De Faculteit Theologie en Religiewetenschappen Leuven, onderdeel van de Katholieke Universiteit Leuven, werd opgericht in 1834 binnen de Katholieke Universiteit van Mechelen en verhuisde in 1835 naar Leuven na de opheffing van de Rijksuniversiteit. Tot 1797 was er in Leuven de theologische faculteit van de oude universiteit. In 1967 werd de faculteit gesplitst in een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling, welke laatste verhuisde naar Louvain-la-Neuve.

Oude faculteit (1432-1797) De stichtingsbul Sapientie immarcescibilis van 1425 liet alle faculteiten toe behalve theologie. Bij de opening van de universiteit in 1426 was er een artesfaculteit voor de basisopleiding en konden studenten vervolgens terecht in de faculteiten geneeskunde, civiel recht en canoniek recht. Vanaf 1431 functioneerden beide rechtenfaculteiten samen in één Collegium utriusque iuris. Het was gebruikelijk voor de middeleeuwse universiteiten dat een studium generale pas na verloop van tijd werd vervolledigd met een faculteit theologie. In het geval van Leuven is het door de herhaalde vraag van zowel de stedelijke overheid als van de hertog van Brabant, Filips de Goede, dat paus Eugenius IV op 7 maart 1432 de toestemming verleende aan de universiteit om graden in de theologie toe te kennen.

thumb|Paus Adrianus VI, 1522-1523

De eerste professoren van deze nieuwe faculteit werden gerekruteerd uit reeds bestaande theologische faculteiten, met name die van Parijs en Keulen. De oude faculteit godgeleerdheid schoeide haar onderricht ook sterk op de leest van deze zusterfaculteiten. Studenten die de graad van Sacrae Theologiae Licentiatus wensten te behalen, werden geschoold in het becommentariëren van de Schrift en het Liber Sententiarium van Petrus Lombardus, en namen deel aan de disputationes, kenmerkend voor het middeleeuwse onderricht. De meest bekende theoloog van de 15de-eeuwse faculteit was Adrianus Floriszoon van Utrecht, die er doceerde van 1491 tot 1515, en later bekend werd als paus Adrianus VI.

Adrianus en de andere Leuvense theologen kwamen in de zestiende eeuw in conflict met Desiderius Erasmus. Ze vonden dat zijn Lof der zotheid het gilde der theologen voor schut zette, en ze maakten bezwaar tegen het Novum Instrumentum, zijn wetenschappelijke uitgave van het Nieuwe Testament.Sandra Langereis, Erasmus. Dwarsdenker, 2021, p. 514 en p. 690. Gearchiveerd op 7 juli 2023. Toen hij in 1517 actief werd in hun stad aan het nieuwe Collegium trilinguae, probeerde ze dit initiatief te torpederen of minstens de integratie ervan in de universiteit te beletten.Sandra Langereis, Erasmus. Dwarsdenker, 2021, p. 709. Gearchiveerd op 7 juli 2023. Jacobus Latomus schreef hiertoe in 1519 het boek De trium linguarum et studii theologici ratione dialogus. Erasmus' bijbelonderzoek werd gezien als de bron voor de reformatorische ideeën van Maarten Luther. Het waren de Leuvens theologen die rond de jaarwisseling 1518-1519 voor het eerst een werk van Luther in het vizier namen.Gert Gielis, Verdoelde schaepkens, bytende wolven. Inquisitie in de Lage Landen, 2009, p. 57 Na een onderzoek werden zijn standpunten over zonde, boete, biecht, pauselijk gezag e.d. samengevat in de Errores excerpti en vervolgens veroordeeld in de Leuvense censuur van 7 november 1519.Karel Blockx, De veroordeling van Maarten Luther door de theologische faculteit te Leuven in 1519, Brussel, Paleis der Academiën, 1958 De professoren stelden zijn dwalingen plechtig aan de kaak in de Sint-Pieterskerk en nadien volgde een publieke boekverbranding. Dit was ook voor Erasmus een keerpunt.Sandra Langereis, Erasmus. Dwarsdenker, 2021, p. 766. Gearchiveerd op 7 juli 2023. Na vier jaar intriges hield hij het in 1521 voor bekeken in Leuven. Ook latere Leuvense theologen zoals Johannes Driedo zouden zich sterk tegen het erasmiaanse gedachtegoed blijven kanten.

Ondertussen werd de polemiek met Luther verder gevoerd.Gert Gielis, Hemelbestormers. Leuvense theologen en hun streven naar geloofseenheid en kerkvernieuwing (1519-1578), doctoraal proefschrift, KU Leuven, 2014 Luther reageerde in 1520 op zijn veroordeling met de Condemnatio doctrinalis en Latomus antwoordde in 1521 met de Articulorum doctrinae.Articulorum doctrinae fratris Martini Lutheri per theologos Lovanienses damnatorum ratio, 1521 In zijn respons hekelde Luther de "brandstichtende sofisten" van Leuven, die hij eerder ook al "ezels" had genoemd.Rationis Latomianae pro incendiariis Lovaniensis Scholae Sophistis redditae Lutheriana Confutatio, 1521 In 1544 werd het conflict voortgezet door de theoloog en inquisiteur Ruard Tapper. Op vraag van keizer Karel V maakte hij een synthese van de kern van de katholieke positie in 59 artikelen, kort nadien ingekort tot 32 artikelen. De 32 artikelen van 6 december 1544 werden beschouwd als een formulering die de katholieke positie raak en beknopt weergaf. Ze werden opgenomen in een keizerlijke ordonnantie van 14 maart 1545 en inspireerden meerdere decreten van het Concilie van Trente (1545-1563).

In de strijd tegen de ketterij waren de Leuvense theologen onderdeel van de Inquisitie in de Nederlanden. Als eersten kwamen ze ook met een Index van verboden boeken (1546, herwerkt in 1550 en 1558). Deze Index stond model voor de latere Romeinse Index librorum prohibitorum die in 1559 onder Paus Paulus IV werd gepubliceerd.

Op het Concilie van Trente, dat gestalte gaf aan de Contrareformatie, speelde de Leuvense faculteit een actieve rol. Onder haar afgevaardigden op dit concilie treft men Tapper, Johannes Hesselius en Michael Baius. Bovendien circuleerden werken van Johannes Driedo onder de tridentijnse concilievaders. In 1546 ontving de faculteit van Karel V naast de vijf bestaande leerstoelen twee koninklijke leerstoelen, waarvan één toegewijd aan de studie van de Schrift. In 1547 publiceerde de faculteit een nieuwe versie van de Vulgaat-bijbel, die aan meerdere herzieningen werd onderworpen, en die de basis zou vormen voor de commissie die in de zeventiende eeuw in opdracht van Paus Paulus V een officiële editie zou voorbereiden. De groeiende wetenschappelijke specialisatie van de faculteit kwam tot uiting in de zestalige uitgave van de Biblia Polyglotta (1568-1572) en in een nieuwe editie van de complete werken van Augustinus onder leiding van Johannes Molanus (1576-1577), net als de Polyglotbijbel gepubliceerd bij Plantijn.

Kenmerkend voor deze periode van de Leuvense faculteit is de overgang van een scholastieke theologie naar een meer positieve theologie, gestoeld op de Schrift en de Kerkvaders. Het is in deze context van herbronning dat het Leuvense augustinisme zich ontwikkelde, dat de faculteit een eigen positie binnen de Contrareformatie bezorgde en haar theologie tot in de achttiende eeuw kenmerkte.

De klemtoon van de Leuvense theologie op Augustinus kreeg aan de Leuvense faculteit haar meest extreme vorm in het onderricht van Michael Baius. De bajanistische theologie hanteerde in haar focus op het genade- en scheppingsdenken van Augustinus een uitermate negatief beeld van de mens in de gevallen staat. In dit opzicht deelde Baius het reformatorisch gedachtegoed, terwijl hij er op het punt sacramentele herstel van de mens uit deze staat lijnrecht tegenover stond. Na veroordelingen van zijn werk door de theologische faculteiten van Salamanca (1565) en Alcala (1567), werden 97 stellingen van Baius door paus Pius V veroordeeld in de bul Ex omnibus afflictionibus van 1 oktober 1567. In 1580 volgde een nieuwe veroordeling door paus Gregorius XIII in Provisionis Nostrae. Het werk van Baius werd later ook gecontesteerd door jezuïetentheologen als Leonardus Lessius en Robertus Bellarminus. Ondanks dit alles bleef de Leuvense professor regius inquisiteur-generaal.

Het Leuvense augustinisme kende nog een andere beroemde exponent in de figuur van Cornelius Jansenius, aan wiens naam het zogenaamde jansenisme werd ontleend. Na studies aan de Universiteit van Utrecht en Leuven, had hij zich teruggetrokken in Frankrijk, waar hij zich samen met zijn vriend Jean Duvergier de Hauranne (de latere abbé de Saint-Cyran) toelegde op een intensieve studie van de Schrift en de Kerkvaders. Jansenius ging hierbij in op de eis van Paus Clemens VIII om zich in het debat over de aard en de efficaciteit van de genade, niet toe te spitsen op scholastieke subtiliteiten, maar zich tot de bronnen te wenden. Jansenius' jarenlange studie van Augustinus' denken over de genade vond zijn weerslag in het boek Augustinus, dat in 1640 postuum werd gepubliceerd. Het werk van Jansenius werd vooral door de Societas Jesu aangevallen, maar kende ook andere opponenten zoals de protestantse theoloog Gisbertus Voetius.

thumb|Cornelius Jansenius

Door toedoen van de jezuïeten werd de Augustinus in 1642 veroordeeld. Niettemin vond het werk ook fervente verdedigers, onder andere in het Franse klooster Port-Royal-des-Champs. Onder de meest bekende verdedigers van Jansenius' werk treft men Blaise Pascal en Antoine Arnauld, die ook morele kwesties in het debat betrokken. In 1653 werden vijf stellingen uit de Augustinus veroordeeld door paus Innocentius X. Arnauld cum suis betwistten dat deze stellingen als zodanig ook aangetroffen konden worden in het werk van Jansenius. In 1656 verklaarde paus Alexander VII dat de stellingen precies zo veroordeeld werden zoals Jansenius deze bedoeld had. Na de dood van Alexander VII kwam er onder paus Clemens IX een compromis tot stand.

De spanning tussen de Leuvense faculteit als zodanig en de jezuïetenorde liep hoog op, mede doordat in 1653 en 1657 de Leuvense faculteit meerdere proposities had laten veroordelen als laxistisch. In de periode 1677-1679 bekwam men de veroordeling door paus Innocentius XI van 65 stellingen uit het werk van moraaltheologen van de jezuïeten. Op hun beurt verkregen deze laatsten dan weer in 1690 een veroordeling van 31 rigoristische proposities, die door de Leuvense professoren zouden gedoceerd zijn. In 1713 kende de jansenistische controverse een eindpunt met de promulgatie van de bul Unigenitus. Nadat reeds tevoren professoren zoals Martin Steyaert meer naar het Romeinse standpunt waren gedraaid, onderwierp nu de hele faculteit zich. De faculteit ging zich in de achttiende eeuw steeds verzoenlijker opstellen ten aanzien van het centrale leergezag, en werd onder meer door haar afwijzing van het gallicanisme en het febronianisme een centrum van ultramontanisme. Haar verzet tegen de religiepolitiek van keizer Jozef II en tegen de aan de clerus opgelegde eden door de Franse Republiek versterkten die reputatie. Op 25 oktober 1797 werd de Leuvense universiteit door de Franse overheid gesloten.

Nieuwe faculteit (1834-1969) Na twee decennia universitaire sluiting werd onder Willem I der Nederlanden in 1817 een Rijksuniversiteit opgericht te Leuven, evenwel zonder theologische faculteit. Deze situatie veranderde pas na de Belgische Revolutie van 1830, met de oprichting van een nieuwe Katholieke Universiteit te Mechelen in 1834, met toestemming van paus Gregorius XVI. De nieuwe universiteit zou zich reeds het jaar daarop in Leuven vestigen, na de afschaffing van de Rijksuniversiteit Leuven, en de naam Katholieke Universiteit Leuven aannemen.

De nieuwe faculteit theologie ontving hoofdzakelijk studenten die – in het kader van hun priesteropleiding – reeds twee jaren filosofie en vier jaren theologie hadden gestudeerd. In de periode van 1853 tot 1877 werden ook een aantal inleidende cursussen gedoceerd, die in 1898 heringericht werden als Schola minor, in samenwerking met het Amerikaans College te Leuven. Van bij de aanvang werd aan de faculteit ook kerkelijk recht gedoceerd, tot de scheiding van beide opleiding ingevolge de Apostolische Constitutie Deus scientiarum Dominus van 1929.