De Amsterdamse tweeassers zijn een tramtype uit de periode 1900-1930. De Amsterdamse tram heeft vanaf de invoering van de eerste elektrische trams in 1900 tot 1930 voor zijn tramdienst tweeassers laten bouwen. Daarna werden er in 1939 nog twaalf tweedehands trams uit Utrecht (bouwjaar 1927) aangeschaft. De laatste tweeassers in Amsterdam gingen in 1968 buiten dienst.
Elektrische motorwagens De eerste motorwagens - proefserie thumb|Motorwagen 3 (serie 1-10), nog met trolleystang, in de Marnixstraat bij de Stadsschouwburg, kort na het begin van de elektrische tram in Amsterdam; 1900. Bij de opening van de eerste elektrische tramlijn in 1900 (de latere lijn 10), kwamen de eerste tweeassige elektrische motorwagens met open balkons (die al gauw van glaspuien werden voorzien) en twee grote zijramen in dienst. De motorwagens 1-12 werden in 1900 gebouwd door Werkspoor te Amsterdam en waren voorzien van elektrische installaties van verschillende leveranciers. De ook in 1900 door Weyer gebouwde motorwagens van Amerikaans model (nummers 13 en 14) waren van een geheel afwijkend model met zes kleine zijramen en bezaten rood pluche banken wat hen de bijnaam "vlooienwagens" opleverde. Ook waren ze trager dan de andere wagens en werden dan ook wel "opa" en "opoe" genoemd. Beide wagens verdwenen in 1924 al uit de personendienst. Deze veertien oudste elektrische trams waren aanvankelijk voorzien van een trolleystang, doch vanwege de vele beweegbare bruggen in Amsterdam was dit niet erg praktisch, in 1902 kregen de trams de sleepbeugel, waarin vanaf 1903 een beugelcijfer werd meegevoerd, zodat ook op grotere afstand het lijnnummer zichtbaar was. Elf wagens werden in navolging van de Bergmannwagens verbouwd tot eenmanwagen. Deze eerste trams deden dienst tot 1931 en werden in 1935-37 afgevoerd of tot werkwagens verbouwd.
Eerste generatie Unions
thumb|Motorwagen GTA 72 terugverbouwd in de afleveringstoestand met open balcons op de Electrische Museumtramlijn Amsterdam; 2022. thumb|Motorwagen GTA 144 in verbouwde toestand met dichte balcons zoals deze reed tot 1950; 2019. Tussen 1902 en 1905 werd een serie van 215 grotendeels gelijke motorwagens met twee grote zijramen, met de nummers 15-229, gebouwd door Raab (Hongarije), Werkspoor (Amsterdam) en Van der Zypen (Keulen).Ungarische Waggon- und Maschinen Fabrik A.G. (15-39 en 50-154), Werkspoor (40-49 en 155-179) en Van der Zypen & Charlier (180-229).
Zij hadden een elektrische installatie van de Union Elektrizitäts Gesellschaft te Berlijn (UEG; die later opging in de AEG). Daarom werden deze trams de Unions genoemd. Ze hadden 2 gebogen ramen en aan beide zijde een langsbank met in totaal 20 zitplaatsen. De open balkons werden tussen 1907 en 1910 aan de voor en achterkant van glaspuien voorzien. In navolging van de Bergmann wagens werden 89 Unions verbouwd tot eenmanwagens. Drie decennia lang waren zij beeldbepalend voor de Amsterdamse tram en reden op alle toenmalige tramlijnen.
In 1932 werden de 161 en 162 omgebouwd tot een tweelingstel van het type "2 kamers met bad". Ze kregen hierbij 4 zijruiten en dwarsbankjes. In 1934 volgden ook de 177 en 178. Men kon hierdoor een conducteur uitsparen en dus bezuinigen. Het werd echter geen succes en verdere ombouw vond niet meer plaats.
Tussen 1931 en 1950 werden de Unions buiten dienst gesteld, als laatste eenmanwagen 150 op 31 december 1950 op de laatste rit van lijn 18. De wagens werden afgevoerd tussen 1937 en 1958 (de laatste werkwagen in 1962).Twee motorwagens bestaan nog als museumtrams: GTA 72 en 144. Ook zijn de restanten van motorwagen 133 nog aanwezig.
Glijers De eerste uitbreiding van nieuw materieel volgde in 1908: zes motorwagens van Werkspoor van een vergelijkbaar model, maar dan met drie zijramen. Als gevolg van hun slechte remeigenschappen stonden zij bekend als 'Glijers'. Deze motorwagens 230-235 werden in 1941 en 1947 buiten dienst gesteld, resp. tot werkwagens verbouwd (afgevoerd in 1950).
Tweede generatie Grootbordessers
thumb|Motorwagen GTA 236 in donkerblauwe uitvoering op de Electrische Museumtramlijn; 1976. thumb|Motorwagen GVB 1236 in verbouwde toestand zoals deze reed tot 1960 als museumtram onderweg; 2023. thumb|Motorwagen GVB H47 (ex-330) verbouwd tot dieselelektrische rangeerwagen; 2023. Vanaf 1913 kwam een grote serie motorwagens in dienst die de 'tweede generatie' motorwagens van de Amsterdamse tram vormden. Ten opzichte van de 'eerste generatie' hadden zij grotere balkons met dubbele deuren, en werden daarom Grootbordessers genoemd. Zij hadden drie zijramen en werden alle gebouwd door Werkspoor. De eerste serie, de 236-300 uit 1913, had een elektrische installatie van AEG te Berlijn (waarin Union inmiddels was opgegaan). Na de levering van de 356-390, ook met een installatie van AEG, stonden zij vanwege hun lagere nummers ook wel bekend als 'lage AEG-ers'.
In 1918-1919 kwam een vervolgserie van nog eens 70 stuks, de 321-390, waarvan de eerste 35 een installatie van Siemens-Schuckert hadden en de tweede 35 weer een van AEG. Vanwege de aanwezigheid van een eerdere serie AEG-wagens werden deze wagens door hun hogere nummers ook wel 'hoge AEG-ers' genoemd. Tegelijkertijd werd een serie bijpassende bijwagens geleverd, de serie 701-880 (zie verderop). Ook de Grootbordessers waren vier decennia lang beeldbepalend voor de Amsterdamse tram en reden op bijna alle tramlijnen. In 1956 werden op de valreep de nog aanwezige 25 tot eenrichting motorwagen verbouwde 236...298 vernummerd in 1236...1298 in verband met doublures met nieuwe bussen.
Tussen 1947 en 1960 werden zij buiten dienst gesteld en afgevoerd. 18 motorwagens werden tot werkwagens verbouwd (17 pekelwagens en 1 rangeerwagen).Enkele motorwagens bestaan nog als museumtrams: de 1236, 321, 328 en 340. Ook zijn er enkele pekelwagens bewaard (onder andere de P7, H41, H45; H47 als dieselelektrische rangeerwagen).
Stoeltjeswagens thumb|Motorwagen GTA 307 terugverbouwd naar de toestand van circa 1914, als museumtram in 2009. Een in 1910 door Werkspoor gebouwde serie bijwagens met de nummers 401-420. werden in 1914 omdat zij nogal zwaar waren uitgevoerd en eigenlijk niet geschikt als bijwagen tot motorwagens verbouwd en vormde zo de serie 301-320. Omdat zij in afwijking tot de overige trams, die langsbanken hadden, over omklapbare dwarsbanken beschikten, werden zij Stoeltjeswagens genoemd. Zij deden dienst tot 1950 en werden afgevoerd tot 1956.Motorwagen 307 bleef bewaard en verbleef lange tijd in de openlucht in het Nederlands Tram Museum in Weert maar kwam terug naar Amsterdam en werd gerestaureerd als rijvaardige museumwagen.
Bergmannwagens In 1922 werd een geheel afwijkende serie van vijf motorwagens geleverd door de Duitse fabriek Linke-Hofmann, met een elektrische installatie van Bergmann. Deze wagens, met de nummers 391-395, waren de eerste eenmanwagens in Amsterdam en speciaal bestemd voor kringlijn 22 om het Centraal Station, die dat jaar was ingesteld. Vanaf de jaren dertig reden de Bergmann-wagens op lijn 18 naar Sloterdijk, tot de opheffing in 1951. De 393 werd nog als proef verbouwd tot eenrichtingwagen met gemoderniseerd front. In 1954 werd de gehele serie afgevoerd.
Derde generatie Blauwe wagens
thumb|Motorwagen GVB 401 terugverbouwd in de afleveringstoestand van 1929, als museumtram in 2022. Vanaf 1929 kwam een geheel nieuw tramtype in dienst dat was doortontwikkeld uit eerdere tramtypen. Deze motorwagens waren langer dan hun voorgangers en hadden vier zijruiten. De balkons waren daarentegen weer korter dan die van de Grootbordessers. De vijftig door Werkspoor in 1929-1930 gebouwde motorwagens hadden een elektrische installatie van AEG of Siemens en kregen de nummers 396-445 en werden afgeleverd met langsbanken. Zij kregen als eerste trams een lichtere blauwe kleur met een grijze raampartij, in plaats van het donkerblauw met gelakte zijpanelen en deuren dat tot dan toe gebruikelijk was. Daarom werden de nieuwe trams blauwe wagens genoemd.J. van Huijksloot: De Amsterdamse blauwen. De bewogen historie van een tramtype. Uitg. Uquilair, Rosmalen, 2000. 208 p. /
Tegelijkertijd werd een serie van 30 bijpassende bijwagens 901-930 gebouwd door Beijnes te Haarlem. Vanaf 1936 werd begonnen met de verlenging van de balcons, die een spitser uiterlijk kregen, tevens werden de langsbanken vervangen door dwarsbanken. Deze verbouwing duurde maar liefst 20 jaar voor dat alle wagens waren behandeld. Deze trams hebben bijna vier decennia dienstgedaan en reden aanvankelijk alleen op de drukkere lijnen, later ook op andere lijnen.
Op het chassis van motorwagen 443 werd in de oorlogsjaren een proefmodel van hout en karton op ware grootte gebouwd speciaal voor inzet in de Leidsestraat. Het was een éénrichtingwagen met zittende conducteur en electrische deuren. Er werd in 1945 een proefrit mee gehouden maar daar bleef het bij.Overstapjes, R.A.M.Platjouw, tekening blz. 137, 1989
In de jaren vijftig werden de 406, 418, 421 en 457 en de bijwagens 724, 737, 758 en 760 verbouwd analoog de drieassers dus met een zittende bestuurder in een eigen cabine, elektrische vouwdeuren en een zittende conducteur met passagierscirculatie. Het lag in de bedoeling om alle 80 blauwe wagens met bijbehorende bijwagens zo te verbouwen. Na de komst van een nieuwe directeur werd dit project echter gestaakt daar hij investeringen in meer dan 30 jaar oude motorwagens en meer dan 40 jaar oude bijwagens niet meer verantwoord vond.
Bij de raadsdebatten in maart 1959 werd door het raadslid Elkerbout de vraag gesteld of het mogelijk was om alle 80 blauwe motorwagens om te bouwen tot gelede wagens van het type twee kamers met bad dat in Duitsland bij een aantal bedrijven al was gebeurd. De kleine middenbak zou dan uitsluitend deuren bevatten. Net als de tweelingstellen zouden de wagens dan dubbele nummers krijgen. Van de combinatie 471-472 bestaat een tekening.Maandblad Het openbaar vervoer mei 1959 Om dezelfde reden als de vorige ombouwplannen ging ook dit plan niet door en werden er nieuwe dubbelgelede wagens aangeschaft.
De 411 en 440 waren half verbouwd met alleen een zittende bestuurder in een afgesloten cabine met een schuine voorruit. In 1960 werden de verbouwde tramstellen buiten dienst gesteld na een ongeval op lijn 4 waarbij bleek dat de bestuurder in zijn krappe cabine erg kwetsbaar was. In verband met materieelgebrek kwamen de half verbouwde motorwagens 411 en 440 in 1964 weer in dienst als losse motorwagen op lijn 1 of 2.
Op de valreep werden in 1967 de nog aanwezige motorwagens 396-460 vernummerd in 1396-1460 in verband met doublures met nieuwe bussen. De overige wagens werden afgevoerd tussen 1962 en 1968.Motorwagen 401 bleef als museumwagen bewaard.
Ex-bijwagens thumb|Motorwagen GVB 454 in 1937 verbouwd uit bijwagen 917, als museumtram in 2012. Omdat in de jaren dertig het gebruik van bijwagens verminderde werd een deel hiervan verbouwd tot motorwagens. De laatst geleverde bijwagens, de Blauwe wagens 901-930, werden in 1936-38 verbouwd tot de motorwagens 446-475. Zij kregen een elektrische installatie van AEG, Siemens of Kiepe. Zij hadden ogenschijnlijk ook de eigenschap sneller te kunnen rijden dan de overige (lage)blauwen.
Op 10 motorwagens na werden ze buiten dienst gesteld tussen 1962 en 1968. De laatste 10 nog aanwezige motorwagens 463-465, 467-470 en 472-475 werden in 1968 vernummerd in 863-865, 867-870 en 872-875 eveneens in verband met doublures met nieuwe bussen. Enkele motorwagens werden bestemd tot werkwagens, andere werden museumtrams.Als museumwagens zijn nu nog aanwezig: 454, 464, 465, 467, 468, 469. Motorwagen 474 vertrok naar Engeland en de 470 werd terugverbouwd tot bijwagen 916. Deze motorwagens werden (en worden in tramkringen nog!) ook wel Hoge blauwen genoemd.