thumb|Boekomslag van een 11e-eeuws evangelarium uit Maastricht, gedecoreerd met behulp van verschillende edelsmeedtechnieken: gerepousseerd en geciseleerd zilver, daarna verguld en voorzien van email cloisonné, email enfoncé, filigraanwerk, niëllo, parels en gemmen (Louvre, Parijs) thumb|De Heilige Eligius in zijn werkplaats. Hijzelf hamert een beker, links trekt een gezel voor filigraan, rechts wordt een stempel op metaal geslagen (gravure, ca. 1450)

Met edelsmeedtechnieken worden de verschillende technieken (werkwijzen) bedoeld die een edelsmid aanwendt voor het vervaardigen van zijn objecten.

Bronnen over historische edelsmeedtechnieken Voor het vervaardigen van een middeleeuwse boekband kunnen wel tien verschillende technieken gebruikt zijn. Niet voor niets meende een van de grondleggers van de metallurgie, Vannoccio Biringuccio (1480–ca.1539) dat

Voor de kennis van historische edelsmeedtechnieken bestaan een aantal bronnen. Naast het genoemde werk van Biringuccio uit 1540 is er het handboek van de monnik Theophilus uit ca. 1122. Deze verhandeling, bekend onder de naam De diversis artibus, gaat naast hoofdstukken over schilderkunst en glasproductie uitgebreid in op de technieken en materialen van de edelsmid. Gezien de detailkennis is het boek onmiskenbaar van de hand van een (edel)smid. Theophilus wordt vaak geïdentificeerd met de edelsmid Rogier van Helmarshausen. Voor de vroegere periode geeft het 33e boek van de Naturalis Historia van Plinius de Oudere over de geschiedenis en de bewerking van edelmetalen een beeld.

Daarnaast bestaan er enkele afbeeldingen die een getrouwe afspiegeling lijken te geven van de praktijk in de werkplaats van de edelsmid in de late middeleeuwen en de vroegmoderne Tijd. De gravure van de "Meester van de Bileam", die zelf mogelijk goudsmid was, is hiervan de oudste. Ook de twee gravures van Étienne Delaune uit 1576 bieden informatie. In de eerste prent zijn bijvoorbeeld twee gezellen aan het hameren en het ciselleren.1e prent van Étienne Delaune in het British Museum In de andere prent zijn de edelsmid en zijn gezellen bezig met onder andere het vervaardigen van filigraan, graveren en het gloeien van een werkstuk in de oven.2e prent van Étienne Delaune, eveneens in het British Museum

De voornaamste bronnen zijn evenwel de vele edelsmeedvoorwerpen die bewaard bleven en zich nu in verscheidene musea en kerkschatten bevinden.

Vanaf ongeveer de zeventiende eeuw gaan edelsmeden zich meer specialiseren en wordt het onderscheid tussen goudsmeden en zilversmeden, dat waarschijnlijk in de praktijk al langer bestond, gereguleerd. Goudsmeden hielden zich bezig met wat voorheen het werk van de edelsmid was: sieraden en kleine gebruiksvoorwerpen. De zilversmeden worden vaak nog uitgesplitst in groot- en kleinwerkers. Voornamelijk op basis van de omvang van hun producten.

Zo is ook de situatie die in 1765 afgebeeld en beschreven wordt in de Encyclopédie van Denis Diderot en Jean Le Rond d'Alembert. De gelijkenis met de oudere prenten is opvallend. De werkzaamheden lijken op een wat grotere schaal plaats te vinden maar de materialen, gereedschappen en technieken zijn onveranderd gebleven. Het behoudende karakter is dan ook een kenmerk van de edelsmeedkunst. In de 21e eeuw worden nog veel van de historische technieken op vrijwel gelijke wijze toegepast.

Vormende technieken De voornaamste materialen die de edelsmid gebruikt zijn vanzelfsprekend de edelmetalen, waarvan alleen goud en zilver historisch van belang zijn. Daarnaast werden vele andere kostbare materialen gebruikt ter decoratie. Te denken valt aan edelstenen, halfedelstenen, parels, parelmoer, ivoor, gemmen en cameeën. Om de grondvorm van zijn ontwerp te vervaardigen staan de edelsmid twee verschillende basistechnieken ter beschikking: hameren en gieten.

Hameren thumb|Onderzijde zilveren schaal met zichtbare hamerslagen (Taber & Tibbits, 20e eeuw)

Hameren wordt meestal toegepast in zilver of rood koper. Het uitgangspunt is meestal een vlakke plaat van dat materiaal. Met behulp van verschillende vormen hamers wordt de plaat om een klein aambeeldje (een tas) heen gemodelleerd. Tijdens dit proces wordt het metaal steeds harder en brosser doordat de molecuulstructuur verdicht wordt. Daarom moet gedurende het hameren het object regelmatig gegloeid worden in de oven en daarna in water gekoeld. Hierdoor wordt de structuur hersteld en krijgt het metaal zijn elasticiteit terug. Zilver of koper wordt dus, in tegenstelling tot ijzer, niet gesmeed als het heet is.

Het eigenlijke hameren bestaat uit twee tegengestelde handelingen: het uitdiepen (ook wel: rekken, of opdiepen) en het stuiken (ook wel: intrekken). De edelsmid begint met het uitdiepen van de vorm. Hij slaat de plaat naar beneden rond de tas zodat de plaat steeds dunner wordt. Hierbij wordt een volkomen afgeronde bolhamer gebruikt. Bij het stuiken wordt het metaal daarna door het hameren juist enigszins samengedrukt. De edelsmid slaat het metaal dan naar boven en naar binnen. Het aambeeld heeft bij deze handeling een puntige vorm en wordt staak genoemd. Gehamerde objecten kenmerken zich doordat de hamerslag altijd zichtbaar blijft aan het oppervlak.

Aan het einde van de achttiende eeuw deed een nieuwe techniek zijn intrede: het forceren. Hierbij wordt de metalen plaat meedraaiend met een roterende klos met kracht daar omheen gewrongen. De klos heeft de vorm van de binnenzijde van het gewenste object.

Gieten

Gieten is een andere methode die de edelsmid kan gebruiken om een object te vormen. Een groot verschil met hameren is dat eerst een model op ware grootte gemaakt moet worden waarnaar gegoten kan worden. Aangezien gieten relatief veel materiaal vergt — de gietsels worden meestal massief — wordt de techniek maar spaarzaam toegepast. Er bestaan twee belangrijke methoden die binnen de edelsmeedkunst toegepast worden.

Verlorenwasmethode

Bij de verlorenwasmethode wordt het model in was gevormd, waarna het in gips gegoten wordt. Na uitharding van het gips wordt de was door verhitting verdreven, zodat een mal ontstaat waarin het object gegeoten kan worden.

Zandgietmethode Bij deze werkwijze wordt een gietraam gebruikt dat uit twee helften bestaat. Het eerste raam wordt gevuld met Brusselse aarde of een vergelijkbare substantie. Hier wordt vervolgens het model in gedrukt. De andere helft van het gietraam wordt hier nu opgeplaatst en eveneens met zand gevuld. De twee helften worden dan van elkaar gehaald en het model wordt verwijderd. Er worden gietkanalen en ontluchtingskanalen aangebracht en de twee helften (met ieder een halve afdruk van het model) worden weer op elkaar geplaatst. Nu kan het vloeibare metaal in de vorm gegoten worden. Deze zandgietmethode werd in de zestiende eeuw door de goudsmid Wenzel Jamnitzer tot in de perfectie verfijnd. Hij goot allerhande levende zaken af, zoals blaadjes en diertjes.Een voorbeeld van de technische beheersing van Jamnitzer is het zogenaamde Merkelsche Tafelaufsatz in het Rijksmuseum

Versierende technieken thumb|Gouden Madonna (980). Houten beeld verguld met laag bladgoud (Dom van Essen) thumb|Reliekkistje (ca. 1210) uit Limoges met afbeelding moord op Thomas Becket. Technieken: verguld koper, email champlevé, hoofdjes gegoten, voorstellingen gegraveerd en geciseleerd, de nok is opengewerkt (Musée des Beaux-Arts, Lyon) thumb|Detail Driekoningenschrijn in de Dom van Keulen (Nicolaas van Verdun, 1181-91). Technieken: profeet Nahum van gedreven zilver, daarna verguld, achtergrond gedecoreerd met email enfoncé (zuiltjes), email champlevé (driepasboog), vernis brun (achter de zuiltjes), filigraanwerk (zetel van de profeet) en gestempeld (achter de profeet) thumb|Oorbel (Etruskisch, 530-480 v. Chr.) met relatief grote granules (British Museum, Londen) thumb|Knop van de staf van Sint Petrus (988): goud, gedecoreerd met gemmen, parels, email enfoncé en filigraan (schatkamer dom van Limburg) thumb|Detail van de voet een miskelk (Hugo van Oignies, 1228) met voorstellingen van apostelen in niëllo (Priorij van Onze-Lieve-Vrouw, Namen) thumb|Gesloten triptiek (1200-10) afkomstig uit de voormalige abdij van Florennes met voorstelling met Helena en Johannes de Doper in vernis brun op verguld koper (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Als de grondvorm van het ontwerp gereed is, heeft de edelsmid vele uiteenlopende mogelijkheden om het object verder te decoreren. Terwijl de werkwijzen van de vormende technieken in de loop van de tijd in essentie ongewijzigd bleven, is het spectrum van versierende technieken meer aan verandering onderhevig geweest. Werkwijzen raakten in onbruik of werden verdrongen door nieuwere technieken maar konden evenwel eeuwen later in de oude vorm weer in zwang raken.

Veel decoratietechnieken bestaan uit inleg- of oplegwerk. Het object wordt dan voorzien van een ander materiaal dat in of op het oppervlak aangebracht wordt. Dit kunnen onbewerkte of voorbewerkte materialen zijn (zoals parels of edelstenen) of, en daar wordt hier dieper op ingegaan, producten van specifieke edelsmeedtechnieken.

In veel gevallen zullen de decoraties aan het werkstuk bevestigd worden door het te solderen. Theophilus geeft vele verschillende recepten voor soldeersel. Voor het solderen van twee delen uit edelmetaal beveelt hij legeringen aan die bestaan uit het materiaal van het te decoreren object en een ander metaal om zo het smeltpunt van het soldeersel te verlagen. Zilver met koper of goud met koper werden veel toegepast.Theophilus, p. 151 Voor het bevestigen van andere materialen werd eerst een draad van een legering van tin en lood gemaakt die daarna onder het te bevestigen voorwerp gesmolten werd.Theophilus, p. 154-156 Dit onderscheid tussen hard- en zachtsolderen wordt nog altijd gemaakt.

Sommige zeer delicate edelsmeedvoorwerpen kunnen ook volledig opgebouwd zijn met louter versierende technieken, zoals filigraanwerk of vensteremail.

Drijven Deze techniek wordt toegepast bij gehamerde zilveren voorwerpen; bij gegoten voorwerpen kunnen decoraties vaak meegegoten worden. Het is een techniek die verwant is met hameren maar waarbij de edelsmid zo mogelijk nog subtieler te werk moet gaan. Evenals bij het hameren is het noodzakelijk om het object met regelmaat te gloeien om zo te voorkomen dat het te bros wordt en zou kunnen barsten. Bij drijven wordt niet direct met een hamer op het metaal gewerkt maar maakt de edelsmid gebruik van ponsjes om de kracht over te brengen. Deze ponsen zijn korte, afgeronde metalen staafjes in vele verschillende formaten en vormen. Bij het drijven werkt de goudsmid vanaf de achterkant van het werkstuk en drijft van daar het zilver naar voren zodat aan de voorzijde een bolling ontstaat. Om dit zo gecontroleerd mogelijk te kunnen doen wordt eerst aan de voorzijde het ontwerp met kleine putjes ingeslagen zodat dit aan de achterzijde zichtbaar wordt, het zogenaamde inschrooien. Als daarna vanaf de achterkant gewerkt wordt, zet de goudsmid het werkstuk met de voorkant naar onderen vast. Hierbij is het essentieel dat de ondergrond stevig is maar wel ingedeukt kan worden bij het naar voren drijven van het metaal. Deze ondergrond bestaat dan ook meestal uit een met zand gevuld kussen of een hoeveelheid pek. Sommige ontwerpen vereisen dat hierna vanaf de voorzijde het materiaal weer gedeeltelijk teruggedreven wordt. Deze techniek wordt repousseren (Frans voor terugduwen) genoemd. Het object moet hiervoor omgedraaid worden en de pek aan de achterzijde worden geplaatst. Ook kan vanaf de voorzijde met wat puntigere ponsen een voorstelling in het zilver worden gedreven, dat wordt ciseleren genoemd.

Deze zeer gecompliceerde techniek werd in de zeventiende eeuw tot een hoogtepunt gebracht door de gebroeders van Vianen: Paulus en Adam.Een volledig gedreven kan met deksel (1614) door Adam van Vianen in het Rijksmuseum

Vergulden