thumb|Deel van een ivoren diptiek met inscriptie "SYMMACHORUM". De vrouw stelt een priesteres van de god Bacchus voor. De eik en het altaar staan voor de cultus van Jupiter. Quintus Aurelius Symmachus (345-405 na Chr.) was een laat-Romeins politicus, schrijver en intellectueel.

Symmachus behoorde tot de vóór-christelijke Romeinse adelstand. Hij bekleedde enkele bestuurlijke functies te Rome: in 384 was hij stadsprefect (praefectus urbi) en in 391 consul. Zijn bekendheid verwierf hij voornamelijk door zijn retorische gaven en door de vastberadenheid waarmee hij, tegen de tijdgeest in, de oud-Romeinse erediensten en waarden verdedigde tegen keizerlijke beslissingen.

Familie De familie van de Symmachi was onder keizer Constantijn de Grote tot de rang van senator opgeklommen. Symmachus' vader, Lucius Aurelius Avianius Symmachus was in het jaar 364-65 stadsprefect van Rome en aangewezen consul voor het het jaar 377. Hij stierf echter al eerder. Via hem was de familie van de Symmachi met die van Nicomachi verzwagerd, waartoe ook Virius Nicomachus Flavianus hoorde. Symmachus is ten laatste in het jaar 373 in het huwelijk getreden met Rusticiana., Brief 2,10. zie voor de datering Seeck (1883), S. XLIXf.

Uit dit huwelijk werd een zoon, Quintus Fabius Memmius Symmachus, geboren. Deze werd in 401 pretor. Rond het jaar 393 trouwde Nicomachus Flavianus de jongere met een dochter van Symmachus. Bij deze gelegenheid werd een ivoren diptych vervaardigd. Een achterkleinzoon van Symmachus was Quintus Aurelius Memmius Symmachus, die rond 520 een verloren gegane "Romeinse geschiedenis" schreef. Hij was de schoonvader van de in de Middeleeuwen beroemde filosoof Boëthius. Tot dit met de Symmachi verzwagerde geslacht van de Anicii behoorde ook Paus Gregorius de Grote. De familie van Symmachus was zeer rijk, zo hadden zij aan onroerend goed de beschikking over drie stadshuizen in Rome, een in Capua, alsook 15 villa's in de voorsteden, waarvan drie in Rome. (1883), p. XLVf.

Symmachus was verre familie van bisschop Ambrosius van Milaan.

Leven Onder Valentinianus en Gratianus Symmachus kreeg een gedegen opleiding in de Latijnse literatuur en retoriek. Hij bleek buitengewoon begaafd. (1989), blz.1. Symmachus, Brief 9,88,3. Algemeen naar biografie: de essentiële inleidende opmerkingen in de MGH-editie van Seeck (1883), Klein (1971), Jones en anderen, PLRE I, blz. 865ff; Sogno (2006). Zijn eerste openbare ambt bekleedde Symmachus in het jaar 365.Codex Theodosianus 8,5,25 : "corrector Lucania et Brittiorum. In 369 ontving hij een voor zijn leeftijd ongebruikelijke opdracht. Ter gelegenheid van het vijfjarig jubileum van de keizerlijke regering moest hij uit naam van de Romeinse Senaat naar het hof van Valentinianus I in Trier reizen om daar een geldelijke bijdrage (aurum oblaticium) van de Senaat aan te bieden. (ed.): Latin literature of the fourth century, Routledge & Kegan Paul. London 1974, p. 75 Voor Valentinianus en zijn zoon, de nog zeer jonge medekeizer Gratianus, die nog nooit in Rome was geweest, en ook geen contact met de Senaat had opgenomen, hield Symmachus drie lofreden. Als beloning kreeg hij een ererang toegekend.

In Trier leerde Symmachus Ausonius kennen. Ausonius was afkomstig uit Burdigalia, het antieke Bordeaux. Ausonius was in Trier werkzaam als leraar in de retoriek. Hij is bekend van de Mosella, een gedicht over de rivier de Moezel. Onder de bewaard gebleven brieven van Symmachus zijn er meer dan dertig, die gericht zijn aan Ausonius. Uit deze brieven blijkt een vriendschappelijke relatie tussen beide heren. De brieven geven een goed inzicht hoe de leden van de Senaat in Rome contacten onderhielden met opkomende aristocraten in de provincie.zie , Ausonius of Bordeaux. Genesis of a Gallic Aristocracy.. New York 1993, in het bijzonder blz. 111ff Ausonius, die naar buiten toe een Christen was, droeg aan Symmachus zelfs een gedicht op, dat in de context van een drinkgelag, metrisch en thematisch varieert op het getal drie en dat met een vers wordt beëindigd, waar Ausonius een klein beetje de gek aansteekt met de heilige drievuldigheid: "Drie keer een drankje, het getal drie is het grootste, driemaal is hij een God!"Ausonius, Griphus ternarii mumeri hier online.

Ook gunstig voor zijn carrière was een andere toespraak, die Symmachus ter gelegenheid van het derde consulaat van Valentinianus in 370 uitsprak. Nadat hij nog in hetzelfde jaar in Rome was teruggekeerd, bekleedde hij in het jaar 373-74 het proconsulschap van Africa, de graanschuur van Rome en een van de belangrijkste provincies van het Westelijke Romeinse Rijk. Tijdens dit gouverneurschap ondersteunde Symmachus de veldtocht van Flavius Theodosius, de vader van de latere keizer, tegen de usurpator Firmus. Vanwege deze steun maakte Flavius Theodosius zich sterk voor de oprichting van een ere-standbeeld van Symmachus. Dit initiatief kwam echter door politieke naijver niet van de grond. , (1883), p. XLVIII.

Na de dood van Valentinianus I sprak Symmachus in de Senaat een herdenkingsrede uit met de titel, Pro Trygetio. Deze rede werd met veel applaus ontvangen, met name omdat Symmachus behalve zijn waardering uit te spreken voor diens opvolger Gratianus, hij ook refereerde aan de negatieve eigenschappen van de overleden keizer Valentianus I. Dit retorische succes zette Symmachus eraan toe een verzameling van zijn toespraken uit te geven. Op een palimpsest zijn fragmenten van deze uitgave bewaard gebleven.

Aangezien Ausonius tot opvoeder van de jonge Gratianus werd benoemd, ontstond er voor de familie van Symmachus een gunstig politiek klimaat. Symmachus werd aangewezen om in de Senaat de toespraak van Gratianus voor te lezen, waarin deze kort daarvoor door zijn troepen tot senior-keizer van het Westen uitgeroepen keizer zijn beleid uiteenzette.Behalve Gratianus wss formeel ook zijn half-broer Valentinianus II keizer in het Westelijk Romeinse Rijk. Op grond van zijn jonge leeftijd kon Valentianus II deze rol echter nog niet op zich nemen.

Dezelfde eer viel Symmachus ten deel bij de overwinning van Gratianus op de Alamannen alsook bij de overwinning van Theodosius I in het jaar 379 op de Goten.Dit hoewel Theodosius er niet in slaagde de Goten militair beslissend te verslaan. Pas in 382 kwam het tot een verdrag met de Goten, die het vervolgens werd toegestaan zich als foederati aan de benedenloop van de Donau te vestigen. De vader van Symmachus, die reeds eerder als consul voor het jaar 377 was aangewezen, was intussen nog voor de startdatum van zijn ambt overleden. Waarschijnlijk als een uitvloeisel van dit verlies verbleef Symmachus in de daaropvolgende jaren voornamelijk op zijn landgoederen in Campania. Zelfs op uitnodiging van Ausonius begaf hij zich bij gelegenheid van diens consulaat niet naar Rome. (1883), blz. X LII.

Strijd om het Victoria-altaar Keizer Constantijn II had in 356 een algemeen offerverbod uitgevaardigd en bij wet bevolen de tempels te sluiten.Codex Theodosianus 16,10,4 en 6. Een jaar later bezocht deze keizer Rome. Hij toonde zich onder de indruk van de openbare gebouwen van de stad 16,10. Bloch (1963), blz. 194. en om tegemoet te komen aan de niet-christelijke meerderheid in de Senaat, versoepelde hij de regels enigszins. Hij herstelde enige oude stedelijke Romeinse tradities. Hij liet echter wel het Victoria-altaar uit het Senaatsgebouw verwijderen. Dit altaar was ingewijd door keizer Augustus en werd gezien als een symbool van de militaire macht van Rome. De van het christendom afgevallen keizer Julianus (361-363) liet het verwijderde altaar echter opnieuw in het Senaatsgebouw opstellen. Dit conflict moet gezien worden in het kader van de algemene verzwakking van de oude Romeinse tradities: de laatste bewaard gebleven wijdingsopdracht op een niet-christelijke religieus monument, die geplaatst werd door een ambtenaar van de stad Rome, dateert uit het jaar 367/8. Het laat zien dat Vettius Agorius Praetextatus, die tot de kring van Symmachus behoorde, de Porticus Deorum Consentium en haar beelden met Romeinse goden opnieuw liet oprichten op het Forum Romanum.Corpus Inscriptionum Latinarum VI 102 = Hermann Dessau, Inscripties Latinae Selectae 4003.

Symmachus was lid van het priesterlijke college, dat een beschuldiging van overtreding van de kuisheidswetgeving tegen de Vestaalse maagd, Primigenia, onderzocht en een veroordeling "naar de gewoonte van de voorouders" aanbeval, Brief 8,147f.. Hieronder verstond men het levend begraven van de Vestaalse maagd in de Porta Collina en de executie van haar minnaar door zweepslagen op het Forum Romanum. De veroordeling en uitvoering van het vonnis door de Romeinse staat was niet op basis van politieke overwegingen tot stand gekomen.zie José Carlos Saquete: Las vírgines vestales, un sacerdocio femenino en la religión pública romana. Madrid, 2000, blz. 103 Het laatste bericht van een vermoedelijk al gepensioneerde Vestaalse maagd dateert uit het jaar 394, Inscripties Latinae Selectae 4151; Zosimus.5,38,3 De christelijke dichter Prudentius beschreef weinig later in een polemisch schrift het liefdesleven van na 30 jaar uit hun functie ontslagen Vestaalse maagden., Tegen Symmachus 2,1084f. "Zij draagt haar verwelkte rimpels naar het bruidsbed en leert als pasgetrouwde heet te worden in een koud bed." Al eerder had Ambrosius zich in een vergelijking met christelijke nonnen berispend over de deugdzaamheid van de Vestaalse maagden uitgelaten.

Keizer Gratianus staakte in het jaar 382 de staatssubsidies voor de Vesta-cultus en gaf tevens opdracht het Victoria-altaar opnieuw uit het Curia Julia-gebouw te verwijderen. Een op initiatief van Praetextatus gevormde en door Symmachus geleide delegatie protesteerde in 382 tegen deze maatregelen. Dit protest werd echter door het keizerlijk hof in Milaan afgewezen. Hoewel Symmachus vanwege dit protest uit Rome verbannen werd, slaagde hij er na de dood van Gratianus in 383 in naar de stad terug te keren. Een jaar later in 384 werd hij zelfs tot stadsprefect gekozen. Aangezien de opvolger in het keizerlijke ambt, Gratianus minderjarige broer Valentinianus II, beïnvloedbaar leek te zijn, schreef Symmachus nog in hetzelfde jaar de derde Relatio aan de keizer, waarin hij voor het opnieuw opstellen van het Victoria-altaar pleitte en daarnaast om staatssubsidie voor de Vesta-cultus vroeg.Over de strijd over het Victoria-altaar zie Klein (1972) en (1971), in het bijzonder blz. 76ff hier. De petitie van Symmachus werd door christelijke tegenstanders geïmiteerd in uitgebreide weerleggingen, vooral in de Romee-Prosopopoiia: Symmachus, Derde relatio 9-10

"Stellen wij ons dat voor dat de Godin Rome goed gezind is en u aansprak: eerbiedwaardige keizer, vader des vaderlands, heb eerbied voor mijn leeftijd, waardoor ik er in ben geslaagd de voorouderlijke ceremonies in ere te houden! Laat mij de ceremonieën van de voorouders uitvoeren, want dit is geen zonde. Laat mij volgens mijn tradities leven, omdat ik vrij geboren ben! Deze cultus heeft de wereld aan mijn wetten onderworpen; deze heilige gebruiken hebben Hannibal van de muren van de stad en de Galliërs van het Capitool afgeweerd. Ben ik destijds gered om nu op mijn oude dag achtergesteld te worden? Ik zal snel erkennen van welke aard de als noodzakelijk geziene maatregelen zijn; de verbetering van mijn tijd komt echter laat en is smadelijk. Daarom vragen wij om vrede voor de goden van de voorvaderen en van het vaderland. Het is goed het doel van de individuele religiebeoefening als eenheid te begrijpen. Wij kijken allemaal op naar dezelfde sterren, de hemel is voor ons allemaal hetzelfde, hetzelfde heelal omgeeft ons. Wat maakt het uit onder welk systeem men de waarheid onderzoekt? Op een manier alleen kan men een zo groot mysterie niet doorgronden. Maar dit zijn ijdele woorden. In de huidige toestand dienen wij smeekbeden in en geen strijdvragen."