Marthe Wéry (Etterbeek, 26 april 1930 – Brussel, 8 februari 2005) was een Belgische kunstenares.

Tijdens haar carrière van meer dan 50 jaar evolueerde ze van figuratieve naar abstracte, monochrome schilderkunst. Na een minimalistische periode met geometrische schilderijen en repetitieve lijntekeningen, schakelde ze eind jaren 70 over naar poëtische kleuren. Vanaf dan maakte ze vooral vierkante en rechthoekige monochrome werken, waarbij de presentatie in de ruimte belangrijk was.

Haar werk wordt meestal geplaatst bij de fundamentele schilderkunst, een stroming die stelt dat schilderijen moeten uitdrukken wat ze zijn: pigmenten op een drager. Er wordt aandacht geschonken aan de materiële basiselementen van schilderkunst (drager, medium, textuur, kleur, pigment, lijn, lijst, etc.). Ook Wéry werkte meer dan vijftig jaar vanuit dit uitgangspunt.

Wéry’s meest beoefende discipline was de schilderkunst. Ze streefde ernaar de grenzen binnen het medium te verleggen. Haar oeuvre strekt zich echter uit over meerdere kunstdisciplines, naast schilderijen maakte ze ook tekeningen, grafisch werk en interieurontwerpen. Zelf maakte ze geen strak onderscheid en vond inspiratie in het combineren van technieken.

Van groot belang in haar praktijk was hoe de werken in relatie staan tot de toeschouwer, ruimtelijkheid, architectuur en licht. Wéry presenteerde haar werk op onconventionele manieren: liggend op de grond, gestapeld, op schragen, tegen de muur leunend, etc. Op die manier krijgen de tekeningen, grafische werken of schilderijen een sculpturale waarde, het worden installaties.

Haar werk bevindt zich in collecties van privé-eigenaren, galeries en de meeste Belgische musea waaronder het BAM in Mons (Museum voor Schone kunsten), het MRBA in Brussel (Musées royaux des Beaux-Arts de Belgique), S.M.A.K. in Gent (Stedelijk Museum voor Actuele Kunst), M HKA in Antwerpen (Museum van Hedendaagse Kunst Antwerpen) en Mu.ZEE in Oostende.

Musée d'art in Hainaut bezit een groot deel van Wéry's werk doordat de Provincie Henegouwen stelselmatig haar werk aankocht. In 2012 werd die collectie aangevuld met een schenking van de familie.

Ook in het buitenland werd haar werk aangekocht, onder andere door Centre Pompidou en het MAM (Musée d'Art Moderne) in Parijs en door Kunstmuseum Den Haag in Nederland.

Biografie Privéleven Marthe Wéry was getrouwd met Christian Debuyst (Wemmel, 1925 - Brussel, 2022). Debuyst was professor criminologie aan de KU Leuven (Katholieke Universiteit Leuven). Hij schreef regelmatig over het werk van zijn vrouw. Hierbij schonk hij aandacht aan haar minder bekende werk zoals haar tekeningen, onder andere in zijn boek Dessiner, écrire, penser. Marthe Wéry. Les dessins de la première période. 1952-1958 (2008).

Op 8 februari 2005 overleed Wéry onverwacht aan een hartaderbreuk. Ze was 74 jaar oud en op het hoogtepunt van haar bekendheid.

Haar laatste tentoonstelling: Les Couleurs du Monochrome in het Museum voor Schone Kunsten in Doornik was net afgelopen. De tentoonstelling werd georganiseerd door BPS22 als deel van 'Rijsel 2004, Culturele hoofdstad van Europa'.

Opleiding Als tiener leerde Wéry zichzelf tekenen, bezocht ze regelmatig musea en galeries en hield contact met artistieke kringen.

Na het middelbaar volgde ze een lerarenopleiding binnen de plastische kunsten (Ecole normale supérieure, secteur art).

Vervolgens schreef ze zich in voor de bacheloropleiding kunstgeschiedenis aan de KU Leuven aan de faculteit Kunst en Archeologie.

Na het eerste jaar in Leuven verhuisde Wéry naar Parijs, ze wilde de richting kunstgeschiedenis in Parijs verder studeren maar de studieprogramma's bleken niet compatibel. Toch bleef ze twee jaar in Parijs wonen.

In 1952 schreef de jonge Wéry (nog maar 22) zich in voor een eenjarige opleiding schilderkunst aan de privékunstschool La Grande Chaumière bij Montparnasse in Parijs. Daar leerde ze de basis van schetsen, tekenen en schilderen met olieverf.

Terug in België vestigde ze zich in Macquenoise in Henegouwen en werkte regelmatig in l'Atelier van de expressionistische beeldhouwer Oscar Jespers (1887-1970) in Sint-Lambrechts-Woluwe bij Brussel. Jespers maakte van zijn huis, ontworpen door avant-garde architect Victor Bourgeois, een artistiek centrum met ateliers en een tentoonstellingsruimte. Kunstenaars kwamen er samen om te werken, ideeën uit te wisselen en hun werk tentoon te stellen. 

In 1967 werd Wéry toegelaten tot Atelier 17 van de Britse graficus Stanley William Hayter (1901-1988) in Parijs. Hier volgde ze een opleiding gravure en specialiseerde zich in ets en aquatint. Hayter was de perfecte leermeester voor Wéry, bekend door zijn innovatieve druk- en graveertechnieken. Hij maakte surrealistisch en abstract expressionistisch werk.

Docent Wéry werkte 25 jaar in het onderwijs.

Aan de Sint-Lucas Hogeschool voor Architectuur in Brussel (Institut Saint-Luc) gaf ze schilderkunst en grafiek als hoogleraar in de schilderkunst. Het graveeratelier werd op haar initiatief samengevoegd met het schildersatelier.

Ze doceerde ook aan l'Erg in Brussel (Ecole de Recherche Graphique) en tussen 1993 en 1996 aan de l'Ecole des Beaux-Arts in Lyon.

Na haar pensioen in 1996 op 66-jarige leeftijd gaf ze alleen nog gastlessen aan de l'Ecole des Beaux-Arts in Nîmes, van 1998 tot 2000.

Het doorgeven van haar kennis was een belangrijk deel van haar leven. Ze vormde tal van jonge kunstenaars. Enkele van haar leerlingen werden later bekende kunstenaars, zoals Ann Veronica Janssens. Ze gaf ook les aan Sylvie Eyberg, die meeschreef aan het boek Marthe Wéry, vues (2007).

Als docent zette ze zich in voor het feminisme door vrouwelijke studenten aan te moedigen om sterk in hun schoenen te staan als kunstenaar en vrouw. Hoewel ze geen lid was van een groep en in haar werk geen expliciete politieke of sociale opvattingen duidelijk maakte, was ze wel een groot voorstander van de feministische beweging. In de jaren 60 illustreerde ze de tekst ICI van de invloedrijke schrijfster, filosofe en feministe Françoise Collin (1928-2012). En later in 1975 ontwierp ze de omslag van Collins poëziebundel 331W20: lection du président.

Carrière Haar eerste solo-expositie werd gehouden in 1965 in de Galerie Saint-Laurent.

in Brussel. Na de presentatie van haar werk in Gent, Brussel, Keulen, Amsterdam, de Biënnale van Venetië, 1982, in het Musee d'Art Contemporain de Montreal, was er in 1988 een persoonlijke tentoonstelling in Lyon: La couleur seule, l'expérience du monochrome. Het zijn precies haar monochromes die bekend zijn bij het internationale publiek.

Artistieke praktijk Inspiratie Wéry had verschillende visuele en literaire inspiratiebronnen.

Ze had grote bewondering voor het constructivisme, onder andere voor het werk van Kasimir Malevich (1879-1935), El Lissitzky (1980-1941) en Władysław Strzemiński (1893-1952). Strzemiński was schilder en theoreticus van het Unisme. Eind jaren 60 ontdekte Wéry zijn teksten waarin hij verklaarde dat elke vierkante centimeter binnen een constructie dezelfde waarde heeft, dat het oppervlak van een schilderij homogeen is en de spanning van de vorm gelijk moet worden verdeeld.

Volgens Strzemiński moest kunst zonder afleidingen en zo neutraal mogelijk gepresenteerd worden: in een witte ruimte. Wéry is het eens met de ideeën van de Poolse kunstenaar: ze schonk aandacht aan de structuur van het hele schilderoppervlak en presenteerde haar werk in witte ruimtes.

Ze vond ook inspiratie dichter bij huis, in de Nederlandse kunstbeweging De Stijl, bij het werk van Piet Mondriaan (1872–1944), Gerrit Rietveld (1888 -1964) en Theo Van Doesburg (1883–1931). Vooral in Wéry's vroeg geometrische werk is de invloed zichtbaar.

In tegenstelling het constructivisme en De Stijl zijn Wéry's werken eerder poëtisch en warmhartig dan koel en zakelijk. Daarnaast is ook de manier waarop ze kleur aanbracht verschillend, Wéry creëerde binnen enkele werken kernen van densiteit en pigment, waardoor de kleuren lijken te pulseren.

Het Amerikaanse abstract expressionisme ontdekte ze tijdens een reis naar de Verenigde Staten in 1969. Tijdens museumbezoeken ziet ze voor het eerst het werk van de color field painters Mark Rothko (1903-1970) en Barnett Newman (1905-1970) in levende lijve.

Van figuratie naar abstractie Toen haar opleiding in Parijs afgerond was, keerde Wéry terug naar België: ze vestigde zich in Macquenoise en ging aan de slag in l'Atelier van Jespers. Zoals veel jonge kunstenaars, zocht Wéry aan het begin van haar carrière een eigen plek binnen de kunstgeschiedenis. In het l'Atelier van Jespers slaagde ze erin zich los te koppelen van haar voorgangers. Op dat moment evolueerde haar werk van figuratie naar abstractie.

In een interview met Irmeline Lebeer gepubliceerd in onder andere de monografie Penser en peinture stelt ze: "Mijn werk is een opeenvolging van het wegvagen van tekens. Ik ben regelmatig voor dilemma's komen te staan: een poging tot uitwissen, leegte of de mogelijkheid van een nieuwe opening." En stelt ze over de vereenvoudiging die haar werk doormaakte: "Wat mijn ontwikkeling kenmerkt is de geleidelijke afbraak van vorm. Je kan niet zeggen 'een explosie van vorm', dat zou een wilde explosie zijn. Het is veel meer een kwestie van deconstructie met het oog op het herontdekken van een fundamentele structuur". Deze eerste abstracte werken tonen geometrische composities opgebouwd met vlakken. Ze gebruikte vooral grijstinten, maar legde in het beperkte kleurenpalet wel gevoel, balancerend tussen emotie en ratio.

Van grijstinten naar kleur In 1982 was Wéry's 'Venetië-reeks' te zien in het Belgische paviljoen op de Biënnale van Venetië; ze was de eerste vrouwelijke kunstenaar die België mocht vertegenwoordigen. Met deze tentoonstelling werd duidelijk dat kleur definitief aanwezig zou blijven in haar werk. Wéry maakte een reeks doeken met vele doorschijnende lagen. Aan de opbouw van verflagen besteedde ze veel aandacht, voor deze serie vormde ze eerst enkele lagen met een groen-grijze of blauwe achtergrond, maar kwam uiteindelijk uit bij intense, briljante rode tinten. De rode gloed van de werken was geïnspireerd op en versterkt door het Venetiaanse licht. De schilderijen werden niet traditioneel opgehangen maar geïnstalleerd zoals in haar atelier: leunend tegen de muren.

Experiment Experimenteren was essentieel voor Wéry, ze hield ervan de grens te bewandelen tussen toeval en beheersing, en om ze in elkaar over te laten lopen.

Haar vader Jules Wéry was aannemer, metselaar en bouwvakker. Wéry ging als kind regelmatig mee naar de werf en raakte zo al vroeg vertrouwd met bouwmaterialen. In haar kunst gebruikte ze die kennis en probeerde ze vele materialen, formaten en structuren uit, verder reikend dan het klassieke rechthoekige canvas. Zo koos ze dragers in hout, pvc en aluminium. Daarnaast stopte ze begin jaren 90 definitief met traditioneel schilderen met een penseel maar goot ze vanaf dan de kleur over de drager. De vloeistof stuurde ze door de drager te kantelen of een ventilator te gebruiken. Deze techniek leverde haar nieuwe texturen en kleurschakeringen op.

Op zichzelf staande werken en open reeksen Wéry maakte in het begin van haar carrière vooral 'op zichzelf staande schilderijen'. Maar ze dacht na over wat een oeuvre is of kan zijn. Een inspiratiebron voor deze aanpak was Strzeminski, die een oeuvre zag als een 'eenheid', een constructie die open moet blijven. Vanuit deze ideeën vloeiden vele series, suites, diptieken, triptieken en polyptieken voort. En zo kwam ze uit bij het begrip 'open reeksen'. Hieronder begreep ze: werken waarbij verschillende doeken van hetzelfde formaat op verschillende manieren gecombineerd worden, afhankelijk van de tentoonstellingsomstandigheden. Haar oeuvre werd een work in progress. Zo stelde ze:

"Er is niets te perfectioneren, maar steeds te voltooien, voor verder gevolg."