De ijsvogel (Alcedo atthis) is een vogel uit de familie van de ijsvogels (Alcedinidae). Het is een opvallende verschijning door zijn contrasterende blauwe bovendelen en oranje onderdelen, maar ook een zeer schuwe soort die zich weinig laat zien. Deze soort is de enige ijsvogelsoort die tot in noordelijk Europa voorkomt, inclusief Nederland en België. De meeste soorten ijsvogels leven in de tropen. (1999). Kingfishers, Bee-eaters and Rollers. London: Christopher Helm. pp. 219–221. .

De ijsvogel is een typische viseter en is dus sterk aan water gebonden. Vanwege zijn voorkeur voor steilkanten om in te broeden, komen ze vaak voor bij stromend water, omdat daar van nature door erosie steile oevers ontstaan. Ook stilstaande visrijke wateren met begroeiing vormen een prima leefomgeving. In het grootste deel van het verspreidingsgebied is de soort algemeen, maar in sommige gebieden wordt de ijsvogel met uitsterven bedreigd.

Kenmerken De ijsvogel is een kleine vogel met een korte staart en pootjes, een korte nek, korte afgeronde vleugels, een grote kop met grote ogen en een lange, dolkvormige snavel. De poten zijn syndactiel: de voortenen zijn aan de basis gedeeltelijk met elkaar vergroeid.

De ijsvogel is aan de bovenzijde overwegend blauw, waarbij de veren van de kop en vleugels iriserend blauwgroen zijn, en op het midden van de rug lichter tot kobaltblauw. De staartveren zijn wat donkerder. De veren aan de borst en buikzijde zijn warm oranje, en steken hiermee duidelijk af. Van de snavel tot achter het oog is op de wang een oranje oogstreep aanwezig, die abrupt overgaat in een helder witte streep. Ook de keel is wit. De poten van een volwassen ijsvogel zijn oranje tot rood van kleur. De mannetjes zijn enkel van de vrouwtjes te onderscheiden aan de kleur van de basis van de ondersnavel, die bij het vrouwtje voor het grootste deel tot volledig oranje is. Ook kan er bij het vrouwtje in de basis van de bovensnavel oranje voorkomen. De ondersnavel van het mannetje kan tot een derde van de lengte, gezien vanaf de basis, oranje zijn. Juvenielen onderscheiden zich van volwassen exemplaren door het valere verenkleed met donkergrijs gerande borstveren, een kortere snavel met een bleke snavelpunt, en donkerbruine poten.

thumb|Roep van een ijsvogel De ijsvogel meet van snavelpunt tot en met staart ongeveer 16 cm; (2008). Animal Life, Tirion Uitgevers BV, Baarn. de spanwijdte is 24 tot 26 cm, en het lichaamsgewicht loopt uiteen van 34 tot 55 gram. De ijsvogel heeft een snelle stofwisseling, en het gewicht varieert gedurende de dag.

De vogel is in noordelijk Europa onmiskenbaar door zijn tekening.

Het geluid is divers. Er kunnen schelle en fluitende geluiden worden geproduceerd. Het mannetje lokt het vrouwtje met een hoge, fluitende 'tieieiet' of 'tieietuu', die hij vaak tijdens de vlucht laat horen. Bij opwinding of agressie worden korte, herhaalde 'tri-tri-tri'-geluiden geproduceerd. (1993). Thieme vogelgids in kleur

Naamgeving De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 als Gracula Atthis gepubliceerd door Carl Linnaeus. (1758). Systema naturae ed. 10: 109 De soortnaam Atthis is mogelijk een verwijzing naar de Griekse schone 'Atthis' die door de Griekse dichteres Sappho werd aanbeden. Tegelijk met de naam Gracula atthis publiceerde Linnaeus ook de naam Alcedo ispida. (1758). Systema naturae ed. 10: 115 Deze naam is regelmatig gebruikt voor de Europese ijsvogel,Bijvoorbeeld in: (1869). Onze vogels in huis en tuin 1: plaat 45 een taxon dat nu als de Europese ondersoort van Alcedo atthis wordt beschouwd.

De Nederlandse naam ijsvogel kan een verbastering zijn van de Germaanse naam Eisenvogel, wat 'ijzervogel' betekent. Deze naam slaat op de metaalachtige glans van het blauwe verenkleed. Een andere verklaring voor de naam is dat de ijsvogel 's winters bij het ijs werd gezien om uit een wak vissen te vangen. (2004). Verklarend en Etymologisch Woordenboek van de Nederlandse Vogelnamen. Dutch Birding Een derde verklaring is in 1996 gelanceerd door de Duitse filoloog Theo Vennemann. Hij neemt aan dat îs- een Oudgermaanse naam voor ‘water’ is, zoals die ook voorkomt in de riviernamen als IJssel, Isère en Isar. De gehele naam betekent ‘water-vogel’, wat bij de visgewoonte van het beestje past.

Ondersoorten Er worden zeven ondersoorten onderscheiden: IOC World Bird List (v13.1). A. a. ispida , 1758: van zuidelijk Noorwegen, de Britse eilanden en noordelijk Spanje tot westelijk Rusland. A. a. atthis: van zuidelijk Spanje en noordelijk Afrika tot Centraal-Siberië, noordwestelijk China en noordwestelijk India. A. a. bengalensis , 1788: van Centraal-India tot zuidoostelijk Siberië, Japan en Zuidoost-Azië. A. a. taprobana , 1894: Zuid-India en Sri Lanka. A. a. floresiana , 1892: Kleine Soenda-eilanden. A. a. hispidoides , 1837: Sulawesi, Molukken, oostelijk Nieuw-Guinea en de Bismarck-archipel. A. a. salomonensis , 1905: Salomonseilanden.

Verspreiding en habitat De ijsvogel komt voor in een groot deel van Europa, behalve het grootste deel van Scandinavië en Schotland, in Azië ten zuiden van Siberië tot Japan en de Salomonseilanden, en lokaal in Noordwest Afrika. In Europa loopt de noordgrens door Zuid-Zweden, ongeveer ter hoogte van Stockholm, en Zuid-Finland, doch hij is incidenteel tot in het zuidwesten van IJsland waargenomen.Kingfisher’s First Visit to Iceland op MBL.is, 12 september 2019. Gearchiveerd op 4 oktober 2022. In België en Nederland wordt hij regelmatig waargenomen als broed- en standvogel. Incidenteel trekt hij 's winters weg. Strenge winters zijn funest; de stand kan dan gedecimeerd worden.

In Europa komt de ijsvogel voornamelijk voor bij langzaam stromende wateren als beken en rivieren in het laagland (zelden boven 650 meter hoogte), maar hij kan worden aangetroffen in bijna alle waterrijke gebieden, als kanalen, sloten en een enkele keer de oevers van grotere plassen, meren, grindgaten en estuaria. In Oost- en Zuidoost-Azië wordt hij voornamelijk langs de kust aangetroffen, in mangrovebossen, riviermondingen en getijdenpoelen.

De ijsvogel is voor het jagen afhankelijk van wateren die helder en ijsvrij zijn met veel kleine visjes. Het liefst leeft hij in schaduwrijke gebieden, waar hij bij de jacht niet wordt gehinderd door de reflectie van licht. De aanwezigheid van geschikte uitkijkplaatsen is van minder groot belang. In de broedtijd leven de vogels voornamelijk in de nabijheid van steile oeverwallen van zand of leem nabij water, waar een nesthol kan worden uitgegraven. Ook wordt er graag gebruik gemaakt van zandkluiten van omgewaaide bomen, mits deze dik genoeg zijn. Soms broeden zij ook in steile wanden die wat verder van het water afliggen, maar dit komt zelden voor.

De ijsvogel is over het algemeen een standvogel, maar dieren die boven de 40e breedtegraad leven, zoals de Finse en Russische populaties, trekken 's winters weg, aangezien dan alle wateren bevroren zijn, wat het jagen onmogelijk maakt. Tijdens de trek kan hij afstanden tot wel 2000 km afleggen. Vogels uit Scandinavië worden 's winters ook in Nederland aangetroffen. Zij trekken in maart weer weg naar de broedgebieden. In sommige gebieden, zoals Borneo en Java, komt de soort enkel als wintervogel voor. Ook dieren in gematigde streken verlaten bij plotselinge koude hun broedterritoria. Deze dieren trekken slechts vrij korte afstanden. Ze kunnen dan rond allerlei soorten wateren aangetroffen worden, waaronder de kust.

Leefwijze thumb|IJsvogel zittend op een tak. Meestal heeft de ijsvogel een vaste tak over het water als uitkijkpost. De ijsvogel heeft een snelle, rechte vlucht, vaak vlak boven het wateroppervlak. Hij kan op deze manier snelheden bereiken van maximaal 80 kilometer per uur. De vleugelslag is snorrend, afgewisseld met een korte glijperiode. (1993). Tirion Vogels van Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten Hierdoor is er van een ijsvogel in vlucht zelden meer te zien dan een blauw-oranje flits.

Het waterdichte en isolerende verenkleed van de ijsvogel bestaat uit korte, dichte veren die tot zes keer per dag gepoetst en gekamd worden. Dit kan per keer 15 tot 20 minuten duren. De ijsvogel kent een voor vogels unieke poetsbeweging: hij wrijft over zijn kruin met de binnenkant van zijn vleugel. Ook neemt de ijsvogel regelmatig een bad. Vooral ouderdieren baden aan het einde van de periode waarin de jongen in de nestkamer worden gevoerd. Het nest is rond die tijd bevuild met een laag braakballen. Tijdens het baden duikt de ijsvogel onder water, alsof hij aan het vissen is, om enige seconden in het water te blijven of gelijk weer het water te verlaten en opnieuw te duiken. Dit wordt vervolgens zo'n twintig keer herhaald.

Voedsel en jacht miniatuur|De ijsvogel eet een vis De ijsvogel is een carnivoor, meer specifiek een piscivoor, en jaagt voornamelijk op kleine vissen als modderkruipers, voorns, barbelen, jonge vlagzalmen en tiendoornige stekelbaarsjes, aangevuld met jonge forellen, baarzen, snoeken en karpers, alvers, gambusia's, driedoornige stekelbaarsjes en kwabalen. Ook garnalen, rivierkreeften en andere kreeftachtigen, amfibieën als salamanders, kikkers en kikkervisjes, insecten als libellen, kevers, waterinsecten en larven en weekdieren als zoetwaterslakken staan op het dieet. Prooidieren zijn meestal 3 tot 5 cm lang, maximaal 10 cm. De lengte van de vis is daarbij een minder bepalende factor dan de hoogte. Korte brede vissen zoals de bittervoorn kunnen meer problemen veroorzaken dan een slanke lange vis, die reeds verteerd wordt terwijl de staart van de vis zich nog buiten de snavel bevindt. Vissen beslaan zo'n 78% van het dieet.

De ijsvogel is vaak te vinden op een vaste uitkijkpost nabij het water, vanwaar hij zijn prooidieren gadeslaat. De ijsvogel zit meestal onbeweeglijk op zijn uitkijkplaats, die zich zo'n een tot drie meter boven het water bevindt. Een tak die over het water uitsteekt is hiervoor geschikt, maar ook beschaduwde overhangende struiken worden hiervoor wel gebruikt. Met zijn scherpe ogen kan hij in helder water de precieze positie van zijn prooi bepalen, waarna hij met zijn snavel naar voren op zijn prooi duikt. De prooi bevindt zich meestal niet meer dan 25 cm onder het wateroppervlak. (2001). Dieren Als een visje zich laat zien wordt het met een snelle duikvlucht verschalkt. Iedere ijsvogel heeft een aantal favoriete uitkijkplaatsen vanwaar hij duikt. Als de uitkijkplaats te laag is, vliegt hij eerst omhoog waarna hij naar beneden duikt. Ook kan de vogel boven het water bidden. Aan de kust wordt vanaf een rots, een pier of een paal gejaagd. Soms wordt ook buiten het water gezocht naar voedsel, zoals in de lucht, hier worden insecten gevangen.

Bij het jagen op vis duikt de ijsvogel bijna loodrecht op zijn prooi, waardoor hij met hoge snelheid het wateroppervlak kan doorbreken. Om deze snelheid te ontwikkelen slaat hij tijdens de duik kort met zijn vleugels. Bij voldoende snelheid kan hij tot een diepte van een meter duiken, maar meestal duikt hij niet meer dan enkele decimeters. Om de ogen te beschermen tegen het water gebruikt de ijsvogel zijn knipvlies, dit is een extra ooglid dat half doorzichtig is en door een reflex als een duikbril over het oog schuift tijdens het duiken. Het wordt ook gesloten bij het voeren van de vrouwelijke partner of jong en als de vogel de veren poetst, om beschadiging door de klauwen te voorkomen.