De Augustusstaatsgreep was een mislukte staatsgreep die in 1991 was opgezet door een groep leden van de regering van de Sovjet-Unie om de macht van het land over te nemen van president Michail Gorbatsjov. De leiders van de staatsgreep waren conservatieve leden van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie (CPSU), die tegen het hervormingsprogramma en Nieuwe Unieverdrag van Gorbatsjov waren, die de macht van de centrale regering zou decentraliseren naar de deelrepublieken. Zij stonden lijnrecht tegenover een korte maar effectieve campagne van burgerlijk verzet in Moskou. Alhoewel de staatsgreep binnen twee dagen mislukte en Gorbatsjov aan de macht bleef, destabiliseerde deze gebeurtenis de Sovjet-Unie. De couppoging droeg rechtstreeks bij aan de ondergang van de Communistische Partij en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie.

Na de overgave van het Staatscomité van de Noodtoestand - ook bekend als de "Bende van Acht" - beschouwden het Hooggerechtshof van de RSFSR en de president van de Sovjet-Unie Michail Gorbatsjov hun acties als een poging tot staatsgreep.

Politieke situatie

Sinds Gorbatsjov aan de macht kwam in 1985 streefde hij veel hervormingen na. Het land verkeerde namelijk al geruime tijd in een langzaamaan steeds verder verslechterende economische crisis. Met de leuzen perestrojka en glasnost wilde hij de economie en politiek herstructureren en een meer open systeem creëren. Deze hervormingen waren slechts ten dele succesvol en leidden bovendien tot politieke spanningen. Hardliners binnen de Communistische Partij vreesden deze hervormingen omdat minderheden meer te zeggen kregen ten opzichte van de centrale regering. Estland, Letland en Litouwen hadden zich in het voorjaar van 1990 al onafhankelijk verklaard van de Sovjet-Unie, in april 1991 gevolgd door Georgië.

De andere sovjetrepublieken hadden zich in de tussentijd soeverein verklaard, maar stonden nog wel open voor lidmaatschap in een flink hervormde Sovjet-Unie. Gorbatsjov ijverde daarom voor het sluiten van een Nieuw Unieverdrag en schreef daarvoor een referendum uit op 17 maart 1991. In de negen van de 15 sovjetrepublieken die aan het referendum deelnamen, won Gorbatsjovs voorstel een meerderheid, zodat een afgeslankte Sovjet-Unie nog zou kunnen blijven voortbestaan. In de zomer van 1991 werd hard gewerkt aan een definitieve verdragstekst, die gereed was op 27 juni en waar de presidenten van de negen sovjetrepublieken op 12 juli zich akkoord mee verklaarden. De definitieve ondertekening zou op 20 augustus 1991 moeten plaatsvinden in Moskou.

Op 11 december 1990 gaf een van de hardliners, Vladimir Krjoetsjkov, hoofd van de KGB, de opdracht om te onderzoeken wat voor maatregelen er konden worden genomen om de macht te grijpen wanneer de staat van alarm zou worden afgekondigd. Op 29 juli 1991 luisterde de KGB een gesprek af tussen Michail Gorbatsjov, de Russische president Boris Jeltsin en de Kazachse president Noersoeltan Nazarbajev. Daarin spraken zij erover hoe zij hardliners als Krjoetsjkov, premier Valentin Pavlov, vicepresident Gennadi Janajev, minister van Binnenlandse Zaken Boris Poego en onderminister van Defensie Oleg Baklanov het beste zouden kunnen vervangen. Krjoetsjkov begon daarop samen met zijn medestanders een staatsgreep te beramen om te voorkomen dat ze zelf uit hun ambt zouden worden gezet, bij voorkeur op een moment dat Gorbatsjov op vakantie was buiten Moskou, net zoals Leonid Brezjnev en zijn medestanders in 1964 Nikita Chroesjtsjov hadden afgezet.

Voorbereidingen

Op 4 augustus vloog Gorbatsjov naar zijn zomerverblijf, een datsja in Foros op de Krim voor een vakantie met zijn gezin die tot 18 augustus zou duren; hij was van plan op 19 augustus naar Moskou terug te keren om op 20 augustus de ondertekening van het Nieuwe Unieverdrag te organiseren. Op 6 augustus gaf Krjoetsjkov zijn KGB-experts opdracht een effectrapportage te maken van hoe de politiek en samenleving zouden reageren op het uitroepen van de noodtoestand. De resultaten waren grotendeels negatief en zouden de economische situatie verder verslechteren. Een afgeluisterd telefoongesprek tussen Gorbatsjov en Jeltsin op 14 augustus bevestigde echter dat zij bereid waren het Nieuwe Unieverdrag te ondertekenen, en liet geen tekenen zien dat hun alliantie uit elkaar viel, zoals Krjoetsjkov had gehoopt; daarom besloot hij zijn coupplannen door te zetten. Vanaf 14 augustus begon Krjoetsjkov gedetailleerde plannen voor de staatsgreep te maken, waarbij hij zijn ondergeschikten bij de KGB opdracht gaf zich voor te bereiden op de noodtoestand en de gesprekken van alle democratische leiders af te luisteren.

Krjoetsjkov hield de hele dag vergaderingen met zijn mede-samenzweerders op het hoofdkwartier van de KGB in Moskou over hoe de noodtoestand in zijn werk moest gaan. De KGB-groep van Krjoetsjkov organiseerde op 17 augustus een bijeenkomst met een grotere groep topfunctionarissen van de Communistische Partij en de Sovjetregering (die nog niet bij het complot betrokken waren) op het schuiladres "ABC". Krjoetsjkov deelde premier Pavlov en anderen mede dat zij na de ondertekening van het Nieuwe Unieverdrag op 20 augustus uit hun ambt zouden worden ontslagen. Pavlov zei dat hij bereid was af te treden, maar sloot zich niettemin aan bij de samenzweerders. Achteraf, nadat de staatsgreep was mislukt, verklaarden Pavlov en andere deelnemers aan deze bijeenkomst dat het afzetten van Gorbatsjov niet was besproken op het ABC-schuiladres; ze waren alleen van plan om naar de Krim te gaan om Gorbatsjov te overtuigen de noodtoestand af te kondigen.

Couppoging 18 augustus: Isolering Gorbatsjov

Op 20 augustus 1991 zou het Nieuwe Unieverdrag worden getekend dat de individuele republieken meer autonomie gaf. De samenzweerders besloten dat het daarom tijd was om te handelen. Op 18 augustus had premier Baklanov samen met enkele geestverwanten van de KGB een ontmoeting met Gorbatsjov op zijn datsja in Foros in de gemeente Jalta op de Krim in de Oekraïense SSR. Tegelijkertijd werden alle communicatielijnen van en naar de datsja verbroken door de KGB. Gewapende agenten kregen de opdracht niemand toe te laten. De bedoeling was om Gorbatsjov de noodtoestand af te laten kondigen. Aanvankelijk ontkenden ze dat Gorbatsjov onder arrest stond en probeerden ze hem over te halen om zich bij hen aan te sluiten. Hoewel Gorbatsjov zich op dat moment meer zorgen maakte over de opkomst van Boris Jeltsin en tot dan toe de meeste leden van het toekomstige Staatscomité van de Noodtoestand (GKTsjP) vertrouwde, besefte hij dat dit comité in strijd met de grondwet was opgericht. Gorbatsjov probeerde in plaats daarvan de samenzweerders ervan te overtuigen hem trouw te blijven, waarbij hij hen van verraad beschuldigde als ze dat niet zouden doen. Aangezien er geen overeenstemming kon worden bereikt en Gorbatsjov samenwerking op de voorwaarden van de GKTsjP resoluut weigerde, plaatsten de samenzweerders hem onder huisarrest en vertrokken ze, verward en boos dat de president hen niet steunde.

De KGB-delegatie uit de Krim arriveerde in het Kremlin van Moskou om verslag uit te brengen over hun mislukking. De samenzweerders waren het enige tijd oneens over hun volgende stap, maar besloten uiteindelijk dat, om te voorkomen dat Gorbatsjov wraak zou nemen, hij door vicepresident Gennadi Janajev uit zijn ambt moest worden ontheven om "gezondheidsredenen". Slechts enkele uren eerder die dag was Janajev (die met een vriend aan het drinken was in een resort in de buurt van Moskou toen hij onverwachts naar Moskou werd geroepen) door Krjoetsjkov op de hoogte gebracht van het complot. Toen Krjoetsjkov hem vroeg een vooraf opgesteld decreet van één zin te ondertekenen om, vanwege Gorbatsjovs onwel-zijn, waarnemend president van de Sovjet-Unie te worden en de noodtoestand af te kondigen, protesteerde Janajev: er waren geen aanwijzingen dat Gorbatsjov medische problemen had, dat eventuele zaken konden worden afgehandeld zodra de president weer beter was, en ten slotte dat Janajev zich nog niet klaar voelde om waarnemend president te worden. De samenzweerders zetten Janajev echter onder druk om het decreet te ondertekenen, aangezien het meewerken van de vice-president hun enige hoop was om de staatsgreep ogenschijnlijk te legitimeren, ook al bleven hun handelingen volstrekt ongrondwettelijk. Waarnemend president Janajev en premier Pavlov waren erg ongelukkig met de hele gang van zaken en hoe ze tegen wil en dank voor Krjoetsjkovs karretje waren gespannen; ze brachten met zijn tweeën de rest van de nacht door met alcohol drinken tot in de vroege ochtend in het kantoor van Janajev. Toen Krjoetsjkov de volgende ochtend Janajev en Pavlov probeerde te bellen, nam geen van beide mannen de telefoon op.

19 augustus: uitroeping noodtoestand

Het Staatscomité van de Noodtoestand werd opgericht om leiding te geven aan de overheid gedurende de noodtoestand. Daarin hadden alle acht samenzweerders zitting. KGB-chef en meesterbrein achter de couppoging Krjoetsjkov bracht de rest van de nacht door met het organiseren van de uitvoering van de staatsgreep; op 19 augustus om 03.30 uur riep hij een algemene vergadering van de KGB-leiding bijeen, waar hij het einde van de perestrojka aankondigde, verklaarde dat de democratische leiding (Gorbatsjov en zijn adviseurs) gefaald had om de situatie onder controle te houden en dat het tijd was om de noodtoestand af te kondigen. In nieuwsuitzendingen werd later (achteraf) gemeld dat de noodtoestand van kracht werd "voor een periode van zes maanden, ingaande op 19 augustus 1991 om 04.00 uur Moskou-tijd." Een van de maatregelen was dat alle kranten – behalve de communistische – een verschijningsverbod kregen opgelegd.

De Verklaring van het Sovjet-leiderschap werd op 19 augustus 's ochtends om 06:00 uitgezonden op de radio. Opnames van Tsjaikovski's ballet Het zwanenmeer werden in de hele Sovjet-Unie ongeveer 11 uur lang non-stop op televisie uitgezonden. In het hele land waren mensen in de war en bang, omdat er te weinig informatie was over wat er aan de hand was en men vreesde dat er massale arrestaties zouden gebeuren.

Een gewapende tankdivisie en een infanteriedivisie trokken Moskou binnen.

Oekraïne

De twee belangrijkste sovjetrepublieken waren van de Russische SFSR (waar bijna 150 miljoen mensen woonden, oftewel 51% van de totale Sovjetbevolking) en de Oekraïense SSR (waar meer dan 50 miljoen mensen woonden, oftewel bijna 20% van alle Sovjetburgers).

Met name de verklaring van de coupplegers dat de krijgsmachten van alle sovjetrepublieken weer onder het bestuur van de centrale regering in Moskou zouden komen, was uiterst alarmerend voor de andere sovjetrepublieken. In Oekraïne zaaide deze verklaring van de coupplegers nog wel de meeste paniek. Bij de Verklaring van Staatssoevereiniteit van Oekraïne op 16 juli 1990 had de Verchovna Rada (het parlement van Oekraïne) verklaard dat Oekraïense soldaten alleen onder het gezag van de Oekraïense SSR vielen. Na de Revolutie op Graniet in oktober 1990 kwam daar nog bij dat Oekraïense soldaten enkel op (of ter verdediging van) het grondgebied van Oekraïne mochten worden ingezet (en niet meer in bijvoorbeeld Centraal-Azië, zoals tijdens de Afghaanse Oorlog (1979-1989)Bijna 150.000 Oekraïense soldaten hebben deelgenomen aan de Sovjet-Oorlog in Afghanistan, waarvan er 3.360 zijn gesneuveld of krijgsgevangen genomen. ).