Willem Verstegen (Vlissingen, 1612 - Ajmer, 1659) was een koopman in dienst van de VOC, opperhoofd in Dejima en raad van Indië.

Leven miniatuur|260x260px|De factorij op Firando (Hirado), op een prent uit 1832.

Nagasaki Willem Verstegen is omstreeks 1612 geboren, verder is weinig over zijn jeugd bekend. In 1629 vertrok hij als assistent naar Batavia, om in 1632 naar Japan te worden gezonden, waar hij als onderkoopman werkzaam was op de factorij te Firando. In 1633 werd hij als factoor geplaatst te Nagasaki. Hij ontmoette daar een aantal Hollanders, die sedert 1609 in Japan verbleven en er zelfstandig handel dreven. De voornaamste onder hen was Melchior van Santvoort, die met een Japanse was gehuwd en bij haar een dochter had. Verstegen was nog nauwelijks in Nagasaki of hij vroeg deze dochter ten huwelijk. Zij was toen ongeveer 12 jaar oud, maar volgens hem 'naer dezes landts wijse' al huwbaar. In 1635 werd hij aangesteld als koopman.

Goud- en zilvereiland miniatuur|18e-eeuwse kaart van Japan. Eind 1635 schreef hij twee adviezen aan gouverneur-generaal Hendrik Brouwer en de Raad van Indië. Het ene ging over de handel in Hirado en de wenselijkheid ook een factorij te openen in Nagasaki.Er zou in 1641 inderdaad een factorij in Nagasaki geopend worden: Dejima, maar dat was op last van de Japanners, en de factorij in Hirado werd toen gesloten. Het andere heette Remonstrantie ofte Corte Voorstellinghe, omme een grooten schadt, ofte wel nieuwen aenvang van negotie te crijgen, op het rijck ende Gout- ende Silver-Eijlandt, gelegen in de Zuytzee, ter hoochte van 37 1/2 graden, benoorden de Linie Equinoctiael. Het ging over geruchten over de ontdekking door de Spanjaarden van een eiland waar 'men 't gout ende silver, by maniere van spreecken, bynaer maer by de strant opraepte; ja, hunder ketelen ende ander cocx-gereetschappen daervan gesmeden waeren.' Dergelijke geruchten over een El Dorado deden al jaren de ronde bij de Spanjaarden in Amerika. De geruchten werden bevestigd door Vincent Romeijn, een particulier koopman uit Brugge die in Spaanse dienst via Mexico in Nagasaki was neergestreken. Om de Spanjaarden voor te zijn adviseerde Verstegen om vanuit Japan twee jachten met wat proeven van koopwaar naar het eiland te laten zoeken: 'een groot hooch lant' ongeveer 400 Spaanse mijlen ten oosten van Japan. Romeijn bood aan om zelf mee te gaan.Hij heeft dat niet gedaan. Naar aanleiding hiervan zouden op aandringen van de Heren XVII onder Brouwers opvolger Antonio van Diemen meerdere ontdekkingsreizen ondernomen worden.Abel Janszoon Tasman's Journal In 1639 was er een eerste expeditie onder Matthijs Quast, die echter geen succes had. Een tweede expeditie vertrok in 1643 onder leiding van Maarten Vries en Hendrick Cornelisz Schaep. Schaep en negen bemanningsleden van het jacht Breskens werden in de baai van Yamada in het noorden van Japan gevangengenomen na door courtisanes van het schip te zijn gelokt. De ware toedracht is onduidelijk omdat het scheepslogboek niet bewaard is gebleven.

Terug naar Batavia thumb|250px|Tokugawa Iemitsu In augustus 1639 vaardigde de shogun Tokugawa Iemitsu een nieuwe serie bevelen uit ter restrictie van contacten met het buitenland. Hij had zijn grootvader Ieyasu vergoddelijkt tot Tosho, 'Licht dat in het Oosten schijnt', in oppositie van zowel de pretentie van de Chinese keizer ('Zoon van de Hemel') als van het Christendom. Alle Portugezen moesten het land uit. De Nederlanders moesten al hun gebouwen in Hirado waarop christelijke jaartallen stonden afbreken en verhuizen naar het door de Portugezen verlaten kunstmatige eiland Dejima. Ook moesten alle Japanse vrouwen die met Europeanen waren gehuwd of samenleefden met hun kinderen het land verlaten. Verstegen vertrok dus in oktober met zijn vrouw en inmiddels tweejarig zoontje Geraerdt en ook zijn schoonouders Van Santvoort naar Batavia. Onderweg werd in Formosa zijn huwelijk ingezegend.

Na zijn aankomst in Batavia schreef Van Diemen over hem: 'noch al jongh ende moedich, doch van redelijck verstandt ende capabel de Comp. dienst te doen; moet meer aen sijn devoir gehouden'. In januari 1640 werd hij benoemd tot secretaris van de Raad van Justitie, en in mei 1641 tot 'Vendrich der Burgerwacht', een aanzienlijke functie. Ook werd hij diaken. Met de retourvloot van eind 1641 keerde hij terug naar de Republiek, om in 1645 opnieuw naar Indië te gaan, nu als opperkoopman aan boord van het jacht Vogelstruis.

Opperhoofd in Dejima thumb|250px|Stadsmuur van Edo met wachttoren (1868) In 1646 werd Willem Verstegen benoemd tot opvolger van Reynier van Tzum als opperhoofd van de factorij in Deshima van 28 oktober 1646 tot 10 oktober 1647. De opperhoofden mochten van de shogun maar een jaar aanblijven. Verstegen kwam op het eiland aan in gezelschap van Jan van Riebeeck. Hij bracht een verplicht bezoek aan de shogun Tokugawa Iemitsu in Edo. Hij had levende have bij zich zoals twee kamelen, een civetkat, een kasuaris, twee kakatoes, diverse medicijnen en een perspectiefkast, misschien van de hand van Samuel van Hoogstraten, die daarom bekendstond. Verstegen werd onder andere 'de ordinarij lesse voorgehouden, van dat de Nederlanders haer voor de Roomse Christenheyt moesten wachten ende versorgen, dat geene papen noch hare ornamenten door onse schepen in Jappan en quamen'.miniatuur|308x308px|VOC-factorij in Dejima in 1647: Handtekening van Willem Verstegen, Frederick Coyett, Anthony van Brouckhorst, Jan van Riebeeck, Willem Bijlvelt, Jan de Groot, Johannes Boucheljon, Willem Thijmonsz en Dirck Meulenaar.Na zijn audiëntie werd Verstegen door de naaste vertrouweling van de shogun Makino Chikashige dringend gevraagd wanneer Jan van Elseracq terugkwam om als speciale gezant van de Republiek het Japanse hof te bedanken voor de vrijlating van schipper Hendrick Schaep en de andere bemanningsleden van de Breskens. Volgens de Japanners had Van Elseracq beloofd om de vrijlating in de Republiek te gaan melden en met speciale geschenken terug te komen. De Raad van Indië in Batavia was daar niet van op de hoogte en besloot 'dat gemelten Elserach buyten sijne ordre al vrij wat breedt gewaydt ende de Japanse heeren wonderlijcke dingen wijsgemaect heeft', maar dat Van Elseracq die belofte gedaan heeft is erg onwaarschijnlijk. De Raad nam het Verstegen kwalijk dat hij aan het hof privézaken had aangekaart, in casu geld dat zijn schoonvader Van Santvoort na zijn gedwongen vertrek uit Japan nog tegoed had, wat 'bij de Jappanders voor groot affront gereeckent wort'.

Verstegens verslag van zijn reis naar Edo is uitermate gedetailleerd; hij noemt de namen van plaatsen, beschrijft het landschap en vertelt wat hij zag en hoorde. Het bewaard gebleven persoonlijk dagboek van Verstegen is een waardevolle bron ten aanzien van de geschiedenis van de laatste fase van de missie van de jezuïeten in Japan.

In november ging Verstegen met de fluit Hillegaersberch via Formosa terug naar Batavia, met onder andere 34 kisten zilver en 738 kisten koper aan boord. De Zweed Frederick Coyett werd zijn opvolger.

Raad van Indië en commissaris van de noorderkwartieren miniatuur|De kust van Tonkin. Op 7 september 1650 werd hij, zich hebbende 'gepurgeerd van de hem aangewreven calumniën over zijne directie in Japan', benoemd tot extra-ordinaris lid van de Raad van IndiëEen extra-ordinaris lid nam deel aan de vergaderingen als hij in Batavia was maar hij had geen stemrecht. en commissaris van de noorderkwartieren, op voorspraak van de nieuwe gouverneur-generaal Carel Reiniersz. Ook werd hij Cassier en president van het College van Kleine Gerichtszaken.

Op 12 april 1651 ging hij in zijn functie van commissaris naar Fort Zeelandia op Formosa en naar de onderling strijdende staatjes Tonkin en Quinam (in het huidige Vietnam). Hij reisde met het 'oorlochsjacht Delfshaven' en de jonk Catwijck, en kreeg ook wat koopwaar mee.

Tonkin In juni was hij in de factorij in Tonkin, waarvan vermoed werd dat de medewerkers zich bezig hielden met ongeoorloofde particuliere handel. Verstegen constateerde dat het opperhoofd Jan de Groot de boekhouding niet goed bijgehouden had. Hij moest meekomen naar Formosa om zich te verantwoorden bij de fiscaal. Vervolgens mocht Verstegen in een grootse ceremonie voor de koning en zijn hovelingen verschijnen en werden er geschenken uitgewisseld. Verstegen kreeg onder andere een gouden plaat 'dienende tot een bewijs van eeuwige vrede ende nieuwe, onverbreeckelijcke gunst', die in een grootse optocht naar de factorij werd gebracht. De koning ontving als tegenprestatie twee bronzen en twee ijzeren kanonnen met toebehoren. De koning wilde twee gezanten met Verstegen meezenden naar Batavia maar die wees dat af omdat hij nog naar Formosa en naar Quinam moest, waarmee Tonkin in oorlog was. De gezanten zouden met een later schip opgehaald worden.

Formosa thumb|280x280px|Overzicht van Fort Zeelandia in Tainan, Taiwan/ ca. 1635/ 73 x 103 cm/ Nationaal Archief, Den Haag, NederlandIn augustus kwam hij aan in de kolonie op Formosa voor inspectie van de kerk en de school. Zacharias Wagenaer was er zijn klerk. Ook moest hij bemiddelen in de hoogopgelopen ruzie tussen de gouverneur Nicolaas Verburg en de fiscaal Dirck Snouck enerzijds en de predikanten Daniël Gravius en Gilbert Happart en Verburgs secunde Frederick Coyett anderzijds. De predikanten hadden bestuurlijke taken naar zich toegetrokken, zoals het innen van belastingen en lokale rechtspraak, en hadden zich daarbij volgens Verburg schuldig gemaakt aan 'schraperijen, usurpatien, stoute onderneminghen ende verdere quade handelingen ende practycqen'. Gravius vocht de beschuldigingen aan door middel van brieven die volgens Verburg lasterlijk waren. Het lukte Verstegen niet dit conflict op te lossen. Hij schreef dat: 'de groote onlusten alhier ter plaetsen geresen, soo hoogh geclommen ende gestegen waren... dat het niet wel aen te nemen, noch om gelooven was.' Na het vertrek van Verstegen in november beklaagde Verburg zich over hem in een brief aan de Raad van Indië. Hij zou zich door de predikanten hebben laten inpakken.

Quinam miniatuur|Quinam en Tonkin. In Quinam trad hij op als gezant om het conflict tussen de VOC en de vorst, Nguyen Phuoc Tan, bij te leggen en wederzijds gevangenen vrij te laten. In eerste instantie leek dat te lukken. Er werden geschenken uitgewisseld en er werd een vredes- en handelsverdrag opgesteld ('Accoordt ende eeuwigh verbondt van vreede'). Verstegen kocht een huis in de havenstad Pheypho (het huidige Hội An) voor de vestiging van een factorij, maar na zijn vertrek in december ging het direct weer mis. De koning wilde zijn schip onderzoeken op de aanwezigheid van gezanten naar Batavia uit het vijandige Tonkin. Er zouden meer dan 30 'Toncquinders in Chinese habiten verborgen geweest' zijn. Verstegen had het onderzoek geweigerd en was vertrokken. De door hem achtergelaten onderkoopman Hendrick Baron en zijn vier medewerkers werden toen gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Vlak voor hun openbare onthoofding op de markt kregen ze gratie van de koning en mochten ze terugkeren naar Batavia. De koning wilde zich alsnog aan het vredesverdrag houden als hij voortaan alle bezoekende schepen mocht onderzoeken, maar de VOC hield het voor gezien. Zij deed voortaan alleen nog zaken met Tonkin.

Consideratie en advies miniatuur|De rivier van Tonkin, van de monding rechts tot aan de VOC-handelspost linksboven.