Miragaia is een geslacht van plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de groep van de Stegosauria, dat tijdens het late Jura leefde in het gebied van het huidige Portugal.
De eerste fossielen van Miragaia werden in 1999 gevonden. Het geslacht kreeg in 2009 zijn naam die zoiets als "wonderlijke aardgodin" betekent toen de typesoort Miragaia longicollum benoemd werd. Van Miragaia is voornamelijk de voorkant van het skelet bekend. Veel is nog onzeker over de bouw.
Miragaia was een viervoetige planteneter die ruim zes meter lang werd en twee ton zwaar. Zij had een kleine kop en stevige voorpoten. Miragaia onderscheidt zich vooral door een zeer lange nek met meer halswervels dan andere stegosauriërs. Misschien diende de nek om hogere planten te bereiken. Op de nek stonden twee rijen kleine beenplaten en verder werd het dier verdedigd door stekels.
Vondst en naamgeving In augustus 1999 en augustus 2001 werden in het noorden van Portugal bij Lourinhã de resten opgegraven van een stegosauriër. De fossielen werden ontdekt bij de aanleg van een weg, door de constructiewerkzaamheden ging wellicht de achterste helft van een skelet verloren. Al tijdens de berging werden de beenderen geïmpregneerd met een kunsthars op acrylaatbasis en daarna verpakt in gips. De fossielen zijn daarna geprepareerd met assistentie van de Nederlander Aart Walen. Met mechanische hulpmiddelen en zuurbaden werden de botten vrijgelegd en daarop verder versterkt door kunstharsen en geplakt met secondelijm. De vondst werd eerst aangezien voor een exemplaar van Dacentrurus.
De typesoort Miragaia longicollum is in 2009 beschreven en benoemd door de Portugese Octávio Mateus, de Britse Susannah Maidment en de Deen Nicolai Christiansen. De geslachtsnaam verwijst naar Miragaia, een dorpje bij Porto, en de Miragaialaag. De beschrijvers zien de naam echter ook als een toespeling op het Latijnse mirus, "wonderlijk" en Gaia, de aardgodin. De soortaanduiding betekent "langnek" in het Latijn van longus, "lang" en collum, "hals", een verwijzing naar het meest opvallende kenmerk van het dier.
Het holotype, ML 433, is gevonden in de Sobralformatie (ook wel gezien als de Sobralafzetting van de Farta Paoformatie), gevormd in het Kimmeridgien-Tithonien, ongeveer 150 miljoen jaar geleden. Het bestaat uit de voorkant van het skelet. Bewaard zijn gebleven: een gedeeltelijke schedel met een rechterpraemaxilla, een linkerbovenkaaksbeen, een linkerneusbeen en een rechterpostorbitale; de ossa angularia van de onderkaken; twee voorste ruggenwervels; een complete reeks van vijftien halswervels minus atlas en draaier, twaalf ribben, een chevron, een volledige schoudergordel en de bijna complete voorste ledematen waaronder van de pols en handen, een mogelijk os carpi intermedium, een eerste rechtermiddenhandsbeen en drie eerste vingerkootjes. Van de huidverbeningen zijn dertien platen gevonden en een stekel. De botten lagen niet in verband maar verspreid over een oppervlak van vijf bij zeven meter. De beschrijving is mede gebaseerd op een paratype, ML 433-A, bestaande uit bekkendelen (een linkerdarmbeen en een rechterschaambeen), twee verband gevonden ruggenwervels en drie wervelbogen van een jong dier. De botten van het tweede exemplaar werden aangetroffen in mengeling met die van het holotype; de toewijzing van wervels aan het holotype gebeurde op grond van de grootte. De schedel is de eerste stegosauriërschedel in Europa gevonden.
Van de beenderen zijn afgietsels gemaakt in polyurethaan en polyester. Aangevuld met elementen die afgeleid waren van andere stegosauriërs werd hiermee een skeletmodel opgesteld.
In 2010 stelde de Spaanse paleontoloog Alberto Collos dat de fossielen van Miragaia niet te onderscheiden waren van resten die in Spanje zijn aangetroffen en aan Dacentrurus werden toegewezen of van het holotype van Dacentrurus uit Engeland, daar de unieke kenmerken van Miragaia aanwezig zijn bij skeletelementen die niet bij beide taxa aangetroffen zijn. Hij meende dat Miragaia daarom een jonger synoniem was van Dacentrurus. Er werd hierna ook wel gesproken van een Dacentrurus longicollum. De meeste paleontologen echter leiden uit de geringe hoeveelheid overlappend materiaal af dat een identiteit juist niet afdoende bewezen kan worden en zulke taxa, althans voorlopig, beter gescheiden kunnen worden gehouden, ook omdat het onzeker is of de Spaanse vorm wel identiek is aan de Britse Dacentrurus.
In 2019 echter werd een derde exemplaar beschreven dat al in 1959 was gevonden bij Atouguia da Baleia, Peniche, ook in Portugal, vermoedelijk door Georges Zbyszewski. Een halve eeuw bleef het opgeslagen in de kratten waarin het was verzonden totdat het in 2009 werd opgemerkt door Bruno Pereira die Octávio Mateus er opmerkzaam op maakte. Van 2015 af was het het onderwerp van een dissertatie door Francisco Costa die het prepareerde tussen mei 2015 en september 2017. Dit specimen MG 4863 is wat fragmentarisch maar vertegenwoordigt delen van vrijwel het volledige lichaam. Het mist het grootste deel van de schedel en de voorpoten maar is toch de meest volledige dinosauriër ooit in Portugal gevonden en de meest complete stegosauriër uit Europa. In 2019 werd geconcludeerd dat Miragaia een geldig taxon was en dat Alcovasaurus er meer kenmerken mee deelde dan met Dacentrurus, wat als reden werd gezien A. longispinus te hernoemen tot een tweede soort van het geslacht: Miragaia longispinus. Zulk een hernoeming berust altijd op een subjectieve keuze. In ieder geval moet dan de naam geëmendeerd worden tot Miragaia longispina.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken Miragaia was een planteneter van een zes meter lengte. Gregory S. Paul schatte in 2010 de lichaamslengte op zesenhalve meter, het gewicht op twee ton.
De beschrijvers wisten zes onderscheidende kenmerken vast te stellen. De praemaxilla is naar voren toe tot een punt uitgerekt. De voorste zijrand van de praemaxilla steekt naar onderen uit. Er zijn minstens zeventien halswervels. De doornuitsteeksels van de middelste halswervels hebben een inkeping aan hun voorste basis met direct erboven een naar voren gericht uitsteeksel. De wervels van de middelste en achterste nek en de voorste rug hebben doornuitsteeksels met een bovenaan overdwars verbreed uiteinde. Op de nek staan twee rijen gepaarde driehoekige beenplaten met een licht bolle buitenzijde en een inkeping en uitsteeksel op de bovenste voorrand.
In 2019 kon dit uitgebreid worden met een groot aantal autapomorfieën. Het bovengenoemde uitsteeksel op het doornuitsteeksel is een uitloper van de richel naar het achterste gewrichtsuitsteeksel, die begint vóór de epipofyse. De bovengenoemde vorm van de platen was een vergissing omdat ze omgedraaid moeten worden zodat binnenzijde bol wordt en de inkeping zich op de achterrand bevindt. Bij de halswervels staan de doornuitsteeksels vooraan op de voorste helft van het centrum en schuiven naar achteren meer achteraan in de reeks. Behalve bij de allervoorste halswervels hebben de zijuitsteeksels in de nek een lengte die meer dan de helft bedraagt van die van het wervellichaam. Bij de halswervels hebben de voorste gewrichtsuitsteeksels achteraan een rond profiel in zijaanzicht en vooraan een recht profiel met een inkeping op de voorste bovenrand. Bij de eerste staartwervel heeft het zijuitsteeksel een gesloten kanaal in de binnenste bovenkant. Op de staartbasis hellen de doornuitsteeksels naar achteren in de reeks steeds meer naar achteren tot een hoek van 45° tussen de achtste en elfde wervel. Tussen de tiende en twaalfde staartwervel is de hoogte van het doornuitsteeksel tot een vijfde verminderd en verder naar achteren in de reeks zijn de doornuitsteeksels niet meer dan lage richels. Op de schacht van het dijbeen bevinden zich koordvormige lengterichels, twee aan de achterkant en een aan de buitenste voorzijde, die zich onderaan splitsen.
Skelet thumb|380px|Een model van het skelet Schedel en onderkaken De schedel van Miragaia is langwerpig en laag. Het bovenprofiel van de snuit loopt naar voren toe wat af tot aan de insnoering in het achterdeel van de praemaxillae die een smalle tandeloze bovensnavel vormen. Ook in bovenaanzicht is er een insnoering. Daarvóór verwijden de praemaxillae zich weer in evenwijdige lijnen om uiteindelijk vlak voor het niveau van de snuitpunt weer naar elkaar toe te buigen. Ze raken elkaar in een complexe structuur die in bovenaanzicht een W-vorm heeft: het bovenprofiel loopt scherp naar achteren terug om vlak voor het raakpunt weer plots naar voren uit te steken in een scherp puntje. Stegosaurus heeft hier een U-vormige kleine inkeping met een bol puntje. In zijaanzicht hangt de onderrand van de praemaxilla schepvormig af. De zijrand van het verhemelte volgt deze beweging en hangt vooraan af, naar achteren weer oplopend. Het neusgat is groot en heeft de vorm van een langwerpige liggende driehoek met een punt naar beneden gericht. Achter de punt loopt de achterste tak van de praemaxilla hoog op, het grootste deel van de achterste onderrand van het neusgat vormend. Ook de dunne opgaande tak van de praemaxilla reikt ver naar achter zodat het neusbeen maar een kleine bijdrage levert aan de rand van het neusgat, de achterste punt daarvan omvattend.
Het neusbeen is langwerpig en bovenop wat bol. Het is echter mogelijk dat de bolheid (ten dele) het gevolg is van een vervorming van het fossiel. Het bovenvlak is ook wat geornamenteerd: oneffenheden doen vermoeden dat de snuit voorzien was van bulten van hoorn. De neusbeenderen worden achteraan U-vormig ingekeept door de voorhoofdsbeenderen. Het raakvlak met het bovenkaaksbeen is een opstaande richel. Het postorbitale is een klein driestralig element.
Het bovenkaaksbeen heeft zestien tandposities; een gedeelte van de achterste tak is tandeloos. Het bovenkaaksbeen is vooraan overdwars dun en verdikt naar achteren toe. Het bovendeel van het bovenkaaksbeen is ingesprongen ten opzichte van de tanddragende onderkant.
In de onderkaak heeft het angulare vooraan een gebogen evenwijdig lopende onderrand en bovenrand; de laatste is wellicht de onderrand van een wat groter zijvenster.
Postcrania thumb|380px|Een halswervel van Miragaia, van rechtsboven bezien. Onderaan is de vergroeide nekrib duidelijk zichtbaar met het extra puntje naar voren toe. Midden boven op de wervelboog is er een laag doornuitsteeksel, uitlopend in richels op de naar achteren wijzende postzygapofysen. De opstaande uitsteeksels rechts zijn de prezygapofysen Wervelkolom