De Iowaklasse is een klasse van in totaal vier slagschepen van de United States Navy, die in de Tweede Wereldoorlog in dienst gesteld zijn. Het waren de snelste slagschepen ooit en ze behoorden tot de laatste die actief waren, hoewel de HMS Vanguard later in dienst is gekomen. Vier van de zes te bouwen schepen werden voltooid. Ze namen deel aan de Tweede Wereldoorlog in de Stille Oceaan, de Koreaanse Oorlog, de Vietnamoorlog en, na een modernisering, de Golfoorlog van 1990-1991. Na een aantal keer te zijn toegevoegd aan de reservevloot, zijn de schepen in 2006 definitief uit het actuele scheepsregister geschrapt.

Geschiedenis Planning en bouw miniatuur|USS Kentucky tijdens de bouw in februari 1946 Omdat de Amerikaanse marine snelle schepen met krachtig geschut nodig had om haar vliegdekschepen te escorteren, werd begin 1938 begonnen met de planning van de Iowaklasse; dit type werd bekend als fast battleship of snel slagschip. De tijdens het Vlootverdrag van Washington in 1922 en het Verdrag van Londen (1930) afgesproken tonnagelimiet van 45.000 ton werd enkel op papier aangehouden en de klasse kon dan ook zonder praktische beperkingen wat betreft waterverplaatsing of bewapening ontwikkeld worden; de uiteindelijke tonnage kwam uit op meer dan 57.000 ton.

De Iowaklasse werd gebouwd op de leest van haar voorganger, de South Dakota-klasse, waarvan een studie uitwees dat de daarvan afkomstige romp een snelheid van 33 knopen zou moeten kunnen halen. Verder zou de nieuwe Iowaklasse dezelfde hoofdbewapening krijgen als de South Dakota's: het Mark-II-geschut voor een kaliber van 16 inch (406 millimeter) 45 diameters lang. Om zich toch met het geschut van de Japanse Yamato-klasse te kunnen meten, werden de net ontwikkelde Mark-VII's met kaliberlengte 50 geïnstalleerd, zodat zwaardere granaten met hetzelfde kaliber verschoten konden worden. Omdat anders de beoogde snelheid niet behaald kon worden, werd de bepantsering niet aangepast op de zwaardere Yamato-klasse. Er werd in 1939 afgesproken om de eerste drie schepen zoals gepland zo snel mogelijk te bouwen en de laatste drie schepen een extra Mark-VII-toren te geven, waardoor die dus trager zouden worden. Dit voornemen werd eind 1939 al opgegeven, omdat er een grotere behoefte was aan snelle slagschepen dan aan slagschepen met nog zwaardere bewapening. De schepen mochten van het Amerikaans Congres 125 miljoen dollar per schip kosten en de financiering hiervoor kwam uit de begrotingen van 1940 en 1941. De uiteindelijke kosten lagen iets onder deze grens.

De schepen van de Iowaklasse werden op drie verschillende werven gebouwd: de Iowa en New Jersey op de New York Naval Shipyard in Brooklyn, de Missouri, de Wisconsin en de Illinois op de Philadelphia Naval Shipyard in Philadelphia en de Kentucky op de Norfolk Naval Shipyard in Portsmouth (Virginia). De laatste twee schepen, Illinois en Kentucky, werden nooit afgebouwd en uiteindelijk ontmanteld. Tussen kiellegging en tewaterlating lag bij de vier afgebouwde schepen twee tot drie jaar, waarna ze nog vijf maanden aan de afbouwsteiger lagen alvorens in dienst gesteld te worden.

Eenheden miniatuur|USS Iowa tijdens een demonstratie in 1984 Alle geplande slagschepen werden, naar Amerikaanse traditie, vernoemd naar Amerikaanse staten. De afgebouwde eenheden dienden tijdens de Tweede Wereldoorlog, de Koreaanse Oorlog, de Vietnamoorlog (één schip) en de Golfoorlog van 1990-1991 (twee). Door de hoge bedrijfskosten (vooral door het aantal benodigde personeelsleden, maar ook door de conservering van de raketten) werden de schepen in vredestijd steeds toegevoegd aan de reservevloot.

USS Iowa (BB-61) 80px|left|Embleem USS Iowa USS Iowa (BB-61) was het eerste schip uit de naar haar vernoemde klasse. Op 27 juni 1940 werd haar kiel gelegd en op 22 februari 1943 werd ze in dienst gesteld. Ze diende in de Tweede Wereldoorlog op de Stille Oceaan, waar ze onder andere deelnam aan de Slag in de Filipijnenzee. Na korte tijd behoord te hebben tot de reservevloot, werd ze in de Koreaanse Oorlog weer in dienst gesteld om kustbeschietingen uit te voeren. Van 1958 tot 1984 behoorde ze wederom tot de reservevloot, waarna ze in het kader van president Reagans 600-schip-marine weer werd toegevoegd aan de operationele vloot. Tot haar volgende uitdienststelling in 1990 diende ze voor Nicaragua en in de Perzische Golf. In 1995 werd ze uit het scheepsregister geschrapt, om korte tijd later toch weer opgenomen te worden in de reservevloot, waar ze tot 2006 toe behoorde. Tegenwoordig ligt ze in de haven van Los Angeles, waar ze als museumschip te bezoeken is. USS Iowa was tussen 1943 en 1990 18 jaar en 11 maanden in actieve dienst.

USS New Jersey (BB-62) 80px|left|Embleem USS New Jersey Op 16 september 1940 werd de kiel gelegd van USS New Jersey (BB-62) en op 23 mei 1943 werd ze in dienst gesteld. In de Tweede Wereldoorlog nam ze onder andere deel aan de beschieting van Saipan en beschermde ze vliegdekschepen voor Okinawa. Na korte tijd in de reservevloot beschoot de New Jersey in 1951 de kust van Wŏnsan en andere Noord-Koreaanse steden, waarna ze in 1957 wederom buiten dienst gesteld werd. Als enige schip van de Iowaklasse diende de New Jersey in de Vietnamoorlog, waar ze 6200 granaten verschoot met haar hoofdgeschut. Van 1969 tot 1982 bracht ze wederom door in de reservevloot, om daarna dienst te doen in de Libanese Burgeroorlog, waar ze Syrische commandoposten in de Bekavallei onder vuur nam. Na meerdere operaties werd ze in 1991 buiten dienst gesteld en in 1995 uit het scheepsregister geschrapt. Nu ligt de New Jersey in Camden (New Jersey), waar ze bezichtigd kan worden. USS New Jersey bracht 21 jaar en vijf maanden in actieve dienst door, het langst van de vier schepen uit de Iowaklasse.

USS Missouri (BB-63) 80px|left|Embleem USS Missouri De kiel van USS Missouri (BB-63) werd op 6 januari 1941 gelegd en op 11 juni 1944 werd het schip in dienst gesteld. In de Tweede Wereldoorlog nam ze onder andere deel aan de landing op Iwo Jima en beschoot ze vlak voor het einde van de oorlog industriegebieden in Hichiti, Japan. Op 2 september 1945 werd aan boord van de Missouri in het bijzijn van admiraal Chester Nimitz en General of the Army Douglas MacArthur door Mamoru Shigemitsu de Japanse capitulatie ondertekend. Vanaf 1950 nam de Missouri deel aan beschietingen van de Koreaanse kust, waarna ze in 1955 buiten dienst gesteld werd. In 1986 werd ze weer in actieve dienst genomen en in 1991 diende ze in Operatie Desert Storm, waar ze naast het normale geschut ook kruisvluchtwapens lanceerde. In 1992 werd ze buiten dienst gesteld en in 1995 uit het scheepsregister geschrapt. Vandaag de dag is ze een museumschip in Pearl Harbor, Hawaï. USS Missouri diende in totaal 16 jaar en vier maanden.

USS Wisconsin (BB-64) 80px|left|Embleem USS Wisconsin Van USS Wisconsin (BB-64) werd op 25 januari 1941 de kiel gelegd en ze werd op 16 april 1943 in dienst gesteld. Gedurende de Tweede Wereldoorlog diende ze bij Iwo Jima en de Japanse hoofdeilanden. De eerste uitdienststelling volgde in 1948, maar in 1951 werd ze weer in actieve dienst genomen om deel te nemen aan de Koreaanse Oorlog. Van 1958 tot 1988 bracht ze weer bij de reservevloot door, waarna ze in 1991 deelnam aan de Golfoorlog. Naast het normale geschut lanceerde ze daar 24 kruisvluchtwapens op Irak. Na haar uitdienststelling in 1991 werd ze in 1995 uit het scheepsregister geschrapt, maar hier in 1998 weer in opgenomen. Tot 2006 behoorde ze tot de reservevloot en ligt ze in het Nauticus National Maritime Center in Norfolk (Virginia). USS Wisconsin bracht 13 jaar en elf maanden in actieve dienst door.

USS Illinois (BB-65) en USS Kentucky (BB-66) USS Illinois (BB-65) en USS Kentucky (BB-66) zouden eigenlijk als Montana en Ohio de eerste twee schepen van de nog te bouwen Montana-klasse worden, die uiteindelijk uit vijf schepen zou bestaan. Doordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak, werden ze echter als Iowaklasse gebouwd om tijd te besparen bij de bouw.R. Gardiner, Conway's All the World's Fighting Ships, 1922–1946. Londen: Conway Maritime Press, 1980.

Zodoende werd de kiel van de Illinois op 15 januari 1945 gelegd, maar de bouw werd al op 12 augustus van datzelfde jaar gestopt. Op dat moment was de bouw voor 22% gereed. De romp werd in 1948 verkocht voor de sloop. Nadat de kiel van de Kentucky op 6 december 1944 gelegd was, werd de bouw op 17 februari 1947 stilgelegd toen het schip al voor bijna driekwart af was. Het schip lag tot 1950 in het droogdok, daarna aan de pier van Newport News. Toen bleek dat de marine geen verdere plannen met het schip had, werd het in 1958 verkocht aan de Boston Metals Company, die het sloopte.

Ombouwplannen na de Tweede Wereldoorlog Al na de eerste uitdienststelling na de Tweede Wereldoorlog werden ombouwplannen gemaakt voor de vier afgebouwde schepen, maar in het bijzonder voor de nog niet afgebouwde Kentucky. Ook na de Vietnamoorlog zijn omvangrijke plannen gemaakt, die bij uitvoering de inzet van de schepen sterk veranderd zouden hebben.

Als lanceerplatform Er zijn tweemaal concrete plannen geweest om het hoofdgeschut te vervangen voor ballistische raketten. Beide plannen zijn nooit uitgevoerd, voornamelijk door de hoge kosten die een dergelijk grondige verbouwing met zich meebrengt in vergelijking met de nieuwbouw van een schip. Bovendien zouden de schepen, om intercontinentale raketten nauwkeurig te kunnen lanceren, erg gestabiliseerd moeten worden in de lengterichting.

1956 Vanaf 1956 werden twee concepten bekeken: ofwel de ombouw naar een luchtverdedigingsschip, ofwel naar een geleidewapenkruiser. Voor het eerste concept zouden de geschuttorens van 406 mm moeten worden vervangen door twee- of vierlingtorens met lopen van 203 mm kaliber, die aangedreven luchtafweergranaten met een vuursnelheid van zeven schoten per minuut.

De ombouw naar een kruiser zou aanzienlijk verder gaan. Hiervoor ontwierp de US Navy in 1956 twee alternatieven: het eerste alternatief voorzag een verwijdering van alle kanonnen om plaats te maken voor zestien intercontinentale raketten van het type Polaris, waarvoor een lanceerinrichting zou moeten komen waar enkele schoorstenen voor moesten wijken. De defensieve middelen zouden daarnaast voornamelijk bestaan uit luchtdoelraketten: in de langsscheepse richting in totaal twaalf dubbele lanceerbuizen voor middellangeafstandsraketten van het type RIM-24 Tartar en op de boeg en de hek twee dubbele lanceerbuizen voor RIM-8 Talos-langeafstandsraketten. In dit alternatief, dat 280 miljoen dollar per schip zou kosten (naar de huidige maatstaven ongeveer één miljard dollar), zou enkel de romp in zijn oorspronkelijke staat gebleven zijn.

Het tweede alternatief, dat 130 miljoen dollar per schip zou kosten, schrapte delen van de aandrijving van de raketten, waardoor twaalf Polaris-FK-raketten in de romp ondergebracht zouden kunnen worden. Voor de luchtverdediging zou het schip moeten vertrouwen op vier Tartar- en twee Talos-lanceerbuizen en vier nieuwe kanonnen van 76 mm.

1958 Toen in 1958 de Kentucky afgestoten was, waren er ombouwplannen voor de resterende vier schepen. In het eerste alternatief zouden de voorste kanonnen worden behouden, maar zou de achterste geschuttoren door Talos-raketten worden vervangen. Midscheeps zouden zestien ballistische Polaris-raketten worden geïnstalleerd.

In het tweede alternatief zou het grootste geschut helemaal verdwijnen om plaats te maken voor twee geschuttorens van 127 mm en twee Tartar- en twee Talos-systemen. Bovendien zou midscheeps een RUR-5 ASROC voor onderzeebootbestrijding worden geplaatst. De hoofdbewapening zou bestaan uit zestien Polaris-raketten. De prijs zou rond de 193 miljoen dollar liggen.

Als vliegdekschip