Étienne de La Boétie (modern-Franse uitspraak: etjɛn də la bwa’ti, bɔe’tiPaul Bonnefon, Œuvres complètes d'Estienne de La Boétie (Bordeaux: C. Gounouilhou, en Parijs: J. Rouam et Cie., 1892), pp. 385-6 (available online in pdf format at Gallica).) (Sarlat, 1 november 1530 – Germignan, gemeente Le Taillan-Médoc, 18 augustus 1563) was een Franse rechter, schrijver, politiek filosoof en een vriend van de filosoof Montaigne. Hij was de auteur van het Vertoog over de vrijwillige slavernij (Discours de la servitude volontaire).

thumb|Maison de La Boétie, het geboortehuis van Étienne de La Boétie in Sarlat-la-Canéda

Jeugdjaren De vader van Étienne de La Boétie was de persoonlijke adjudant van de baljuw van de Périgord. Hij kwam uit een familie van gezagsdragers. Zijn omgeving bestond voornamelijk uit welgestelde en ontwikkelde mensen.

Er is maar weinig bekend over het grootste gedeelte van het leven van La Boétie, over zijn jeugd, opleiding en de eerste jaren van zijn overheidsambt. Het is wel zeker dat La Boétie nog heel jong was toen zijn vader overleed. Daarna werd hij opgevoed door zijn oom Estienne, die veel zorg besteedt aan de opvoeding van zijn neefje. Hij is voor hem een tweede vader, waarover Étienne later schrijft 'dat hij aan hem zijn benoeming dankt en alles wat hij is en kan zijn.'

Veel schrijvers beweren dat La Boétie het gymnasium bezocht aan het Collège de Guyenne in Bordeaux. De historicus van die instelling is onder de leerlingen echter de naam La Boétie nooit tegengekomen. Tegen het eind van zijn schooltijd ontwikkelde La Boétie een liefde voor de klassieke letteren, waar hij zich net als zijn veel van zijn tijdgenoten toe aangetrokken voelde. Voor zijn plezier schreef hij gedichten in het Frans, Latijn en Grieks. Hij maakte negenenvijftig liefdessonnetten en vertaalde later werken van Plutarchus, Virgilius en Ariosto.

Daarna schreef hij zich in voor de rechtenstudie aan de Université d'Orléans, in Orléans. Bij het begin van zijn universitaire studie schreef de toen nog pas achttienjarige student zijn eerste werk, dat later het belangrijkste van al zijn geschriften zou worden, het beroemde Discours de la Servitude Volontaire ou Contr’un, 'Vertoog over de slavernij of tegen Eén'.

Montaigne miniatuur|Standbeeld uit 1892 in zijn geboortestad Sarlat (place de la Grande-Rigaudie) Dankzij de goede naam die La Boétie tijdens zijn studie had verworven werd hij in januari 1553, ruim twee jaar voor de wettelijk toegestane leeftijd van 25 jaar, toegelaten tot het parlement van Bordeaux, in de functie van raadgever. Op 13 december van datzelfde jaar maakte hij promotie tot raadsheer. Vanaf 1560 moest La Boétie op last van Michel de l'Hospital als bemiddelaar optreden bij verschillende onderhandelingen die tot doel hadden om vrede tot stand te brengen tussen de katholieken en protestanten, die in een godsdienstoorlog waren verwikkeld. Inmiddels was La Boétie gehuwd met Marguerite de Carle, die eerder getrouwd was geweest met Thomas, de overleden broer van Michel de Montaigne. Zij kwam uit een aanzienlijke familie en was moeder van twee kinderen.

Het Vertoog over de vrijwillige slavernij is een aanklacht tegen de tirannie, die verrast door zijn eruditie en diepgang, hoewel het is geschreven door een jongeman van nauwelijks 18 jaar. De filosoof Michel de Montaigne ging op zoek naar de schrijver en maakte kennis met hem. Uit de ontmoeting met La Boétie ontstond een vriendschap die zou duren tot het overlijden van de laatste.

Montaigne geeft op een fraaie manier blijk van hun vriendschap in "De l’Amitié", hoofdstuk 27 van boek 1 van zijn Essais.Editie van 1595 Nadat hij lang heeft uitgeweid over de vraag wat die vriendschap was die hem met La Boétie verbond, eindigt hij met de woorden: Overigens wat wij doorgaans vrienden en vriendschappen noemen, zijn slechts kennissen en vertrouwelijkheden, die toevallig of met opzet zijn aangegaan en door middel waarvan onze zielen zich met elkaar onderhouden. Maar in de vriendschap waarover ik spreek, vermengen zij zich en smelten samen tot een geheel, een zo’n omvattend geheel, dat zij uitgewist worden en er geen zweem overblijft van hetgeen waardoor zij aanvankelijk met elkaar werden verbonden. Als men bij mij aandringt te vertellen waarom ik van hem hield, kan ik alleen maar zeggen: omdat hij hij was en ik ik.Franse tekst: "Au demeurant, ce que nous appellons ordinairement amis et amitiez, ce ne sont qu'accoinctances et familiaritez nouées par quelque occasion ou commodité, par le moyen de laquelle nos ames s'entretiennent. En l'amitié dequoy je parle, elles se meslent et confondent l'une en l'autre, d'un melange si universel, qu'elles effacent et ne retrouvent plus la couture qui les a jointes. Si on me presse de dire pourquoy je l'aymois, je sens que cela ne se peut exprimer, qu'en respondant: Par ce que c'estoit luy; par ce que c'estoit moy."

Overlijden Rond medio 1563 werd La Boétie opeens ernstig ziek: buikloop met hevige krampen. Het bleek dysenterie te zijn, die snel verergerde. Er heerste op dat moment in de Périgord pest en hongersnood. Montaigne veronderstelde dat zijn vriend besmet is geraakt.

Étienne de La Boétie probeerde terug te keren naar de Médoc, waar zijn vrouw een landgoed bezat, omdat hij hoopte dat de gezonde lucht van het platteland zijn genezing zou bevorderen, maar onderweg moest hij stoppen, omdat de pijnen heviger werden. Ter plaatse werd hij opgevangen door zijn collega uit het parlement van Bordeaux, Richard de Lestonnac, een zwager van Montaigne. Kort daarna overleed hij in Le Taillan-Médoc. Zich bewust van zijn ernstige toestand dicteerde Étienne de La Boétie nog zijn testament. Moedig en wijs streed hij zijn laatste strijd, tot het laatste moment. In een brief aan zijn vader beschreef Montaigne de bijzonderheden van de ziekte en het einde van zijn vriend. Hij beëindigde zijn brief met de woorden: 'op de 18e van de maand augustus 1563 heeft Étienne de La Boétie de geest gegeven. Hij was 32 jaar, 9 maanden en 17 dagen oud'.

Vertoog over de vrijwillige slavernij miniatuur|De la Servitude Volontaire ou Le contr'Un Het Vertoog over de vrijwillige slavernij werpt de vraag op over de rechtmatigheid van elk gezag over een volk en probeert te ontleden waarom mensen zich aan een heerser onderwerpen. Zijn tekst wordt geïllustreerd door talrijke voorbeelden, ontleend aan de Oudheid, die destijds gebruikelijk waren en die hem in staat stellen om, onder het mom van belezenheid, de politieke situatie van zijn eigen tijd te bekritiseren. Zijn manuscript werd gepubliceerd in 1576.

Het Vertoog plaatst de rechtmatigheid van gezagdragers, die La Boétie 'meester' of 'tiran' noemt, in een ander daglicht. Hoe een tiran zich ook opwerkt tot heerser (verkiezingen, geweld of erfopvolging), het is nooit zijn goede bestuur dat zijn overheersing kan verklaren en ervoor zorgt dat hij die kan handhaven. Voor La Boétie blijken gezagsdragers zich altijd te onderscheiden door hun onbekwaamheid. Meer dan de angst voor straf, is het op de eerste plaats de gewoonte van het volk om onderdanig te zijn, die de voortdurende overheersing door een meerdere verklaart. Op de tweede plaats zijn het ideologie en bijgeloof, de middelen waarmee alleen onwetenden overheerst kunnen worden. Het 'geheim van elke overheersing' is dus: de overheersten medeplichtig maken aan hun eigen overheersing. Daarom werpt de tiran zijn hovelingen kruimels toe. Terwijl het volk gedwongen wordt om te gehoorzamen, hoeven de hovelingen dat niet te doen. Zij moeten alleen aan de verlangens van de tiran voldoen. Op die manier zijn zij nog onvrijer dan het volk en kiezen dus zelf voor hun slavernij. Zo ontstaat er een machtspiramide: de tiran overheerst vijf mensen, die dat op hun beurt met honderd andere doen, die vervolgens duizend mensen overheersen. Hoe minder de hovelingen zich met hart en ziel aan een tiran overleveren, hoe zwakker die piramide wordt. En zo raakt de tiran heel zijn verworven macht weer kwijt.

In deze zeer belangrijke politieke filosofische tekst, waar partijen van allerlei pluimage eeuwenlang gebruik van hebben gemaakt, stelt La Boétie het machtsevenwicht, dat onder bandieten ontstaat, omdat zij even sterk zijn en de basis vormt waarop zijn de buit van hun rooftochten verdelen, tegenover vriendschap, de enige voorwaarde voor een leven in vrijheid. Wat dat betreft leeft de tiran altijd in angst: omdat hij geen gelijken heeft, is iedereen bang voor hem en daarom loopt hij altijd de kans om vermoord te worden. Elias Canetti schetst een soortgelijk beeld van de 'paranoïde alleenheerser' in zijn hoofdwerk, Massa en macht (1960).

thumb|Graffiti in Genève, 2007 Ondanks het feit dat La Boétie door zijn functies altijd een trouwe dienaar van de openbare orde is geweest, wordt hij toch door veel mensen beschouwd als een intellectuele voorloper van het anarchisme en de burgerlijke ongehoorzaamheid.

Achtergrond Om de intenties te begrijpen die ertoe hebben geleid dat Étienne de La Boétie 'Het vertoog over de slavernij of tegen Eén' heeft geschreven, moet worden gewezen op een drama dat rond 1548 plaatsvond. In 1539 probeerde de Franse koning Frans I de zoutbelasting te hervormen. Hij wilde belasting opleggen voor de bouw van zoutopslagplaatsen vlak bij de Spaanse grens. Als reactie op die poging braken opstanden uit. De eerste vond plaats in 1542 en daarna volgde de grootste in 1548 in Bordeaux. Opperbevelhebber Anne van Montmorency herstelde de orde op een meedogenloze manier. Volgens een verklaring van de schrijver Jacques-Auguste de Thou was La Boétie zo onder de indruk van de verschrikkingen en wreedheden die in Bordeaux werden bedreven, dat hij daarom het 'Vertoog over de slavernij' schreef.

Veel mensen denken dat slavernij wordt afgedwongen, maar die is geheel vrijwillig. Dat wil La Boétie in ieder geval in zijn 'Vertoog' laten zien. In feite raakt de vraag die wordt opgeworpen juist de kern van de politiek: 'waarom moeten wij gehoorzamen?' Doorgaans accepteert men het bestaan van een absolute macht als iets dat erbij hoort en vergeet om zich af te vragen waarom met daar aan zou moeten gehoorzamen. Iemand kan niet een volk onderwerpen, als dat volk zich niet eerst aan hem heeft onderworpen.

Hoewel geweld haar kenmerkende middel is, is dat niet voldoende om een staat te stichten. Het komt juist door de rechtmatigheid die de maatschappij haar toekent, dat er misdrijven worden gepleegd. De mens hoeft alleen maar niet meer onderdanig te willen zijn om vrijheid te verwerven. 'Wees vastberaden in het niet langer dienen, en jullie zijn vrij!' Wat dat betreft probeert La Boétie te begrijpen waarom de mens het verlangen heeft verloren om zijn vrijheid te herwinnen. Het 'Vertoog' is bedoeld om die onderwerping te verklaren.

Servitude