Hadewijchs brieven is in verschillende manuscripten overgeleverd. Het betreft zonder twijfel een bewust geredigeerde verzameling. Dit wil niet zeggen dat deze verzameling niet zou teruggaan op werkelijk door Hadewijch afzonderlijk verstuurde brieven (er is te veel petite histoire om als loutere traktaten beschouwd te kunnen worden), maar het samenvoegen van deze (excerpten van) brieven gebeurde mogelijk door een redacteur. Daarbij is het niet erg waarschijnlijk dat een chronologische ordening als leidraad gold. De verzameling vermeldt namelijk geen enkele datum: pogingen om deze brieven een datering of chronologische orde te geven blijven afhankelijk van al dan niet stevig te onderbouwen veronderstellingen en van literaire interpretatie. In recent filologisch onderzoek, onder meer door Jo Reynaert (Universiteit Gent) en Wybren Scheepsma (Universiteit Leiden), worden twijfels geuit over de authenticiteit van sommige van Hadewijchs Brieven, bijvoorbeeld brief 28 en 10, die niet door haar geschreven zouden zijn. Die theorie impliceert dat men het auteurschap en de auteur van Hadewijch met enige voorzichtigheid moet hanteren.
Van enkele brieven kan men met zekerheid stellen dat ze niet in hun geheel in de verzameling opgenomen werden, van sommige brieven ontbreekt bijvoorbeeld de aanhef. De brieven schijnen aan meer dan één persoon gericht te zijn. Slechts in een enkel geval wordt een geadresseerde bij name genoemd. Toch wordt het algemeen verband snel duidelijk: de geadresseerden zijn waarschijnlijk allen vrouwen, die op dezelfde manier als Hadewijch religieuze diepgang in hun leven zoeken, alsook het beoefenen van de liefde voor de naaste in allerlei praktische werken.
Eén ordeningsprincipe van de verzameling schijnt alvast te zijn dat meer theoretisch-mystieke traktaten afgewisseld worden met kortere, directe brieven met praktische raadgevingen, vriendschapsbetuigingen, overbrengen van groeten, enzovoort. De traktaten die zich niet eenvoudig laten lezen, worden naar het einde van de bundel ook steeds gedetailleerder, waarbij regelmatig eerdere thema's breder uitgewerkt worden. De gedachten nemen een steeds hogere vlucht. Aangezien hieruit blijkt dat de samenvoeging van de briefuittreksels minstens door een zeer geïnspireerde geest gebeurde, heeft Hadewijch hierin wellicht zelf de hand gehad.
Enkele thema's uit de Brieven: In de eeuw voor Hadewijch tekende zich een tegenstelling af tussen een rationalistische benadering van de theologie (onder andere Pierre Abélard) en een meer gevoelsmatige (onder andere Bernardus van Clairvaux). Voor Hadewijch schijnt het erop neer te komen dat de rede (de rationaliteit) en de minne (de liefde) elkaar op een punt ontmoeten, namelijk waar de liefde zich uit in praktische werken. Op dit punt begint bij Hadewijch de mystieke ervaring. Hoe men zijn innerlijke sterkte bewaart in tijden van tegenslag en vervolging. ...
Berijmde brieven Van de Berijmde brieven, ook Rijmbrieven of Mengeldichten genoemd, worden alleen de eerste zestien als onbetwistbaar van Hadewijchs hand beschouwd.
De Berijmde brieven hernemen vooral thema's uit de Brieven, maar dan in een eenvoudiger, schematischer vorm. De berijmde brieven hebben ook weinig van de complexe versschema's van de Strofische gedichten. Het lijkt erop dat ze geschreven werden voor tijdgenoten om in een eenvoudig te memoriseren "formaat" met de essentie van wat Hadewijch te vertellen had vertrouwd te raken.
Strofische gedichten