Dit artikel behandelt de geschiedenis van de Faeröer.
Ierse monniken De eilandengroep werd waarschijnlijk in de 5e eeuw ontdekt door Ierse monniken, die vanaf 625 zich op de Faeröerse bodem vestigden bij Sumba, de zuidkaap van het meest zuidelijke eiland Suðuroy. Rondom de plaats zijn archeologische vondsten gedaan uit die tijd, en ook op het eiland Mykines is bewezen dat er toen haver verbouwd is geweest, maar hierbij moet het slechts een kleine nederzetting hebben betroffen. De monniken leefden een eenvoudig teruggetrokken bestaan.
Vikingen De Vikingen zouden in 795 voor het eerst voet aan wal hebben gezet, waarbij zij de Ierse monniken aantroffen. Onzeker is of zij de monniken hebben verdreven, of dat ze zijn teruggekeerd en de monniken uit eigen beweging de eilanden daarna hebben verlaten, voor een deel naar IJsland. Van het Liber de Mensura Orbis Terræ van de Ierse monnik Dicuil is bekend dat in 825 wederom Noormannen aan land gingen en er slechts schapen (door de monniken achtergelaten) en zeevogels vonden. Aan de schapen ontleende de eilandengroep ook haar naam Færeyjar, wat Oudnoords is voor Schapeneilanden; in het Faeröers, dat zich ontwikkeld heeft uit het Oudnoords en vandaag de dag op de eilanden wordt gesproken, is dit Føroyar.
De komende twee eeuwen staan bekend als de 'Vikingtijd op de Faeröer'; de belangrijkste bron hiervoor is de Faeröerderssaga (Faeröers: Føroyinga søga), in de 13e eeuw geschreven door een IJslander, mogelijk een leerling van Snorri Sturluson. In de saga worden de vestiging van voornamelijk uit Noorwegen afkomstige Vikingen beschreven, die de ijzeren greep van Harald Mooihaar ontvluchtten, tot aan de kerstening van de eilanden rond de overgang van de tiende naar de elfde eeuw. In dit tijdsbestek is het Faeröerse Alding, voorloper van het huidige Løgting, opgericht als volksraad. De aanvaarding van het christendom als staatsgodsdienst door het Alþing in 999 geldt als overgang van het Germaans heidendom op het christendom; ten slotte werden de Faeröer rond 1100 een bisdom, met Kirkjubøur als zetel. thumb|left|290px|De Faeröer zoals gezien door de Franse zeevaarder Yves de Kerguelen Trémarec in 1767.
De theorie van een groepsgewijze immigratie vanuit Noorwegen is in de jaren-2020 weerlegd door genetisch onderzoek. De bevolking van de Faeröer bleek af te stammen van Denen zowel als Noren en in mindere mate Zweden.https://historianet.nl/beschavingen/vikingen/nu-weten-we-welke-vikingen-de-faeroer-hebben-gekoloniseerd
Onder Noorwegen (1035-1380) Vanaf 1035 behoorden de Faeröer-eilanden tot Noorwegen, wat als het einde van de Vikingtijd wordt beschouwd. Dit gebeurde kort na de kerstening van de eilanden rond het jaar 1000. De oude Vikingmaatschappij, die was opgebouwd rond lokale hoofdmannen en het parlement, het Løgting, werd steeds sterker geïntegreerd in het Noorse staatsbestel.
Hoewel de Noorse koningen slechts beperkt direct gezag konden uitoefenen over de afgelegen eilanden, werden kerk, rechtspraak en bestuur geleidelijk verbonden met Noorwegen. De bevolking leefde voornamelijk van veeteelt, schapenteelt en kustvisserij. Door de geïsoleerde ligging bleven veel oude Noorse tradities lang behouden.
Unie met Denemarken (1380-1814)
Toen Noorwegen en Denemarken in 1380 in een personele unie werden verenigd, kwamen ook de Faeröer onder de gezamenlijke Deens-Noorse kroon. De eilanden bleven formeel Noors bezit, maar de invloed van Kopenhagen nam geleidelijk toe.
In de zeventiende eeuw werden de Faeröer tijdelijk als leen aan de familie Von Gabel gegeven. Deze periode staat in de Faeröerse geschiedschrijving bekend als een tijd van economische uitbuiting en handelsbeperkingen. Na 1709 kwam het bestuur weer rechtstreeks in Deense handen.
De economie bleef grotendeels afhankelijk van landbouw, wolproductie en visserij. Door het ruwe klimaat en de geïsoleerde ligging kende de bevolking regelmatig perioden van armoede en voedseltekorten.
Onder Deense soevereiniteit (1814-1940) 250px|thumb|rechts|Engelse kaart van de eilanden uit 1806 Na het Verdrag van Kiel van 1814 werd Noorwegen van Denemarken afgescheiden en aan Zweden toegewezen. De Faeröer bleven echter onder Deense soevereiniteit. Twee jaar later werden de eilanden een Deense provincie.
In de negentiende eeuw vond een nationale en culturele herleving plaats. De Faeröerse taal, die eeuwenlang vrijwel uitsluitend als spreektaal had bestaan, werd vastgelegd en kreeg een steeds belangrijkere positie. Tegelijkertijd groeide het verlangen naar zelfbestuur. Het oude Løgting kreeg opnieuw een politieke rol en werd een belangrijk symbool van nationale identiteit.
De afschaffing van het Deense handelsmonopolie in 1856 gaf de economie een sterke impuls. Vanaf het einde van de negentiende eeuw ontwikkelde de visserij zich tot de belangrijkste economische sector. Modernere vissersschepen maakten commerciële visvangst op grote schaal mogelijk.
De Tweede Wereldoorlog Een belangrijk keerpunt kwam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Nadat Denemarken in april 1940 door Duitsland was bezet, bezetten Britse troepen de Faeröer om te voorkomen dat de eilanden in Duitse handen zouden vallen. Tijdens deze bezetting werden de eilanden feitelijk los van Denemarken bestuurd. De Britten erkenden bovendien de Faeröerse vlag als officieel scheepvaartteken.
De oorlog versterkte het nationale bewustzijn. Veel inwoners ervoeren dat de eilanden zelfstandig konden functioneren, wat het streven naar onafhankelijkheid verder aanwakkerde.
Referendum en autonomie (1946-1948) In 1946 werd een referendum gehouden over de toekomst van de Faeröer. Een kleine meerderheid stemde voor onafhankelijkheid. De Deense regering erkende de uitslag echter niet als bindend en ontbond het Faeröerse parlement. Dit leidde tot een constitutionele crisis.
Als compromis werd in 1948 de Home Rule Act aangenomen. Hierdoor werden de Faeröer een zelfbesturende natie binnen het Koninkrijk Denemarken. De eilanden kregen vergaande bevoegdheden op het gebied van binnenlands bestuur, onderwijs, cultuur en economie, terwijl defensie en buitenlandse betrekkingen grotendeels in Deense handen bleven.
Tweede helft 20e eeuw Na 1948 groeide de autonomie geleidelijk verder. De Faeröerse overheid kreeg steeds meer verantwoordelijkheden overgenomen van Denemarken. De visserij bleef de economische ruggengraat van de samenleving en maakte een relatief hoge levensstandaard mogelijk.
Een belangrijk politiek besluit volgde in 1973, toen de Faeröer ervoor kozen niet toe te treden tot de Europese Gemeenschap, hoewel Denemarken wel lid werd. Daardoor behielden de eilanden hun eigen visserijbeleid en hun zelfstandige positie buiten de Europese Unie.
In de vroege jaren negentig werd de eilandengroep getroffen door een ernstige economische crisis. Dalende visprijzen, overbevissing en financiële problemen veroorzaakten hoge werkloosheid en emigratie. Bijna 10% van de bevolking vertrok in deze periode.
Vanaf het einde van de twintigste eeuw leefde de discussie over volledige onafhankelijkheid opnieuw op. Onderhandelingen tussen de Faeröerse en Deense regering vonden plaats rond 2000, maar leidden niet tot een definitieve afscheiding. Wel bleef de autonomie verder groeien. Diverse beleidsterreinen, waaronder onderwijs en delen van de sociale zekerheid, werden overgenomen door de Faeröerse overheid.
21e eeuw In de 21e eeuw hebben de Faeröer zich ontwikkeld tot een moderne eilandnatie met een hoogwaardige infrastructuur. Om de afgelegen dorpen en eilanden beter met elkaar te verbinden, werd een omvangrijk netwerk van bruggen, dammen en zeetunnels aangelegd. De opening van de onderzeese Vágatunnel (2002), de Norðoyatunnel (2006) en de Eysturoyartunnel (2020) verkortte reistijden aanzienlijk en versterkte de economische samenhang van de eilandengroep. De laatstgenoemde tunnel bevat bovendien de eerste rotonde ter wereld die onder zee is aangelegd. Tegelijkertijd groeide de visserijsector verder uit tot een van de belangrijkste exportsectoren van de Noord-Atlantische regio, terwijl ook het toerisme sterk toenam.
Zie ook Akrabjerg