De patroon-priesterrelatie is de relatie tussen een wereldlijk machthebber en een geestelijk leider. In een dergelijke relatie biedt de wereldlijk heerser zijn militaire bescherming aan de geestelijk leider, in ruil voor spirituele opleiding en zegening. De relatie is in het historisch perspectief van de Tibetaanse geschiedschrijving van cruciaal belang. Die relatie is in dat historisch perspectief essentieel voor de notie van die geschiedschrijving, dat Tibet tot aan 1950 een in wezen onafhankelijk land was.

In 1951 kreeg de Tibetaanse delegatie bij de onderhandelingen met de Volksrepubliek China inzake het 17 puntenakkoord de opdracht van de regering van historisch Tibet om de onafhankelijkheid van Tibet inhoudelijk te onderbouwen op basis van deze relatie.Shakya, Tsering, (2000) The dragon in the Land of Snows, Penquin Books, , pag. xxix en 65

Essentieel in de Tibetaanse geschiedschrijving is de opvatting, dat de relatie van een gelijkwaardige aard was.

Mogelijke oorsprong relatie Een aantal tibetologen hanteert voor de verhouding tussen Tibet en de Westelijke Xia van de Tangutdynastie al de term patroon-priester. In het gebied ten noordoosten van het huidige Tibet waren in de 12e eeuw al lama's van de kagyütraditie actief. Archeologische vindplaatsen in het gebied in de vorm van beelden, schilderijen in Tibetaanse stijl geven een beeld van het succes van die lama's. In de ceremoniële banden tussen de heersers van de Westelijke Xia en de daar aanwezige Tibetaanse lama's zou dan de oorsprong van de patroon-priesterrelatie liggen.Kapstein, Matthew (2007) The Tibetans, hoofdstuk Fragmentation and Hegemonic Power, Blackwell Publishing, Oxford, , pag. 107 Het rijk van de Westelijke Xia werd in 1227 door Dzjengis Khan veroverd en vernietigd.

Relatie in klassieke Tibetaanse geschiedschrijving In de Tibetaanse geschiedschrijving vangt de patroon-priesterrelatie aan in het tijdperk van de opvolgers van Dzjengis Khan tijdens de Yuan-dynastie (1279-1368).

Ook de huidige Tibetaanse regering in ballingschap hanteert de notie dat vanaf het begin van het ontstaan van die relatie er sprake is geweest van gelijkwaardigheid in die relatie.Tibetaanse regering in ballingschap, This unique central Asian symbiosis entailed the protection and making of offerings by the secular patron to his spiritual teacher and master, in return for religious teachings and the bestowal of spiritual protection and blessings by the lama to his patron. This was in no way a relationship between a ruler and his subject in A Historical Assessment of Relations between the Mongol Empire and Tibet Nature of Relationship, Department of Information and International Relations (DIIR) Central Tibetan Administration

De relatie wordt dan gedefinieerd als die tussen een wereldlijk, seculier heerser - de patroon - die bescherming biedt en voorrechten schenkt aan een geestelijk leidsman en leraar, de priester. De laatste onderwijst en onderricht dan de patroon.

Daarbij staat voorop dat die relatie niet kan worden gezien als één tussen heerser en onderdaan, maar dat die van gelijkwaardige aard is.

Een ander aspect is, dat deze gelijkwaardige relatie niet alleen betrekking heeft op personen, maar vooral ook op de gebieden die de personen vertegenwoordigen.Smith, Warren. W. (1997) Tibetan Nation: A history of Tibetan Nationalism and Sino-Tibetan Relations, Westview Press, , pag. 82 en 95Klieger, Christian (1989) Tibetan nationalism: The role of patronage in the accomplishment of a national identit, Àrchana Publications, ASIN B001OINN1U

In de Tibetaanse geschiedschrijving is de relatie tussen Sakya Pandita en Godan Khan de eerste patroon-priesterrelatie. In de relatie tussen zijn jongere neef Phagspa en Koeblai Khan krijgt die dan verder gestalte.

Na de val van de Yuan-dynastie werd de relatie in de Tibetaanse geschiedschrijving verder voortgezet in die tussen de derde dalai lama Sönam Gyatso en Altan Khan en vervolgens in die tussen de vijfde dalai lama, Ngawang Lobsang Gyatso, en Güshri Khan. Op basis van die laatste relatie zou Ngawang Lobsang Gyatso feitelijk de wereldlijke macht over Tibet hebben verkregen.

Vanaf begin 18e eeuw tot aan 1913 wordt in de Tibetaanse geschiedschrijving de patroon-priesterrelatie van toepassing verklaard op de verhouding met de Qing-dynastie.

Na de val van de Qing-dynastie verbrak de dertiende dalai lama in 1913 in een proclamatie de patroon-priesterrelatie, omdat die vanwege de invallen van Chinese troepen in Tibet niet meer van gelijkwaardige aard zou zijn.Gyatso, Thubten (1913) Proclamation Issued by His Holiness the Dalai Lama XIII, Tibet Justice Center

Andere opvattingen In de klassieke Tibetaanse geschiedschrijving wordt gesteld dat de relatie tussen Tibet en China met name gekarakteriseerd werd door boeddhistische noties omtrent een patroon en een priester. Impliciet betekent dit, dat de relatie van een vooral religieuze aard was en dus geen ondergeschiktheid van de kant van Tibet naar China betekende. De consequentie daarvan is dat de Tibetanen de Chinese keizer in het kader van die relatie vooral als een uitsluitend seculier heerser moeten hebben gezien, die zorgde voor bescherming ook in de zin van militaire protectie.

Dat is echter niet het geval. Andere delen en aspecten van de Tibetaanse geschiedschrijving tonen aan dat de Tibetanen in ieder geval de Qing-keizers zowel als een seculier als religieus instituut zagen. In vele Tibetaanse bronnen wordt de Qing-keizer beschouwd als Jampeyang Gongma, de incarnatie van Manjushri. De keizer wordt dus niet alleen gedefinieerd als een seculier instituut, maar ook als een wezen dat een ruimte heeft in het Tibetaanse pantheon en daarom wel degelijk seculiere autoriteit in Tibet bezit.Farquhar, David.M (1978) Emperor as Bodhisattva in the Governance of the Ch'ing Empire, Harvard Journal of Asiatic Studies, nr. 1, pag. 5-34

In een document uit 1822 schrijft Ngawang Jampäl Tsültrim Gyatso, de tweede Tsemönling rinpoche en toenmalige regent van Tibet, het volgende:Goldstein, Melvyn (1991) A History of Modern Tibet, 1913-1951: The Demise of the Lamaist State University of California Press, , pag. 2

De relatie heeft in de diverse perioden in de geschiedenis ook vaak een andere aard gehad. Phagspa kon alleen een zekere autoriteit uitoefenen in Tibet als een vazal van de Mongoolse Yuan-dynastie.Snellgrove, David & Hugh Richardson (herdruk 2003) The Mongols and Sakya in A Cultural History of Tibet, ,Orchid Press, Bangkok, , pag. 148, 149

Altan Khan sloot in de 16e eeuw wel een bondgenootschap met Sönam Gyatso. Dat was echter een verbintenis, die alleen betrekking had op de gelugtraditie binnen het Tibetaans boeddhisme met pas verstrekkende consequenties in de volgende eeuw. Altan Khan was op dat moment ook zeker niet in staat de priester daadwerkelijk protectie te bieden.

De enige van de Mongoolse krijgsheren die in de klassieke Tibetaanse geschiedschrijving genoemd wordt als een patroon en werkelijk protectie gaf betreft Güshri Khan. En ook dan geldt die protectie in strikt historische en feitelijke zin alleen de gelugtraditie. Tot in de 21e eeuw zijn er in Tibetaanse ballingschap dan ook bijvoorbeeld facties binnen de kagyütraditie die Güshri Khan absoluut niet als een patroon zien.Brown, Mick (2004) The dance of 17 Lives, Bloomsbury Publishing, Londen, , pag. 210-215, 229-230

De patroon-priesterrelatie wordt in het algemeen in termen van machtsevenwicht niet als een gelijkwaardige relatie gezien. Dat heeft ook veel te maken met het feit, dat de klassieke Tibetaanse geschiedschrijving de relatie strikt als een bilaterale ziet tussen Tibet enerzijds en een Mongoolse dan wel Chinese patroon anderzijds.

Met name voor de Chinese keizers was de verhouding met bijvoorbeeld de dalai lama in de 17e en 18e eeuw vooral instrumenteel van aard. Een dalai lama werd allereerst geacht een matigende invloed uit te oefenen op de Mongoolse warlords ten westen van het toenmalige China, die in die periode nog regelmatig als een bedreiging voor de veiligheid van het rijk werden gezien. Zolang hij dat naar bevrediging van de Chinese keizer deed, kon hij rekenen op giften, eerbetoon en het ontvangen van indrukwekkende titels.

Tijdens de voortdurende onderlinge twisten van de Khalkha-Mongolen schrijft Kangxi in 1684 aan de vijfde dalai lama het volgende:Perdue, Peter C. (2005) China marches West; The Qing Conquest of Central Eurasia, Belknap Press of Harvard University Press, 145-147, 437-442, Kangxi weet op dat moment niet dat Lozang Gyatso al is overleden in 1682 en zijn dood door de eerste minister Sanggye Gyatso geheim wordt gehouden.

Die ontmoeting heeft ook daadwerkelijk plaatsgevonden.

In 1691 schrijft Kangxi aan de dalai lama op een heel andere toon. Nog steeds weet Kangxi niet van het overlijden van af.

Godsdienst als politiek instrument In de door de Tibetaanse geschiedschrijving volstrekt als bilateraal gekenschetste patroon-priesterrelatie was Tibet in religieus opzicht een vrijwel homogeen gebied. Het overgrote deel van de bevolking beleed het Tibetaans boeddhisme en dat gold voor 100% van de élite. In het ook qua bevolkingsaantallen veel grotere China lag dat anders. Daar waren veel meer levensbeschouwelijke en religieuze stromingen aanwezig. Georganiseerde godsdienst met een hiërarchie was dan ook voor de Chinese heersers een instrument in het politiek handelen. Het behagen van een godsdienst en de religieuze leiders daarvan hing af van de politieke opportuniteit. Ieder van die religieuze stromingen gaf daar weer hun eigen interpretatie aan. Uit de periode van de Yuan-dynastie dateert een bekend geschrift van een taoïstische monnik, vertaald als The travels of Qiu Chang Chun. Wie dit geschrift leest, zou tot de conclusie moeten komen dat vrijwel het gehele hof en élite van de Yuandynastie overtuigd taoïst was geworden,Pei Shi Ki (1220), vertaling E. Bretschneider (1888) The travels of Qiu Chang Chun terwijl dit in historische en feitelijke zin volstrekt onjuist is. Het is echter een tijdelijk equivalent van de beschrijving van een patroon-priesterrelatie in taoïstische zin.

In de meer populaire lectuur over dit onderwerp, wordt weleens gesteld dat deze relatie geleid zou hebben tot de bekering van enkele Chinese keizers tot het boeddhisme. Daarvoor is geen spoor van bewijs. Geen Chinese keizer kon het zich ook veroorloven om zich exclusief te verbinden aan een specifieke godsdienst. Dat gold zeker voor de keizers van de Yuan- en Qing-dynastie, die niet van Chinese herkomst waren en te maken hadden met een Chinese élite die sterk op het gedachtegoed van Confucius leunde.Robert, Anthony, Dragons, Tigers and Dogs: Qing Crisis Management and the Boundaries of State Power, Cornell University, Keizers als Kangxi en Qianlong hebben ook geformuleerd geen boeddhist te zijn. De laatste wijst het geloof in tulku's ook expliciet af als onlogisch en zelfs contrair aan de principes van het boeddhisme.

In de klassieke Chinese geschiedschrijving thumb|Bord boven de ingang van de tempel. De naam van de tempel staat vermeld (van rechts naar links) in het Mantsjoe, Chinees, Tibetaans en Mongools.

De patroon-priesterrelatie wordt in de klassieke Chinese geschiedschrijving nauwelijks genoemd en nooit in de termen en betekenis die de klassieke Tibetaanse geschiedschrijving er aan geeft.

Een klassiek voorbeeld van die klassieke Chinese geschiedschrijving over de relatie met Tibet zijn twee geschriften van Qianlong die beide gebeiteld staan in pilaren bij de Yonghetempel in Peking. De eerste tekst dateert uit 1744 en de tweede uit 1792. Beide teksten zijn in 4 talen;Mantsjoe, Chinees, Mongools en Tibetaans.

De tekst van de verklaring uit 1744 is in het Mantsjoe is geschreven door Qianlong. Er wordt verondersteld dat de Mongoolse leider Efu Celing voor de Mongoolse vertaling zorgde en de regent in Tibet Pholhanas de tekst in het Tibetaans vertaalde.