De Romeinse republiek was een politieke fase in de geschiedenis van de Romeinen, die zich afspeelde in de periode tussen het Romeins koninkrijk en het Romeinse keizerrijk. In deze periode groeide Rome uit van een stadstaat, die lokale oorlogen uitvocht met buursteden, tot een wereldrijk. De republiek begon met de eerste verkiezing van de consuls in 509 v.Chr., en eindigde 478 jaar later, toen Octavianus een keizerlijke dynastie vestigde. De republikeinse fase moet niet worden verward met twee kort bestaande Romeinse republieken uit de moderne tijd, respectievelijk de Romeinse republiek van 1798-1799 en de Romeinse republiek van 1849.

Oorsprong De klassieke Romeinse republiek is een van de drie periodes waarin de geschiedenis van het Romeinse rijk traditioneel wordt ingedeeld. De Romeinse republiek ontstond volgens de overlevering in 509 v.Chr.O.a. vastgelegd door Quintus Fabius Pictor en Marcus Terentius Varro Reatinus., toen de laatste koning van Rome, Tarquinius Superbus, werd verdreven door Lucius Junius Brutus. Er werd toen besloten om jaarlijks twee consuls te kiezen. Hiermee ontstond voor zover bekend de eerste republiek uit de geschiedenis.

In latere tijden ontstonden, naast het ambt van consul, ook de ambten van proconsul, quaestor, praetor en censor. Zie het lemma cursus honorum.

Militaire structuur Bellum iustum Romeinse historici beweerden vaak dat Rome zijn imperium had opgebouwd door een opeenvolgende reeks van "defensieve oorlogen". De werkelijkheid was genuanceerder. Voor de beginfase, toen Rome zijn macht in Midden-Italië vestigde, kan de zienswijze van defensieve oorlogen nog tot op zekere hoogte worden verdedigd. Met zoveel Latijnse kleine staatjes zo dicht op elkaar, was niemand ooit werkelijk veilig. Toch kenden deze "nabuuroorlogen" al duidelijke gevallen van pure landroof, bijvoorbeeld ten koste van de Veii of de Volsken.

Vanuit de door de Romeinen gevoelde behoefte aan een betere rechtvaardiging van een oorlog dan pure roofzucht, ontstond het begrip "rechtvaardige oorlog" of bellum iustum. Voordat het leger uitrukte moest een priester in een plechtige ceremonie aan de goden uitleggen dat de Romeinen een "rechtvaardige oorlog" begonnen en daarom hun steun verdienden. Er werden steeds - min of meer spitsvondige - argumenten gevonden voor de "rechtvaardigheid" van een oorlog, bijvoorbeeld "bondgenoten", die tegen "boosaardige" buren moesten worden "beschermd".

Naarmate Rome groter en machtiger werd, en veroveringen buiten het Italiaanse schiereiland begon te maken, werd oorlog echter steeds meer een lucratieve affaire voor de senatorenklasse.

Krijgstechnieken De expansie van Rome ging gepaard met een flinke uitbreiding van de strijdmacht van de Romeinse federatie. Tijdens de periode van de Romeinse monarchie bestond het leger uit één enkel legioen (legioen betekent zoiets als "lichting") van 4.200 voetsoldaten en 300 ruiters.

Naarmate de bevolking van het door de Romeinen beheerste grondgebied groeide, konden er twee, later drie of vier legioenen van Romeinse burgers op de been worden gebracht, aangevuld met minstens zoveel troepen van de bondgenoten. Aanvankelijk gebruikten de Romeinen de tactiek van de Griekse falanx, een hecht blok van met lange lansen gewapende en met schilden en pantsers beschermde infanteristen, waartegen minder gedisciplineerde en lichter bewapende infanteristen vrijwel niet waren opgewassen. In hun oorlogen met de Samnieten en andere bergvolken ontwikkelden de Romeinen - door schade en schande wijs geworden - een flexibelere slaglinie, met onderdelen die beter in staat waren om ook los van elkaar te opereren (manipels, cohorten, centuriën). Tot aan de hervormingen van Marius rond 100 v.Chr. zou het Romeinse leger in wezen bestaan uit boeren, die voor de tijd van een krijgscampagne waren opgeroepen. Zolang de Romeinen hun oorlogen op korte afstand van hun moederstad voerden, was dat nauwelijks een bezwaar.

Legerhervormingen, 107 v.Chr. thumb|Gaius Marius Tot ongeveer 110 v.Chr. werd het leger gevormd door vrije boeren, die in tijd van oorlog werden opgeroepen; er was dus geen permanent leger. In het begin van Romes geschiedenis was de legerdienst meestal van korte duur, omdat de strijd zich in de directe omgeving van Rome afspeelde. Na de oorlog werden de soldaten weer snel gedemobiliseerd en keerden ze terug naar hun akkers en werkplaatsen. Zo was er meestal maar een korte onderbreking van hun werkzaamheden. Maar toen Romes invloedssfeer groeide, moesten de legers steeds verder van huis en waren er ook steeds meer veldtochten nodig. Zo waren de soldaten op het laatst vaak hele zomers van huis. De boeren hadden steeds minder tijd om hun akkers te verzorgen, zodat ze op het laatst sterk verarmden door de teruglopende oogsten.

Rond 110 v.Chr. wisten de Kimbren en Teutonen verpletterende nederlagen toe te brengen aan de Romeinen, waarbij hele legioenen werden uitgeroeid. Er ontstond een gevaarlijk gebrek aan soldaten, en Gaius Marius, generaal en staatsman, kreeg daarom van de Senaat de vrije hand om hervormingen van het Romeinse leger door te voeren.

Marius besloot om zijn soldaten een onkostenvergoeding te betalen, die uitgroeide tot een salaris. Veel verarmde boeren besloten om permanent in het leger te blijven, omdat ze zo meer konden verdienen dan op hun verwaarloosde stukje grond. Veel mannen zonder landbezit, "proletariërs", namen toen ook dienst in het leger en de veldheer had een machtig middel om deze mannen persoonlijk aan zich te binden: hij beloofde ervoor te zullen zorgen dat zij na 15 tot 20 jaar dienst in het leger ook een stukje grond zouden krijgen. Daarmee werd voor de meeste rekruten het leger een baan 'voor het leven'; met andere woorden, ze werden beroepssoldaten.

Doordat Marius zo een permanent beroepsleger oprichtte, veranderde echter de machtsbalans in Rome: voortaan was het leger een belangrijke partij, en dus ook de generaal die het leger aanvoerde en tegenover wie de soldaten meer loyaliteit koesterden dan tegenover de Senaat.

Expansie van de Romeinse Republiek Veroveringskaart Romeinse Rijk thumb|300px|Veroveringskaart Romeinse Rijk Op deze kaart is de groei te zien van het Romeinse rijk, zowel tijdens de fase van de Republiek (rood en oranje) als tijdens het Keizerrijk (geel en groen).

Voor of in 133 v.Chr. (rood) bestaat het rijk uit heel Italië, Griekenland, Pergamon als de provincia Asia, en de tijdens de Punische Oorlogen veroverde provinciae Sicilia, Sardinia en Hispania.

Tegen 44 v.Chr. (oranje) maakte heel Gallia, en grote delen van Klein-Azië en Noord-Afrika deel uit van het rijk.

De eerste keizer Augustus (zie Romeinse Keizerrijk) zal de (gele) gebieden veroveren; in 117 na Chr. zal het rijk zijn grootste afmeting bereiken (groen).

Kanttekening Van de Romeinse geschiedschrijving zijn pas vanaf de 3e eeuw v.Chr. teksten overgeleverd. Bij de plundering van Rome door de Galliërs onder Brennus in 387 v.Chr. zijn eventuele historische documenten verloren gegaan toen het archief van de Senaat in vlammen opging. Bij de gebeurtenissen van vóór 300 v.Chr. is het daarom vaak moeilijk feiten en legenden uit elkaar te houden. Desondanks zijn er wel enkele grote lijnen vast te stellen in de expansie van Rome als regionale mogendheid.

Expansie tot 100 km van Rome (509 – 343 v.Chr.) De periode tot ca. 340 v.Chr. werd gekenmerkt door consolidatie van de Romeinse machtspositie, in een gebied dat zich niet veel verder dan ca. 100 km van de stad Rome uitstrekte.

Rome begon ermee de ongeveer 30 stad- of dorpstaatjes der Latijnen te verenigen in een offensieve en defensieve confederatie. Het gehele gebied van de Romeinen en Latijnen besloeg niet veel meer dan 2000 km2. Aanvankelijk moest Rome in dit gebied nog een strijd om de suprematie leveren met Alba Longa, een Latijns stadje op nog geen 20 km van Rome.

Omstreeks 396 v.Chr. veroverden de Romeinen de naburige Etruskische stad Veii, die op niet meer dan 18 km van Rome lag. Volgens de overlevering zou de gehele bevolking van de veroverde stad op de slavenmarkt zijn verkocht. Maar ook na de annexatie van het gebied van Veii besloeg het gebied van Romeinen en Latijnen niet veel meer dan 3000 km2, ongeveer zoveel als de huidige provincie Antwerpen of Overijssel, en minder dan een vijfde deel van de huidige Italiaanse regio Lazio.

De verovering van Veii maakte de naburige staten bewust van de groeiende macht van Rome. Andere Etruskische steden riepen daarom de hulp van Rome in tegen een nieuwe bedreiging, de uit het noorden binnenvallende Galliërs, die in de 5e eeuw v.Chr. het grootste deel van de Povlakte onder de voet hadden gelopen. Deze interventie dreigde Rome fataal te worden. In 387 v.Chr. leden de Romeinen een zware nederlaag tegen de Gallische koning Brennus, die de stad belegerde en pas wegtrok na betaling van een forse schatting. Het zou enige decennia duren voordat Rome zich van deze tegenslag had hersteld.

Rome moest zelfs opnieuw oorlog voeren om zijn gezag over de naburige Latijnse stadstaatjes te herstellen.

Expansie over hele Italiaanse schiereiland (343 – 275 v.Chr.) Samnitische oorlogen Nadat Rome na de confrontatie met de Galliërs zijn gezag weer had hersteld, was het, samen met zijn bondgenoten, opnieuw de sterkste militaire macht in de regio. De Etruskische staten zochten opnieuw hulp bij Rome tegen het Gallische gevaar. De bewoners van Campanië zochten bescherming tegen het expansieve bergvolk van de Samnieten uit de Abruzzen. Dit leidde vanaf 343 v.Chr. tot drie Samnitische oorlogen, waarvan de laatste pas in 291 v.Chr. zou eindigen.

Hardnekkige tegenstanders waren ook de Volsken, in het zuidoosten van Latium. Het na hun onderwerping geannexeerde akkerland was, tezamen met dat van Veii, voor geruime tijd voldoende om de landhonger van de in aantal toegenomen Romeinen en Latijnen te stillen. Nadat ook de Sabijnen en enkele kleinere buurvolkeren, zoals de Hernici, Aequi en Aurunci, onderworpen waren, beheerste Rome ongeveer het gebied van de huidige Italiaanse regio Lazio.

Kort na 300 v.Chr. raakten sommige Etruskische stadstaten echter bevreesd voor de toenemende macht van Rome, en verbonden zich met hun oude Gallische vijand en met de Samnieten tegen Rome. Daarmee begon de Derde Samnitische Oorlog. Met zijn bondgenoten versloeg Rome echter de alliantie van Samnieten, Etrusken en Galliërs, in de Slag bij Sentinum, 295 v.Chr., en ten slotte de bestorming van de stad Venusia in 291 v.Chr..

Ondanks aanvankelijke successen moesten ook de Samnieten uiteindelijk het hoofd buigen voor de Romeinse federatie.

Pyrrhische oorlogen Nu was er op het Apennijnse schiereiland geen macht meer die Rome kon tegenhouden. Enkele Griekse stadstaten in Zuid-Italië, onder leiding van Tarente, probeerden hun onafhankelijkheid te verdedigen door zich te verbinden met de Griekse koning Pyrrhus van Epirus.

Pyrrhus boekte overwinningen tijdens de Slag bij Heraclea (280 v.Chr.) en in Ausculum (279 v.Chr.), maar deze waren zo kostbaar dat het spreekwoordelijk geworden pyrrusoverwinningen waren. In 275 v.Chr. werd Pyrrhus definitief verslagen in de Slag bij Beneventum. Hiermee was Rome de onbetwiste meester geworden van het Apennijns Schiereiland.

Romeins-Gallische oorlogen Kort daarop namen de Romeinen ook de verovering van de Povlakte op de daar gevestigde Gallische volksstammen ter hand. Sicilië en de Povlakte golden voor de Romeinen en hun Italische bondgenoten lange tijd als een min of meer vreemd gebied, dat pas veel later als een volwaardig deel van Italia zou worden beschouwd. Men sprak bij deze gebieden niet van "socii" (bondgenoten), maar van "provinciae" (wingewesten), die grondig mochten worden uitgebuit.

Volgens een census (volkstelling) van 260 v.Chr. beschikte Rome over ongeveer 290.000 Romeinse burgers, plus 750.000 burgers van de bondgenoten. Burgers waren volwassen mannen die geen slaaf waren. De totale bevolking van de Romeinse federatie bedroeg zo'n 3 tot 4 miljoen.